Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/9.6:9.6 Conclusie en rechtsvergelijking
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/9.6
9.6 Conclusie en rechtsvergelijking
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90864:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eigenlijke vermenging leidt in de vier rechtsstelsels in beginsel tot vergelijkbare gevolgen voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Deze voorrangspositie vervalt op de oorspronkelijke zaak, maar wordt voortgezet op (een aandeel in) de eenheidszaak die is ontstaan door vermenging.
Aan deze ‘verlenging’ van de voorrangspositie ligt in de rechtsstelsels een vergelijkbare ratio ten grondslag. De Duitse, Belgische en Amerikaanse wetgever menen dat de eigenaren en beperkt gerechtigden van de oorspronkelijke zaken beschermd moeten worden tegen het rechtsverlies als gevolg van vermenging.1 Dit geldt ook voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Zij achten het billijk om de rechten op de oorspronkelijke zaken voort te zetten op de eenheidszaak die is ontstaan door het samenvoegen van de oorspronkelijke zaken. De eenheidszaak vormt het surrogaat van deze zaken. Zekerheidsrechten die zijn gevestigd op de eenheidszaak nemen rang na het zekerheidsrecht van de leverancier. Ter rechtvaardiging van deze uitkomsten kunnen dezelfde argumenten worden aangevoerd als die ten grondslag liggen aan de voorrangspositie op de oorspronkelijke geleverde zaken.
In het Nederlandse recht lijkt deze ratio ook ten grondslag te liggen aan art. 5:15 jo. art. 5:14 lid 2 BW. Bij vermenging van zaken zonder hoofdzaak verkrijgen de oorspronkelijke eigenaren een aandeel in de eenheidszaak die ontstaat door eigenlijke vermenging. Daarnaast heeft de Hoge Raad in het Zalco-arrest beslist dat op grond van art. 5:15 jo. art. 5:14 lid 2 BW de oorspronkelijke pandrechten zich voortzetten op de nieuwe zaak die ontstaat door eigenlijke vermenging. Daarbij overweegt hij dat niet te snel een hoofdzaak mag worden aangewezen bij eigenlijke vermenging van gelijksoortige zaken op grond van het waardecriterium, omdat dit leidt tot het verlies van het eigendoms- en beperkte recht op het bestanddeel. Het waardecriterium heeft dezelfde restrictieve invulling bij vermenging van ongelijksoortige zaken.
In het Nederlandse recht zet de voorrangspositie van de leverancier zich niet voort bij vermenging met een hoofdzaak van een derde (art. 5:15 jo. art. 5:14 lid 1 BW). Het Duitse recht kent een vergelijkbare uitzondering. Dit risico voor de leverancier moet wel genuanceerd worden. In het Duitse recht wordt het begrip hoofdzaak restrictief ingevuld, evenals in het Nederlandse recht geschiedt bij de vermenging van gelijksoortige zaken. Hiermee beogen de Hoge Raad, de Duitse wetgever en het BGH om het verlies van recht door eigenlijke vermenging te beperken, zodat in beginsel de oorspronkelijke rechten worden voortgezet op de eenheidszaak.2 Het Belgische en Amerikaanse recht kennen geen vergelijkbare uitzondering. De voorrangspositie van de leverancier verlengt zich in alle gevallen van vermenging tot de eenheidszaak.