Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.4.9.2
7.4.9.2 Partijen bij het onderzoek
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS454254:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 7.6.6.
Informant in de onderzoeksfase is iets anders dan informant in de eerstefaseprocedure. De Ondernemingskamer heeft deze figuur geïntroduceerd in de Eshuis Holding-beschikking, OK7 juli 2015, ARO 2015/181 (Eshuis Holding). De informant is iemand die geen belanghebbende is, maar wel stukken kan indienen en ter zitting opmerkingen kan maken waarvan de Ondernemingskamer kennisneemt. Zie hierover kritisch Hermans 2016a.
Leidraad deskundigen in civiele zaken nr. 25. Het inzage- en blokkeringsrecht van de onderzochte persoon in een medisch deskundigenonderzoek (artikel 7:464 lid 2 sub b BW) is een uitzondering op dit uitgangspunt.
Vgl. HR 20 september 1996, NJ 1997/328, m.nt. G.R. Rutgers (Halcion II); EHRM 21 september 1994, NJ 1995/463 (Fayed v. Verenigd Koninkrijk), § 79; Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 42.
Zie § 1.6.
Partij bij het onderzoek zijn niet alleen de partijen die in de eerstefaseprocedure zijn verschenen, maar is elke partij die door de resultaten van het onderzoek zoals weergegeven in het verslag in haar belangen kan worden geschaad. Daarbij doet de formele positie die de partijen in de eerstefaseprocedure hebben niet ter zake, omdat die niets zegt over hun rol in, en belang bij, het onderzoek.
Met twee voorbeelden kan ik dit illustreren. De rechtspersoon zal in de meeste eerstefaseprocedures betrokken worden als verweerder, maar kan ook als verzoeker een enquête naar zichzelf uitlokken. Als de rechtspersoon in staat van faillissement verkeert, is hij formeel wel aan te merken als verweerder, maar speelt hij noch in de eerstefaseprocedure, noch in het onderzoek zelf verder een rol. Een tweede voorbeeld betreft de rol van de aandeelhouder. Een aandeelhouder die het onderzoek wil gebruiken om opening van zaken te verkrijgen, en de resultaten daarvan wil gebruiken in een eventuele vervolgprocedure, kan in de eerstefaseprocedure de verzoeker zijn, maar kan zich ook voegen als belanghebbende. Ook is denkbaar dat deze aandeelhouder zich pas nadat het onderzoek is gelast als ‘partij’ bij de onderzoekers meldt. Het belang van de aandeelhouder is dan dat van een verzoeker of eiser in een procedure. De aandeelhouder kan echter ook betrokken worden in een enquête uitgelokt door de rechtspersoon of een medeaandeelhouder, die de enquêteprocedure gebruikt om de rechten van die aandeelhouder te beperken, bijvoorbeeld om te bewerkstelligen dat zijn aandelen worden overgedragen ten titel van beheer. In dat geval is deze aandeelhouder eerder aan te merken als de verweerder in de procedure. Om deze reden meen ik dat het belang van partijen bij het onderzoek beslissend is voor hun formele positie in het onderzoek, en niet de procespositie die zij in de eerstefaseprocedure hebben ingenomen.
Behalve bij degenen die belang hebben bij de uitkomsten van het onderzoek, en dus als partij daarbij zijn aan te merken, kunnen de onderzoekers ook informatie opvragen bij, of spreken met, derden. Deze personen duid ik aan met de term ‘informanten’. Als informanten door de onderzoekers worden gehoord, moeten zij in de gelegenheid worden gesteld opmerkingen te maken over het gespreksverslag.1 Zij hebben echter geen recht om opmerkingen te maken over het conceptverslag, omdat het hun belang niet raakt.2
De wijze waarop partijen door de onderzoekers bij het onderzoek behoren te worden betrokken verschilt en is afhankelijk van hun belang. Dit verschil is ook wettelijk verankerd. Artikel 2:351 lid 4 BW bepaalt dat de partijen die in het verslag worden genoemd in de gelegenheid worden gesteld om opmerkingen te maken ten aanzien van wezenlijke bevindingen die op henzelf betrekking hebben. Partijen over wie geen op henzelf betrekking hebbende opmerkingen in het verslag worden gemaakt, zoals doorgaans de partijen die als ‘eiser’ of ‘verzoeker’ zijn aan te merken, hebben dit recht niet. In dit opzicht is er een verschil met het deskundigenonderzoek in de civiele procedure. Artikel 198 lid 2 Rv bepaalt dat de deskundigen partijen in de gelegenheid stellen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Zij moeten daarvan terstond een afschrift verstrekken aan de wederpartij. De Leidraad deskundigen in civiele zaken leidt daaruit af dat de deskundigen het conceptrapport aan beide partijen in de procedure moeten sturen.3 Bij de uitvoering van deskundigenonderzoeken behoeven de deskundigen overigens partijen niet in alle opzichten gelijk te behandelen.4 Dit is bijvoorbeeld het geval als in het civiele deskundigenonderzoek een van de partijen medisch of psychologisch wordt onderzocht.
Omdat het onderzoek zelf slechts summier in de wet is geregeld, kan men uit het feit dat de wetgever met betrekking tot het becommentariëren van het conceptverslag een onderscheid maakt tussen de verschillende partijen niet afleiden dat het ook in andere opzichten is toegestaan een onderscheid tussen partijen te maken. In dat opzicht wijs ik op de medewerkingsplicht aan het onderzoek, die voor sommige partijen gedetailleerd wettelijk is geregeld en voor andere partijen hoogstens uit analoge toepassing van artikel 198 lid 1 Rv kan worden afgeleid. Analoge toepassing van de regels van het deskundigenonderzoek in de civiele procedure op het enquêteonderzoek is overigens alleen toegestaan voor zover de aard van het enquêteonderzoek zich daartegen niet verzet.5