Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.4.15
7.4.15 Uitvoering binnen een redelijke termijn
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450682:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Aandachtspunt 3.2; GH 31 maart 2015, ARO 2015/106 (Integrated Utility Holding c.s.),r.o. 2.4; Van der Vlis 2000, p. 317; Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 21.
Assink || Slagter 2013, p. 1704.
De onderzoeker in het onderzoek naar TRP PVE meende dat hij dit wel mocht doen. Dit blijkt uit de beschikking van de Ondernemingskamer, waarbij zij een getroffen onmiddellijke voorziening beëindigde, OK 30 maart 2015, ARO 2015/109 (TRP PVE), r.o. 1.8. De Ondernemingskamer heeft dit onder de feiten vermeld, zonder hier een verdere overweging aan te wijden.
HR 17 december 2010, NJ 2011/213, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2011/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (KPNQwest). Zie verder § 11.5.3.
Volgens OK 8 september 2014, ARO 2014/134 (Trends-in-Center-Aalsmeer (TICA)), r.o. 2.2 heeft de onderzoeker tot het moment dat het onderzoeksverslag gereed is of de Ondernemingskamer een nadere beslissing over beëindiging van het onderzoek geeft, tot taak dat onderzoek uit te voeren.
Zie § 9.4.4.12.
Zo ook voor het deskundigenonderzoek Krans & Santing-Wubs 2012, p. 463-469.
Vgl. Klaassen 2010b, p. 149. Zie § 3.3.4.1.
Zie § 4.7.4.
In diverse zaken is de Ondernemingskamer veel te lankmoedig geweest, waardoor het onderzoek vele jaren vertraging heeft opgelopen. In de Landis-zaak duurde het maar liefst 4 1/2 jaar voordat het onderzoek kon beginnen, zodat pas ruim zes jaar nadat het onderzoek was gelast, de tweede fase was afgerond. Zie OK 30 oktober 2003, JOR 2003/282, m.nt. T.M. Stevens (onderzoek gelast) en OK 15 december 2011, JOR 2012/77, m.nt. J.F. Ouwehand (wanbeleid vastgesteld). In de Novero- zaak reageerde de Ondernemingskamer niet op een verzoek van een belanghebbende de verzoeker een termijn te stellen om uitsluitsel te geven of hij het onderzoek verder zou willen financieren. Zie OK 11 december 2014, ARO 2015/51 (Novero Holdings). Ik meen dat de Ondernemingskamer op een dergelijk verzoek wel zou moeten responderen.
Haantjes & Olden 2013, p. 42 (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 26). Zie ook Aandachtspunten, considerans sub H.
Zoals uiteengezet in § 2.3.7.
Zie § 7.6.3.
Zoals in § 2.3.7 vermeld, heeft de Ondernemingskamer een instructie om periodiek te rapporteren over de voortgang van het onderzoek maar enkele keren gegeven, laatstelijk bij beschikking OK29 april 2002, JOR 2002/221 (I.H.D. Schiphol Service). In de praktijk brengen onderzoekers weleens voortgangsrapportages uit. Zie Hepkema 2012, p. 732 en voorts § 7.5.9.
Zie § 6.3.8.
Zie R-C OK 14 januari 2015, ARO 2015/45 (Leaderland c.s.). In deze zaak wees de raadsheer- commissaris het verzoek af, maar uit de uitspraak blijkt dat de raadsheer-commissaris, terecht, niet uitsluit dat hij een dergelijke aanwijzing aan de onderzoekers kan geven.
Zie § 9.4.2.2.
Zie § 9.4.2.1.
Zie GH 31 maart 2015, ARO 2015/106 (Integrated Utility Holding c.s.).
Vgl. artikel 194 lid 4 Rv. (zie verder § 3.10).
Het laatste beginsel van behoorlijk onderzoek behoeft nauwelijks toelichting: het onderzoek moet binnen een redelijke termijn worden afgerond.1 Wat een redelijke termijn is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een inquisitoire enquête is in de regel minder spoedeisend dan een antagonistische of curatieve enquête. Indien de Ondernemingskamer hangende het onderzoek onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen om te voorkomen dat besluiten met onomkeerbare gevolgen worden uitgevoerd, zullen partijen er vaak een groot belang bij hebben dat het onderzoek snel wordt afgerond. Uitstel van zo’n besluit kan de rechtspersoon veel geld kosten, voor welke schade de verzoeker van de onmiddellijke voorziening aansprakelijk zou kunnen zijn.
Er is een zeker spanningsveld tussen enerzijds het vereiste dat het onderzoek binnen een redelijke termijn wordt afgerond, en anderzijds het vereiste dat het onderzoek volledig en zorgvuldig, met inachtneming van hoor en wederhoor, wordt uitgevoerd, en dat de onderzoekers hun bevindingen in het verslag behoorlijk motiveren. De belangen van partijen kunnen hierbij uiteenlopen. De ene partij (meestal de verzoeker) kan belang hebben bij een zo spoedig mogelijke afronding van het onderzoek, en op de koop toe nemen dat misschien niet alle geschilpunten tot op de bodem zijn uitgezocht, terwijl andere partijen (doorgaans de rechtspersoon en/of zijn (voormalige) bestuurders en commissarissen, juist belang hebben bij uitstel en de onderzoekers om die reden aansporen tot de grootst mogelijke zorgvuldigheid.
De onderzoekers zullen, met inachtneming van de belangen van alle belanghebbenden bij de rechtspersoon (ook degenen die niet in de procedure zijn verschenen), hun onderzoek zo voortvarend mogelijk moeten afronden. Als een onderzoeker vanwege persoonlijke omstandigheden een periode niet beschikbaar is, dient hij dat schriftelijk aan de Ondernemingskamer te melden, met een afschrift aan beide partijen. Als dat langere tijd mocht duren, of het onderzoek geen uitstel kan velen, dient hij de Ondernemingskamer te vragen hem van zijn taak te ontheffen.2
In de praktijk komt het geregeld voor dat partijen overleg voeren over een minnelijke regeling. De vraag rijst of de onderzoekers hangende dat overleg op verzoek van partijen het onderzoek mogen stilleggen. Ik meen dat de onderzoekers dit niet zonder meer mogen doen.3 De Hoge Raad heeft in de KPNQwest-beschikking beslist dat de verzoeker in de enquêteprocedure het verzoek niet meer kan intrekken indien het onderzoek is gelast. Wel kan de Ondernemingskamer het onderzoek beëindigen.4 Om die reden zou het merkwaardig zijn als partijen en de onderzoekers onderling, zonder bemoeienis van de Ondernemingskamer, zouden kunnen besluiten het onderzoek op te schorten.5 Dit zou ook afbreuk doen aan de eigen verantwoordelijkheid van de Ondernemingskamer om erop toe te zien dat het onderzoek voortvarend wordt uitgevoerd. Om die reden meen ik dat de onderzoeker, als hij meent dat er vanwege een (op handen zijnde) minnelijke regeling reden is het onderzoek op te schorten, de raadsheer-commissaris moet vragen hem een daartoe strekkende aanwijzing te geven.6
Het is een taak van de Ondernemingskamer erop toe te zien dat het onderzoek binnen een redelijke termijn wordt uitgevoerd.7 Zij heeft een aantal instrumenten om dat te doen. In de eerste plaats moet zij zich ervan vergewissen dat de onderzoekers die zij benoemt bereid en in staat zijn het onderzoek binnen een redelijke termijn uit te voeren.8 In de tweede plaats moet de Ondernemingskamer ervoor zorgen dat het onderzoek snel kan beginnen. Dat kan door de rechtspersoon een termijn te stellen waarbinnen hij zekerheid voor het onderzoeksbudget moet stellen. Als de rechtspersoon insolvent is, moet er snel duidelijkheid komen of derden in staat zijn zekerheid te stellen voor de kosten van het onderzoek.9 In veruit de meeste gevallen weet de verzoeker van tevoren of de rechtspersoon in staat is om zekerheid voor het onderzoeksbudget te stellen. Is dat niet het geval, dan kan de Ondernemingskamer een korte termijn stellen aan de desbetreffende partij om zich uit te laten over de vraag of zij de kosten van het onderzoek voor haar rekening wil nemen en, zo ja, daarvoor zekerheid wil stellen.10
Zijn de onderzoekers eenmaal benoemd en is er zekerheid gesteld, dan is het zaak de vaart in het onderzoek te houden. De minister van Veiligheid en Justitie heeft in de memorie van toelichting bij de Wet aanpassing enquêterecht opgemerkt dat de secretaris onder verantwoordelijkheid van de voorzitter van de Ondernemingskamer het proces van het onderzoek bewaakt.11 Wat dat in de praktijk inhoudt, is mij niet duidelijk. Bovendien vindt deze bewaking van de voortgang van de procedure buiten het zicht van partijen plaats en is zij daarmee onvoldoende transparant.
Een oplossing zou zijn dat de Ondernemingskamer in de beschikking waarbij zij de onderzoekers benoemt (i) een termijn opneemt waarbinnen de onderzoekers hun verslag moeten inleveren,12 of (ii) een termijn opneemt waarbinnen de onderzoekers een plan van aanpak met een indicatief tijdschema moeten opstellen,13 dan wel (iii) bepaalt dat de onderzoekers periodiek aan de Ondernemingskamer dienen te rapporteren over de voortgang van het onderzoek.14 Ook zonder uitdrukkelijke instructie van de Ondernemingskamer zijn de onderzoekers gerechtigd om tussentijds te rapporteren. De rapportage zou schriftelijk moeten plaatsvinden, met toezending van een kopie aan de bij het onderzoek betrokken partijen. De partijen beschikken dan over de informatie en de meest gerede partij kan dan op basis van de tussentijdse rapportage van de onderzoekers de Ondernemingskamer verzoeken in het belang van het onderzoek onmiddellijke voorzieningen te treffen, bijvoorbeeld, als het gebrek aan voortgang te wijten is aan het bestuur van de rechtspersoon, de benoeming van een bestuurder, al dan niet onder gelijktijdige schorsing van de andere bestuurders.15
Indien partijen bij het onderzoek menen dat de onderzoekers onvoldoende voortgang maken, kunnen zij de raadsheer-commissaris vragen de onderzoekers een aanwijzing te geven het onderzoek binnen een bepaalde termijn af te ronden.16 De bevoegdheid van de raadsheer-commissaris daartoe is niet exclusief.17 Ook de Ondernemingskamer kan een dergelijke aanwijzing geven in het kader van een verzoek tot het treffen van een onmiddellijke voorziening of een verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget.18 Een dergelijk verzoek is tevergeefs gedaan in de Curaçaose enquête naar Integrated Utility Holding c.s. De verzoeker (het Openbaar Ministerie) verzocht een lokale deskundige of hulppersoon te benoemen om de afronding van het onderzoek te bespoedigen.19
Als ultieme sanctie indien de onderzoekers geen voortgang maken met het onderzoek, heeft de Ondernemingskamer de bevoegdheid ambtshalve of op verzoek van een partij of betrokkene een onderzoeker te ontslaan en een ander in zijn plaats te benoemen20
Als het onderzoek is afgerond en het verslag daarover ter griffie is ingeleverd, heeft een eventuele nodeloze vertraging van het onderzoek geen verdere consequenties. Het is geen reden om de verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in een eventueel tweedefaseverzoek of daar bij de beoordeling van het verzoek gevolgen aan te verbinden.