Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/9.2.1
9.2.1 De gevolgen van eigenlijke vermenging voor het eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90896:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/514; Snijders/Rank-Berenschot 2017/284, 286.
Wichers 2002, p. 147.
HR 14 augustus 2015, NJ2016/263 (Zalco), r.o. 3.7.2; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/71.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/516; Snijders/Rank-Berenschot 2017/287; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/71-72. Het leerstuk van oneigenlijke vermenging wordt besproken in hoofdstuk 10.
Of de eigenaren hun rechten niet meer kunnen uitoefenen, hangt af van de vraag of de strikte of rekkelijke benadering het geldende Nederlandse recht is. Zie hierover hoofdstuk 10, paragraaf 10.2.2.2.
Brahn 1984, p. 14; Fikkers 1999, nr. 69; Wichers 2002, p. 153; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/510; Bartels 2012, p. 27-33.
Dit geldt eveneens voor het voorbehouden pandrecht.
HR 14 augustus 2015, NJ 2016/263 (Zalco), r.o. 3.7.5.
HR 14 augustus 2015, NJ 2016/263 (Zalco), r.o. 3.7.5.
HR 14 augustus 2015, NJ 2016/263 (Zalco), r.o. 3.7.4.
HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN). Er wordt verschillend gedacht over de vraag of hier echt van zaaksvervanging sprake is. De meeste auteurs gaan hiervan uit: Spath 2010, nr. 157 en Spath 2017, paragraaf 2.3.2; Wichers 2002, p. 293-294; AG Hammerstein in zijn conclusie bij HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2192, Steneker in zijn annotatie, JOR 2015/252 en de annotatie van H.J. Snijders onder datzelfde arrest in NJ 2016/263; Van der Plank, NTBR 2016/13. Anders: Verheul, WPNR 2015/7078. Ik meen dat veilig van zaaksvervanging kan worden gesproken.
Wichers 2002, p. 271, 309-311; Spath 2010, nr. 104-106.
Dit wordt ook besproken in hoofdstuk 8, paragraaf 8.2.1.2 voor natrekking.
Van eigenlijke vermenging is sprake als meerdere roerende zaken tot één zaak worden samengevoegd zonder dat sprake is van zaaksvorming.1 Het betreft het samenvoegen van gassen, vloeistoffen of vaste zaken die worden verhandeld naar maat, getal of gewicht. Of zoals Wichers het formuleert:
“(…) het [gaat] om zaken waar je in kunt ‘roeren’.”2
Anders dan lijkt te volgen uit de wettekst, maakt het voor de kwalificatie als vermenging volgens de Hoge Raad niet uit of de vermengde zaken van dezelfde persoon zijn of van verschillende eigenaren.3 Ook kan het gaan om zowel gelijksoortige zaken die vermengd raken, zoals het aluminium uit het voorbeeld in de inleiding, als ongelijksoortige zaken. Deze gevallen laten zich minder eenvoudig bedenken. Gedacht kan worden aan een conserveringsmiddel dat wordt toegevoegd aan vruchtensap. Er dient echter geen nieuwe zaak te ontstaan door vormende arbeid. Dan is sprake van zaaksvorming.
Eigenlijke vermenging moet in het Nederlandse recht worden onderscheiden van oneigenlijke vermenging. Bij eigenlijke vermenging ontstaat één zaak, terwijl bij oneigenlijke vermenging de oorspronkelijke zaken hun zelfstandigheid behouden maar zij niet meer individualiseerbaar zijn.4 Dit onderscheid is theoretisch glashelder. Als 100 mud aardappelen op een berg van 500 mud aardappelen wordt gestort, is er één hoeveelheid en dus één zaak van 600 mud ontstaan. Er is sprake van eigenlijke vermenging. Daarentegen leidt het door elkaar raken van 1.000 identieke frisdrankflessen met 10.000 van dezelfde flessen niet tot één zaak. Het zijn 11.000 afzonderlijke zaken. Er kan sprake zijn van oneigenlijke vermenging als de eigenaren hun zaken niet meer kunnen individualiseren.5 Naast deze heldere gevallen bestaan er grensgevallen tussen eigenlijke en oneigenlijke vermenging. Hetzelfde geldt voor het onderscheid tussen vermenging en zaaksvorming.6 Bij deze grensgevallen hangt het af van de omstandigheden van het geval hoe de situatie juridisch moet worden gekwalificeerd. Dit laat ik verder rusten.
Is sprake van eigenlijke vermenging, dan heeft dit gevolgen voor de rechtspositie van de leverancier met een eigendomsvoorbehoud.7 Welke gevolgen dat zijn in het Nederlandse recht, hangt af van de feiten en van het gekozen perspectief.
Bij vermenging van gelijksoortige zaken ontstaat in beginsel mede-eigendom. Dit volgt uit de toepassing van de criteria van art. 5:15 jo. art. 5:14 lid 3 BW voor de aanwijzing van een hoofdzaak. De verkeersopvatting biedt geen bruikbaar criterium, omdat het gelijksoortige zaken betreft.8 Op grond van het waardecriterium moet beoordeeld worden of één van de zaken de andere zaak of zaken aanmerkelijk in waarde overtreft. Een aanmerkelijk waardeverschil dient volgens de Hoge Raad niet te snel te worden aangenomen, omdat dit het verlies van recht tot gevolg heeft voor één of meer partijen ten gunste van de eigenaar van de hoofdzaak.9
Dat de Hoge Raad het verlies van eigendoms- en beperkte rechten door vermenging wil beperken, valt ook af te leiden uit het feit dat de Hoge Raad de regeling van eigenlijke vermenging op meer dan één punt toepast buiten de letterlijke wettelijke kaders. Ten eerste neemt de Hoge Raad aan dat beperkte rechten zich bij vermenging zonder hoofdzaak voortzetten op de nieuwe zaak. De Hoge Raad neemt substitutie aan en sluit aan bij de in de wet geregelde gevallen, zonder een expliciete wettelijke grondslag te noemen. Ten tweede past de Hoge Raad de regels van vermenging toe bij vermenging van zaken van één eigenaar en er dus geen gemeenschap ontstaat, terwijl de wet expliciet spreekt van roerende zaken van verschillende eigenaren die vermengd raken.
Een hoofdzaak mag dus niet snel worden aangewezen bij de vermenging van gelijksoortige zaken. Doorgaans ontstaat daarom een nieuwe zaak ex art. 5:14 lid 2 BW. Voor de leverancier heeft vermenging zonder hoofdzaak tot gevolg dat hij zijn voorbehouden eigendom gecontinueerd ziet in de eenheidszaak op grond van art. 5:14 lid 2 BW en het Zalco-arrest.10 Door substitutie verkrijgt hij een aandeel onder dezelfde ontbindende voorwaarde als waaronder hij de oorspronkelijke zaak heeft overgedragen.11 De grootte van het aandeel van de leverancier is evenredig aan de waarde van de oorspronkelijk aan hem toebehorende zaak. De koper is rechthebbende van dit aandeel onder opschortende voorwaarde. Op deze wijze wordt de voorrangspositie van de leverancier in feite voortgezet op het aandeel in de nieuwe zaak.
Bij vermenging van ongelijksoortigezaken wordt aan de hand van het waardecriterium en/of de verkeersopvatting bepaald of een hoofdzaak is aan te wijzen. Het waardecriterium moet restrictief worden ingevuld, zo volgt uit het Zalco-arrest dat ik hierboven besprak. Onbeslist is of de verkeersopvatting in navolging van het waardecriterium eenzelfde restrictief invulling moet krijgen. De Hoge Raad heeft zich hierover (nog) niet uitgelaten.
Wordt één van de oorspronkelijke zaken als hoofdzaak aangewezen bij vermenging van gelijksoortige of ongelijksoortige zaken, dan hangt het lot van de voorrangspositie voor leverancierskrediet af van de vraag of zijn onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak de hoofdzaak is. Is de leverancier eigenaar onder ontbindende voorwaarde van de hoofdzaak, dan omvat zijn eigendomsrecht na vermenging zowel de hoofdzaak als haar bestanddelen op grond van art. 5:14 lid 1 BW.12 In de spiegelbeeldige situatie verliest de leverancier zijn voorbehouden eigendom, omdat zijn zaak een bestanddeel wordt van een hoofdzaak van een andere eigenaar. Hij verkrijgt geen vervangend eigendoms- of zekerheidsrecht van rechtswege op de eenheidszaak.13