Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.4.5:VIII.4.5 Waardering
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.4.5
VIII.4.5 Waardering
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598639:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Net als het Nederlandse dwangmiddelenstelsel is het strafrechtelijke sanctiestelsel op hoofdlijnen met de onschuldpresumptie in overeenstemming. Op het uitgangspunt dat sancties worden gebaseerd op bewezen strafbare feiten zijn uitzonderingen gesignaleerd die uitvoerig zijn besproken. Ook het merendeel van die uitzonderingen blijkt in overeenstemming met het onschuldvermoeden. Zo bestaat genuanceerde en afgewogen rechtspraak van de Hoge Raad over de toelaatbaarheid bij de straftoemeting andere strafbare feiten dan het bewezenverklaarde delict te betrekken, waarin ook voor de onschuldpresumptie plaats is. De wetgever heeft daarnaast trachten te voorkomen dat in het kader van de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke sancties een voorbarig oordeel over de schuld aan een nieuw feit moet worden uitgesproken. Door het oordeel over naleving van de algemene voorwaarde op te dragen aan de rechter die bevoegd is over de berechting van dat nieuwe feit en een veroordeling wegens dat nieuwe feit te verlangen, kan eerst na schuldvaststelling overeenkomstig het onschuldvermoeden van bejegening als schuldige sprake zijn. Wel doen zich in dit verband mogelijk complicaties voor doordat dat systeem niet van overeenkomstige toepassing is op bijzondere voorwaarden die inhoudelijk neerkomen op het niet-begaan van een strafbaar feit en doordat de regeling bij de voorwaardelijke ISD-maatregel ontbreekt.
Opvallend is dat de facetten van het sanctiestelsel die met de onschuldpresumptie principieel op gespannen voet staan overwegend recent zijn ingevoerd. Dat bleek in de paragraaf over dwangmiddelen voor de gronden voor de voorlopige hechtenis ook al het geval. In deze paragraaf bleek dat naast de oudere onttrekking aan het verkeer na vrijspraak, ook de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens andere feiten dan het bewezenverklaarde en de voorlopige tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling zich tot de onschuldpresumptie moeizaam verhouden. De overeenkomstige gedachte achter beide lijkt dat waar eenmaal is geconstateerd dat iemand zich tot strafbare feiten laat verleiden, door het onschuldvermoeden ingegeven procedureregels die een voorzichtige bejegening en zorgvuldige schuldvaststelling voorschrijven, een efficiënte en daadkrachtige reactie op ander delinquent gedrag van die persoon niet moeten kunnen verhinderen.