Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/1.5:1.5 Opzet van het proefschrift
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/1.5
1.5 Opzet van het proefschrift
Documentgegevens:
mr. D.A.M.H.W. Strik, datum 20-07-2010
- Datum
20-07-2010
- Auteur
mr. D.A.M.H.W. Strik
- JCDI
JCDI:ADS439551:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit proefschrift bestaat uit 4 delen. Deel I schetst het algemene kader voor aansprakelijkheid van bestuurders uit hoofde van art. 2:9, 2:138 en 6:162 BW. In hoofdstuk 2 wordt de rol onderzocht van het criterium ernstig verwijt, zoals dat door de Hoge Raad is ontwikkeld voor aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW, en is toegepast bij aansprakelijkheid van bestuurders uit hoofde van onrechtmatige daad. De hoofdvraag die in dat hoofdstuk centraal staat, is op welke wijze ernstig verwijt dient te worden gekwalificeerd: speelt het een rol bij de vaststelling van de schending van de gedragsnorm, bij de toerekening of bij beiden? Ik kom daarbij tot een gestructureerd beslissingsmodel voor art. 2:9 BW en 6:162 BW, waarbij een duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen schending van de gedragsnorm en toerekening. De term ernstig verwijt zou daarbij uitsluitend moeten worden gebezigd als toerekeningsmaatstaf. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het onderscheid tussen gedrags-, toerekenings- en toetsingsnormen. Onderzocht wordt of deze normen bij bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:9, 2:138 en 6:162 BW verschillen. Ik kom in dit hoofdstuk met een aantal aanbevelingen voor harmonisatie van de wetsteksten van art. 2:9 en 138 BW en de rechterlijke toetsingsnorm voor art. 2:9, 138 en 6:162 BW.
Deel II gaat in op het juridische concept van hoofdelijkheid bij bestuurdersaansprakelijkheid en de mogelijkheid van individuele bestuurders om zich te disculperen. In hoofdstuk 4 wordt het principe van hoofdelijkheid besproken. Onderzocht wordt wat het belang is van een taakverdeling binnen het bestuur voor de mogelijkheid van een individuele bestuurder om zich aan de hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 en 2:138 BW te onttrekken. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt met de Nederlands Antilliaanse wetgeving. Ik concludeer dat een nuancering van het wettelijke systeem van hoofdelijkheid wenselijk is. Hoofdstuk 5 handelt over de aansprakelijkheid van niet-uitvoerende bestuursleden binnen een one tier board. Aandacht wordt besteed aan het huidige recht en het Wetsvoorstel Bestuur en Toezicht. De Nederlandse regelgeving wordt vergeleken met het Engelse recht. Ik kom in dit hoofdstuk tot alternatieve teksten voor art. 2:9 en 138 BW, die meer ruimte geven voor individualisering van aansprakelijkheid al naar gelang de in het geding zijnde taak van individuele bestuurders.
In deel III staat aansprakelijkheid voor financiële verslaggeving centraal. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de aansprakelijkheid van bestuurders op grond van art. 2:139 en 150 BW en hun evenknieën in het Amerikaanse federale effectenrecht. Hoofdstuk 7 behandelt de aansprakelijkheidsaspecten van de ondertekening van de "in control"-verklaring en financiële verslaggeving naar Nederlands recht en het federale recht van de Verenigde Staten.
Deel IV handelt over de aansprakelijkheid van bestuurders voor falend risicomanagement. Nadat ter inleiding in hoofdstuk 8 een aantal aspecten van risicobeheersing zijn besproken, wordt in hoofdstuk 9 onderzocht op welke wijze de hoogte van de drempel voor aansprakelijkheid van bestuurders voor falend risicomanagement kan worden bepaald.