RvdW 2026/251:Medeplegen aanwezig hebben van cocaïne en heroïne (art. 2 onder C Opiumwet), medeplegen voorbereidingshandelingen t.a.v. productie van cocaïne en heroïne (art. 10a lid 1 onder 3 Opiumwet) en medeplegen voorhanden hebben van vuurwapens en munitie (art. 26 lid 1 WWM) in pand in Rotterdam. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Heeft hof toereikend gemotiveerd op hetgeen namens verdachte ‘in e.a. en in hoger beroep’ is aangevoerd over (on)betrouwbaarheid van de door getuige afgelegde verklaringen? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Verweren die ttz. in e.a. zijn gevoerd maar in h.b. niet zijn herhaald, behoeven door hof niet te worden besproken. Uit p-v van tz. in h.b. blijkt niet dat aldaar in e.a. gevoerde verweren zijn herhaald. Voorts is rechter niet verplicht te beslissen omtrent enig verweer of standpunt dat niet door of namens verdachte ttz. uitdrukkelijk is voorgedragen. Uit p-v van tz. in h.b. kan (afgezien van enkele opmerking van verdachte dat verklaring van zijn ex-vrouw niet klopt en dat zij zijn leven wil kapotmaken door leugens) niet worden afgeleid dat verdachte of zijn raadsvrouw m.b.t. betrouwbaarheid van die verklaringen enig verweer heeft gevoerd. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2026/252.