Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.2.2.1:6.2.2.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.2.2.1
6.2.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS574764:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 4.4.5.3 is uiteengezet dat de rechter in bijzondere gevallen steeds van een rechtersregeling dient te kunnen afwijken. Dit hangt samen met het feit dat de binding aan de hier bedoelde rechtersregelingen (uitsluitend) berust op de werking van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging als het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. Dergelijke beginselen hebben echter geen absolute gelding.1 Met name het gelijkheidsbeginsel kan voor binding bovendien slechts de grondslag vormen, wanneer de te behandelen gevallen inderdaad in relevante opzichten gelijk zijn. Doen zich in een zaak zodanige bijzondere omstandigheden voor dat daarvan geen sprake meer is, dan zal de rechter van een rechtersregeling kunnen (en daarmee in feite ook moeten) afwijken. Deze mogelijkheid tot afwijking bestaat ongeacht de vraag, of hierin in de desbetreffende rechtersregeling expliciet is voorzien. In navolging van de bij beleidsregels gebruikelijke terminologie zou dit ook aldus geformuleerd kunnen worden, dat de rechter over een 'inherente' bevoegdheid tot afwijking2 van een rechtersregeling beschikt.