RvdW 2026/260:Rijden terwijl verdachte wist dat rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9 lid 2 WVW 1994), nadat rijbewijs o.g.v. recidiveregeling in art. 123b WVW 1994 van rechtswege ongeldig was geworden. Vrijspraak in eerste aanleg. IJkpunt voor toepasselijkheid van recidiveregeling, art. 123b lid 1 en 123b lid 5 WVW 1994. Moet, voor toepasselijkheid van art. 123b WVW 1994, worden uitgegaan van moment waarop tweede veroordeling a.b.i. die bepaling is gepleegd of moment dat dit feit onherroepelijk is geworden? O.g.v. art. 123b lid 1 WVW 1994 verliest en rijbewijs van rechtswege zijn geldigheid als aan de in die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. Daarvan is sprake bij recidive van verkeersdelicten die met middelengebruik verband houden. Verlies van geldigheid van rijbewijs is daarbij direct gevolg van het onherroepelijk worden van tweede veroordeling voor zo’n delict dat is begaan binnen de in art. 123b lid 1 WVW 1994 genoemde periode van 5 jaren (vgl. ECLI:NL:HR:2018:2350). Dit betekent dat geldigheid van rijbewijs verloren gaat op moment dat die tweede veroordeling onherroepelijk wordt. Het kan, zoals uit art. 123b lid 5 WVW 1994 volgt, ook gaan om verlies van geldigheid van rijbewijs dat door daartoe bevoegd gezag buiten Nederland is afgegeven, als houder daarvan in Nederland woonachtig is. Van dit woonachtig zijn in Nederland moet eveneens sprake zijn op moment dat tweede veroordeling onherroepelijk wordt. Opvatting dat voor het woonachtig zijn in Nederland a.b.i. art. 123b lid 5 WVW 1994 moet worden uitgegaan van moment waarop feit is gepleegd dat heeft geleid tot tweede veroordeling a.b.i. art. 123b lid 1 WVW 1994, is onjuist. Volgt verwerping.