In die zaak zijn geen middelen ingediend.
HR, 09-12-2025, nr. 23/04259
ECLI:NL:HR:2025:1868
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-12-2025
- Zaaknummer
23/04259
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1868, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑12‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:931
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:9080
ECLI:NL:PHR:2025:931, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1868
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑06‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0387
NJ 2026/115 met annotatie van J.H.B. Bemelmans
Uitspraak 09‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Deelname aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr), medeplegen bedrijfsmatige handel in vuurwapens en munitie (art. 9.1 WWM) en medeplegen voorhanden hebben van vuurwapens en munitie, meermalen gepleegd (art. 26.1 WWM). Verweer strekkende tot strafvermindering i.v.m. vormverzuim, nu verdachte bij aanhouding in zijn been is geschoten “terwijl er geen schietwaardige situatie was”, art. 359a Sv. Kon hof oordelen dat vormverzuim aan RC en niet aan zittingsrechter had moeten worden voorgelegd en dat strafvermindering ook niet aan de orde kan zijn vanwege nog lopende procedure bij civiele rechter? In HR:2001:AB1566 heeft HR geoordeeld dat bepaalde verzuimen bij aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte, die aan de orde kunnen worden gesteld bij verhoor van verdachte door RC i.h.k.v. het door RC toetsen van rechtmatigheid van inverzekeringstelling, niet zijn begrepen onder de in art. 359a.1 Sv bedoelde vormverzuimen bij voorbereidend onderzoek en dus niet aan zittingsrechter kunnen worden voorgelegd in de vorm van een op art. 359a Sv toegesneden verweer. In latere rechtspraak is dit uitgangspunt o.m. herhaald t.a.v. bewaring (vgl. HR:2001:AD4307). In HR:2004:AM2533 heeft HR dit uitgangspunt in iets andere bewoordingen tot uitdrukking gebracht. In het licht van rechtspraak van HR over art. 359a Sv van latere datum, komt nu echter geen betekenis meer toe aan dat uitgangspunt. Aan die rechtspraak (HR:2020:1889) ligt immers mede ten grondslag dat in strafproces centraal staat dat rechter, met inachtneming van regels van eerlijk proces, zoveel mogelijk inhoudelijk oordeel velt over beschuldiging tegen verdachte en zo recht spreekt in concrete zaak. Daarbij past dat rechter zich concentreert op vragen die hij moet beantwoorden o.g.v. art. 348 en 350 Sv en dat het de taak en verantwoordelijkheid van rechter te buiten gaat om vormverzuimen in vooronderzoek die voor beantwoording van deze vragen niet van belang zijn, bij zijn oordeelsvorming te betrekken. Voor vormverzuimen die niet in rechtstreeks verband staan tot vrijheidsbeneming, geldt dat die vormverzuimen ofwel niet van belang zijn voor beantwoording van vragen a.b.i. art. 348 en 350 Sv en al daarom niet in aanmerking komen voor verbinden van rechtsgevolg o.g.v. art. 359a Sv ofwel dat zij dat wel doen en daarom ook ttz. aan de orde moeten kunnen worden gesteld. Hof heeft geoordeeld dat verdachte tijdens aanhouding is beschoten “terwijl er geen schietwaardige situatie was”, dat betrokken politieambtenaar bij aanhouding heeft gehandeld in strijd met art. 7 Ambtsinstructie voor politie en dat verdachte als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel aan knie heeft opgelopen. Hof heeft dit aangemerkt als vormverzuim in vooronderzoek als gevolg waarvan verdachte nadeel a.b.i. art. 359a.2 Sv heeft ondervonden. Vervolgens heeft hof geoordeeld dat vormverzuim bij toetsing door RC van inverzekeringstelling niet is aangevoerd, terwijl het daar wel aangevoerd had kunnen worden, en dat om die reden art. 359a Sv niet van toepassing is op dit vormverzuim. Dat oordeel getuigt gelet op wat hiervoor is vooropgesteld van onjuiste rechtsopvatting. ‘s Hofs oordeel dat strafvermindering daarnaast niet aan de orde kan zijn omdat voor verdachte ontstaan nadeel gecompenseerd “gaat (...) worden door middel van financiële tegemoetkoming via lopende procedure bij civiele rechter”, is niet toereikend gemotiveerd. Hof heeft immers onvoldoende vastgesteld om oordeel te dragen dat door verdachte ondervonden nadeel door deze procedure in voldoende mate zal worden gecompenseerd en beroep op strafvermindering daarom niet kan slagen. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging. Samenhang met 23/04311.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04259
Datum 9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 oktober 2023, nummer 21-003629-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van een verweer dat strekt tot strafvermindering in verband met een vormverzuim. Het cassatiemiddel keert zich daarbij ten eerste tegen het oordeel van het hof dat het vormverzuim aan de rechter-commissaris en niet aan de zittingsrechter had moeten worden voorgelegd, en verder tegen het oordeel van het hof dat strafvermindering ook niet aan de orde kan zijn vanwege een nog lopende procedure bij de civiele rechter.
De uitspraak van het hof
2.2
Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:
“Vormverzuimen
Standpunt van de verdediging
(...)
Meer subsidiair: strafvermindering
Als het hof het openbaar ministerie wel ontvankelijk acht in de vervolging en voor zover het hof niet tot bewijsuitsluiting komt, verzoekt de raadsvrouw om de vormverzuimen tot strafvermindering te laten leiden.
De gestelde vormverzuimen zijn de volgende:
Buitensporig geweld door de politie bij aanhouding
(...)
Verdachte is bij zijn aanhouding zonder enige reden in zijn been geschoten door een politieambtenaar. Dit is op 25 november 2021 vastgesteld door het hof in een artikel 12-Strafvorderingsprocedure. De politieambtenaar heeft zich niet aan de vuurwapeninstructie gehouden. Verdachte heeft hierdoor blijvend fysiek letsel opgelopen. Het door de politie gebruikte geweld is als buitenproportioneel te kwalificeren en levert daarom een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Dit buitenproportionele geweld schendt de lichamelijke integriteit van de verdachte, het vertrouwen in de strafrechtelijke procedure en het vertrouwen in de politie.
Overwegingen en het oordeel van het hof
(...)
ad 1. Geweld door de politie bij aanhouding
Het hof constateert op grond van de voorhanden zijnde stukken dat verdachte tijdens zijn aanhouding door een politieambtenaar is beschoten terwijl er geen schietwaardige situatie was. Verdachte werkte mee aan zijn aanhouding. De betreffende politieambtenaar heeft verklaard ongewild een schot te hebben gelost. Verdachte heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel aan zijn knie opgelopen. Het hof stelt vast dat bedoelde politieambtenaar bij de aanhouding van de verdachte heeft gehandeld in strijd met artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren.
Ter zake deze gebeurtenis is door verdachte een klacht ex artikel 12 Sv ingediend die zich richt tegen de beslissing van de officier van justitie om de betreffende politieambtenaar niet strafrechtelijk te vervolgen voor dit feit. Bij beschikking van 25 november 2021 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden geconcludeerd dat, hoewel verdachte als gevolg van het handelen van de politieambtenaar zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, de klacht wordt afgewezen, omdat een civielrechtelijke afdoening in de vorm van een schadevergoeding in dezen veeleer voor de hand ligt.
Ter zitting van het hof op 14 juni 2023 heeft verdachte verklaard dat er momenteel een civielrechtelijke procedure gaande is en hij in afwachting is van een schikkingsvoorstel met betrekking tot de hoogte van de schadevergoeding.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het een vormverzuim betreft dat de verdediging aan de rechter-commissaris had dienen voor te leggen en waarop artikel 359a Sv niet van toepassing, is. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou immers op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd.
In het feit dat er bij de aanhouding gehandeld is in strijd met de Ambtsinstructie ligt besloten dat er sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding. Dit vormverzuim is bij toetsing door de rechter-commissaris niet aangevoerd maar had daar wel aangevoerd kunnen worden. Op dit vormverzuim is naar het oordeel van het hof artikel 359a Sv daarom niet van toepassing.
Ten overvloede merkt het hof op dat ingeval hier wel sprake zou zijn van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv (...) strafvermindering [ook] niet aan de orde [zou] zijn, want het voor verdachte ontstane nadeel (letsel) gaat gecompenseerd worden door middel van een financiële tegemoetkoming via de lopende procedure bij de civiele rechter. Compensatie in de vorm van strafvermindering zou een dubbele compensatie betekenen.”
Juridisch kader
2.3.1
Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;
b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;
c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
1. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
2. Het vonnis bevat de beslissingen vermeld in het eerste lid. Deze zijn met redenen omkleed.”
2.3.2
In zijn arrest van 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1566, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bepaalde verzuimen bij de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte, die aan de orde kunnen worden gesteld bij het verhoor van de verdachte door de rechter-commissaris in het kader van het door de rechter-commissaris toetsen van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling, niet zijn begrepen onder de in artikel 359a lid 1 Sv bedoelde vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek en dus niet aan de zittingsrechter kunnen worden voorgelegd in de vorm van een op artikel 359a Sv toegesneden verweer. In latere rechtspraak is dit uitgangspunt onder meer herhaald ten aanzien van de bewaring (vgl. HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4307).
2.3.3
In zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, heeft de Hoge Raad dit in het arrest van 8 mei 2001 geformuleerde uitgangspunt in iets andere bewoordingen tot uitdrukking gebracht. De overwegingen in dit arrest van 30 maart 2004 houden onder meer in:
“3.4.2 (...) Art. 359a Sv is ook niet van toepassing bij vormverzuimen die betrekking hebben op bevelen inzake de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen welke kunnen worden voorgelegd aan de rechter-commissaris die krachtens de wet belast is met het toezicht op de toepassing dan wel de voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen en die aan dergelijke verzuimen rechtsgevolgen kan verbinden ten aanzien van de voortzetting van de vrijheidsbeneming. Tegen het oordeel van de rechter-commissaris dat het verleende bevel tot inverzekeringstelling niet onrechtmatig is en/of dat er geen gronden zijn het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte in te willigen, staat geen hogere voorziening open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de inverzekeringstelling die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd.”
2.4.1
De achtergrond van deze rechtspraak is dat de wetgever al vóór de invoering van artikel 359a Sv heeft voorzien in een stelsel van rechterlijk toezicht op en toetsing van de beslissingen over de toepassing van de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis. Dat stelsel biedt voor de verdachte een aantal mogelijkheden om (bij een hogere instantie) het verzoek te doen tot een herbeoordeling van deze beslissingen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 359a Sv blijkt niet dat de wetgever met dit systeem heeft willen breken, en ook niet dat de wetgever heeft willen voorzien in een mogelijkheid voor de verdachte om op grond van artikel 359a Sv beslissingen over de vrijheidsbeneming in een later stadium – op de terechtzitting – (nogmaals) aan te vechten.
2.4.2
In het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 359a Sv van latere datum, komt nu echter geen betekenis meer toe aan het uitgangspunt zoals dat onder 2.3.2 en 2.3.3 is weergegeven. Voor zover sprake is van vormverzuimen die volgens de huidige rechtspraak van de Hoge Raad op grond van artikel 359a Sv kunnen leiden tot één van de in die bepaling bedoelde gevolgen, staat dus de mogelijkheid dat zo’n vormverzuim in aanmerking is of kon worden genomen door de rechter-commissaris in het kader van de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen, niet in de weg aan het in aanmerking nemen van dit vormverzuim bij de beoordeling van de strafzaak. In dit verband is het volgende van belang.
2.4.3
Aan de rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 359a Sv, zoals deze onder woorden is gebracht en op onderdelen is bijgesteld in zijn arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, ligt mede ten grondslag dat in het strafproces centraal staat dat de rechter, met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging tegen de verdachte en zo recht spreekt in de concrete zaak. Daarbij past dat de rechter zich concentreert op de vragen die hij moet beantwoorden op grond van artikel 348 en 350 Sv en dat het de taak en verantwoordelijkheid van de rechter te buiten gaat om vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek die voor de beantwoording van deze vragen niet van belang zijn, bij zijn oordeelsvorming te betrekken.
2.4.4
Voor inverzekeringstelling en/of voorlopige hechtenis geldt, ongeacht of bij de toepassing hiervan vormen zijn verzuimd, dat in de regel hetzij de tijd die in verzekering of in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf geheel in mindering wordt gebracht (artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht), hetzij het ondergaan daarvan aanleiding kan geven tot schadevergoeding (artikel 533 Sv). Daarmee zal in het algemeen geen sprake (meer) zijn van nadeel aan de zijde van de verdachte en zal geen aanleiding bestaan voor strafvermindering. Voor vormverzuimen die niet in rechtstreeks verband staan tot deze vrijheidsbeneming, geldt dat die vormverzuimen ofwel niet van belang zijn voor de beantwoording van de vragen als bedoeld in artikel 348 en 350 Sv en al daarom niet in aanmerking komen voor het verbinden van een rechtsgevolg op grond van artikel 359a Sv, ofwel dat zij dat wél doen en daarom ook op de terechtzitting aan de orde moeten kunnen worden gesteld.
Bespreking van het cassatiemiddel
2.5.1
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte tijdens zijn aanhouding door een politieambtenaar is beschoten “terwijl er geen schietwaardige situatie was”, dat de betrokken politieambtenaar bij de aanhouding van de verdachte heeft gehandeld in strijd met artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren en dat de verdachte als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel aan zijn knie heeft opgelopen. Het hof heeft dit aangemerkt als een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als gevolg waarvan de verdachte nadeel als bedoeld in artikel 359a lid 2 Sv – in de vorm van zwaar lichamelijk letsel – heeft ondervonden.
2.5.2
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat dit vormverzuim bij de toetsing door de rechter-commissaris van de inverzekeringstelling niet is aangevoerd, terwijl het daar wel aangevoerd had kunnen worden, en dat om die reden artikel 359a Sv niet van toepassing is op dit vormverzuim. Dat oordeel getuigt, gelet op wat onder 2.3 en 2.4 is vooropgesteld, van een onjuiste rechtsopvatting. De eerste klacht is daarom gegrond.
2.5.3
Het cassatiemiddel slaagt ook voor zover het klaagt over het oordeel van het hof dat strafvermindering daarnaast niet aan de orde kan zijn omdat het voor de verdachte ontstane nadeel gecompenseerd “gaat (...) worden door middel van een financiële tegemoetkoming via de lopende procedure bij de civiele rechter.” Het hof heeft immers onvoldoende vastgesteld om het oordeel te dragen dat het door de verdachte ondervonden nadeel door deze procedure in voldoende mate zal worden gecompenseerd en het beroep op strafvermindering daarom niet kan slagen. Het oordeel van het hof is in zoverre niet toereikend gemotiveerd.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2025.
Conclusie 16‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Concl. AG. Deelneming aan criminele organisatie, medeplegen handel in wapens en verschillende WWM-feiten. Verdachte is tijdens aanhouding in strijd met Ambtsinstructie in zijn been geschoten. Eerste middel bevat twee klachten over (1) oordeel hof dat art. 359a Sv niet van toepassing is op dit vormverzuim omdat verdachte daarover bij r-c had kunnen klagen en (2) oordeel hof dat strafvermindering hoe dan ook niet aan de orde zou zijn omdat verdachte financiële tegemoetkoming zou krijgen in civielrechtelijke procedure. AG gaat in op gesloten stelsel van rechtsmiddelen bij vormverzuimen en maakt opmerkingen over civiele en strafrechtelijke sanctionering van vormverzuimen onder huidig recht en onder gemoderniseerd WvSv. Beide klachten slagen. Tweede middel, m.b.t. respons verweer over gebruiker pgp-telefoon, en derde middel, over bewezenverklaring deelneming organisatie met als oogmerk plegen WWM-delicten, fraude en geweldsdelicten, falen. Conclusie strekt tot vernietiging t.a.v. opgelegde gevangenisstraf en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04259
Zitting 16 september 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 30 oktober 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnummer 21-003629-21), wegens
- onder 1 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”;
- onder 2 “medeplegen van handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en van het in strijd met de wet verhandelen van wapens een beroep of gewoonte maken”;
- onder 4:
o met betrekking tot de munitie: “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en
o met betrekking tot het machinepistool Gorenje en het aanvalsgeweer Norinco: “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd” en
o met betrekking tot het pistool CZ: “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerst lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof drie in beslag genomen telefoons verbeurd verklaard en een wapen met patroonhouder en munitie onttrokken aan het verkeer.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 23/04311. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.1.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in [plaats] , hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.
2. De zaak en de middelen
2.1
De verdachte in deze zaak is een van de personen die is aangehouden naar aanleiding van het onderzoek Ultegra. Dat onderzoek richtte zich op een crimineel samenwerkingsverband dat zich onder meer bezighield met (internationale) wapenhandel. Bij zijn aanhouding, waar hij aan meewerkte, is de verdachte door een opsporingsambtenaar in zijn been geschoten. De betreffende opsporingsambtenaar heeft daarover verklaard dat hij ongewild een schot heeft gelost. In cassatie staat vast dat dit handelen in strijd was met de Ambtsinstructie van de politie. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geklaagd over dit handelen van de opsporingsambtenaar. Op dat moment liep ook een civielrechtelijke procedure waarin de verdachte in afwachting was van een schikkingsvoorstel met betrekking tot de hoogte van de schadevergoeding.
2.2
Het eerste cassatiemiddel gaat over het oordeel van het hof dat art. 359a Sv niet van toepassing is op het vormverzuim bij de aanhouding. Het tweede middel bevat een klacht over de respons van het hof op een verweer dat de verdachte niet de gebruiker was van een pgp-telefoon. Tot slot klaagt het derde middel over de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie.
3. Het eerste middel
3.1
Het eerste middel heeft betrekking op de reactie van het hof op het verweer dat sprake is geweest van een vormverzuim bij de aanhouding omdat de verdachte in zijn been is geschoten terwijl er geen schietwaardige situatie bestond. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat artikel 359a Sv op dit vormverzuim niet van toepassing is, omdat daarover niet is geklaagd bij de rechter-commissaris, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans dat dat oordeel onbegrijpelijk is. Volgens de steller van het middel moet het hof namelijk ‘beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden en de rechter-commissaris – anders dan de zittingsrechter – aan het door de verdediging gestelde vormverzuim ook niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid of strafvermindering kan verbinden.’ In de tweede plaats bevat het middel een klacht over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat strafvermindering hoe dan ook niet aan de orde zou zijn omdat de verdachte al een financiële tegemoetkoming zou ontvangen in een civiele procedure.
3.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2023 houdt onder meer in:
“De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter - zakelijk weergegeven - als volgt:
(…)
Ik ben neergeschoten bij mijn aanhouding.
Noot griffier: Verdachte wordt emotioneel.
Ik ondervind daar nog steeds de gevolgen van. Het belemmert mij in alles wat ik doe. Het is heel zwaar. Vooral als mijn dochter vraagt: ‘Papa hoe is dat gebeurd?’. Samen met de kinderpsycholoog ben ik bezig om het haar te vertellen waar ik al die jaren ben geweest. Ik vertel steeds dat ik van een berg ben gevallen, maar dat ben ik niet.(…)
De verdachte verklaart op vragen van de oudste raadsheer - zakelijk weergegeven - als
volgt:
Mijn advocaten zijn bezig om te schikken met het openbaar ministerie over de manier waarop ik ben aangehouden en de gevolgen daarvan. Het duurt lang, maar er loopt een civielrechtelijke procedure en ik ben in afwachting van een schikkingsvoorstel met betrekking tot de hoogte van de schadevergoeding.”
3.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte toen het woord gevoerd overeenkomstig haar aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, die onder meer inhoudt:
“(…)
8. Concluderend betekent dit, dat het door politie (AOT210) gebruikte geweld bij aanhouding van cliënt, niet passend en geboden is geweest; het gebruikte geweld is dus als buitenproportioneel (buitensporig geweld) te kwalificeren en levert derhalve een onherstelbaar vormverzuim a.b.i. artikel 359a Sv op.
Letsel
9. Zoals bekend, heeft cliënt blijvend letsel opgelopen. Daarnaast heeft u tijdens de feitenbespreking kunnen horen en zien wat de hele situatie tot op de dag van heden met cliënt doet.
Nadeel, belang geschonden voorschrift
10. Buitenproportioneel geweld schendt de lichamelijke integriteit van de verdachte, het vertrouwen in de strafrechtelijke procedure en het vertrouwen in politie. AOT210 heeft, door zo handelen, zich niet gehouden aan (onder meer) artikel 7 lid 1 van de Politiewet en in het verlengde daarvan zich niet gehouden aan de zojuist besproken veiligheidsinstructie. Daarmee is het belang van het geschonden voorschrift gegeven. Het recht op lichamelijke integriteit is geschonden. Cliënt heeft fysiek én geestelijk letsel door het handelen van politie.
(…)
Straftoemeting
111. Alle punten die reeds aan het begin van het pleidooi zijn besproken verzoek ik u hier als herhaald en ingelast te beschouwen (vormverzuimen). In het geval u tot enige bewezenverklaring komt, verzoek ik op grond van artikel 359a Sv strafvermindering toe te passen.
Persoonlijke omstandigheden
112. De ''strafkorting" van 6 maanden, zoals door de rechtbank uitgesproken en opnieuw door het OM in appèl gevorderd, doet naar de mening van de verdediging geen recht aan hetgeen cliënt heeft moeten doorstaan naar aanleiding van de bechieting tijdens zijn aanhouding. Het OM benoemde bij requisitoir dat, nu zicht is op een mogelijke financiële compensatie, deze compensatie in combinatie met een strafkorting van 6 maanden voldoende tegemoet wordt gekomen aan de schade die cliënt is aangedaan. Ik meen dat enige financiële compensatie niet in "mindering" mag worden gebracht op strafvermindering in het kader van 359a Sv nu financiële compensatie, voor zover die wordt toegekend, ziet op een civielrechtelijke compensatie en niet mag worden meegewogen in een strafzaak en dus ook niet in het kader van strafvermindering ex artikel 359a Sv.
113. U heeft tijdens de bespreking van de persoonlijke omstandigheden van cliënt op 14 juni jl. kunnen zien wat het schietincident met cliënt heeft gedaan en tot op de dag van vandaag nog met hem doet.”
3.4
Het hof heeft omtrent het verweer van de verdediging, voor zover dat ziet op vormverzuimen bij de aanhouding van de verdachte, het volgende overwogen:
“Standpunt van de verdediging
Primair: niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging
Door de raadsvrouw is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit. Ter onderbouwing hiervan heeft zij - kort weergegeven - aangevoerd dat er sprake is van vijf vormverzuimen in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. De vormverzuimen en het geleden nadeel daarvan, voor de verdachte in samenhang bezien leiden ertoe dat er geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Daarom dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging, aldus de raadsvrouw.
Subsidiair: bewijsuitsluiting
Als het hof van oordeel is dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging dan is subsidiair bewijsuitsluiting verzocht. Alle informatie die is verkregen middels de gestelde vormverzuimen dient te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsvrouw.
Meer subsidiair: strafvermindering
Als het hof het openbaar ministerie wel ontvankelijk acht in de vervolging en voor zover het hof niet tot bewijsuitsluiting komt, verzoekt de raadsvrouw om de vormverzuimen tot strafvermindering te laten leiden.
De gestelde vormverzuimen zijn de volgende:
1. Buitensporig geweld door de politie bij aanhouding
(…)
1. Geweld door de politie bij de aanhouding
Verdachte is bij zijn aanhouding zonder enige reden in zijn been geschoten door een politieambtenaar. Dit is op 25 november 2021 vastgesteld in een artikel 12-Strafvorderingsprocedure. De politieambtenaar heeft zich niet aan de vuurwapeninstructie gehouden. Verdachte heeft hierdoor blijvend fysiek letsel opgelopen. Het door de politie gebruikte geweld is als buitenproportioneel te kwalificeren en levert daarom een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Dit buitenproportionele geweld schendt de lichamelijke integriteit van de verdachte, het vertrouwen in de strafrechtelijke procedure en het vertrouwen in de politie.
(…)
Overwegingen en het oordeel van het hof
Met betrekking tot de verweren over de vormverzuimen overweegt het hof als volgt.
Juridisch kader
De Hoge Raad heeft in zijn arresten uiteengezet wanneer sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en aan welke (wettelijke) voorwaarden moet worden voldaan, voordat toepassing kan worden gegeven aan één van de in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen.
(…)
Artikel 359a Sv is niet van toepassing bij vormverzuimen die betrekking hebben op bevelen inzake de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen welke kunnen worden voorgelegd aan de rechter-commissaris die krachtens de wet belast is met het toezicht op de toepassing dan wel de voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen en die aan dergelijke verzuimen rechtsgevolgen kan verbinden ten aanzien van de voortzetting van de vrijheidsbeneming. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen die bij de inverzekeringstelling aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd.
(…)
ad. 1. Geweld door de politie bij aanhouding
Het hof constateert op grond van de voorhanden zijnde stukken dat verdachte tijdens zijn aanhouding door een politieambtenaar is beschoten terwijl er geen schietwaardige situatie was. Verdachte werkte mee aan zijn aanhouding. De betreffende politieambtenaar heeft verklaard ongewild een schot te hebben gelost. Verdachte heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel aan zijn knie opgelopen. Het hof stelt vast dat bedoelde politieambtenaar bij de aanhouding van de verdachte heeft gehandeld in strijd met artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren.
Ter zake deze gebeurtenis is door verdachte een klacht ex artikel 12 Sv ingediend die zich richt tegen de beslissing van de officier van justitie om de betreffende politieambtenaar niet strafrechtelijk te vervolgen voor dit feit. Bij beschikking van 25 november 2021 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden geconcludeerd dat, hoewel verdachte als gevolg van het handelen van de politieambtenaar zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, de klacht wordt afgewezen, omdat een civielrechtelijke afdoening in de vorm van een schadevergoeding in dezen veeleer voor de hand ligt.
Ter zitting van het hof op 14 juni 2023 heeft verdachte verklaard dat er momenteel een civielrechtelijke procedure gaande is en hij in afwachting is van een schikkingsvoorstel met betrekking tot de hoogte van de schadevergoeding.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het een vormverzuim betreft dat de verdediging aan de rechter-commissaris had dienen voor te leggen en waarop artikel 359a Sv niet van toepassing is. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou immers op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd.
In het feit dat er bij de aanhouding gehandeld is in strijd met de Ambtsinstructie ligt besloten dat er sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding. Dit vormverzuim is bij toetsing door de rechter-commissaris niet aangevoerd maar had daar wel aangevoerd kunnen worden. Op dit vormverzuim is naar het oordeel van het hof artikel 359a Sv daarom niet van toepassing.
Ten overvloede merkt het hof op dat ingeval hier wel sprake zou zijn van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet in aanmerking komt als sanctie. Schending van het recht op lichamelijke integriteit of schending van het vertrouwen in de politie door het vormverzuim, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, maakt niet dat er geen sprake meer is van een eerlijke berechting of dat het wettelijk systeem in de kern is geraakt.
Ook strafvermindering zou niet aan de orde zijn, want het voor verdachte ontstane nadeel (letsel) gaat gecompenseerd worden door middel van een financiële tegemoetkoming via de lopende procedure bij de civiele rechter. Compensatie in de vorm van strafvermindering zou een dubbele compensatie betekenen.”
4. Het beoordelingskader
Vormverzuimen en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen
4.1
In het standaardarrest over artikel 359a Sv uit 20042.overweegt de Hoge Raad dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (slechts) eraan in de weg staat om bij de zittingsrechter een beroep te doen op een beperkte categorie vormverzuimen. Het gaat daarbij om:
- vormverzuimen die betrekking hebben op bevelen inzake de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen;
- waarover kan worden geklaagd bij de rechter-commissaris3.in het kader van de toetsing van (de voortduring van) de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen;
- en waaraan de rechter-commissaris een rechtsgevolg kan verbinden ten aanzien van de voortzetting van de vrijheidsbeneming.4.
4.2
Volgens de Hoge Raad zou het gesloten stelsel van rechtsmiddelen op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd.5.Het gesloten stelsel treft alleen vormverzuimen die – aldus advocaat-generaal Machielse – ‘direct in het teken stonden van de formaliteiten rond het voorarrest dan wel van de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn wil een verdachte in verzekering gesteld of in voorlopige hechtenis genomen worden en welke geen doorwerking hebben voor de vragen die de zittingsrechter moet beantwoorden’.6.Zodra vormverzuimen die zich hebben voorgedaan in het kader van de aanhouding, inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis (ook) van belang zijn voor de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv kan daarop tegenover de zittingsrechter wél een beroep worden gedaan.7.,8.Of daarvan sprake is, is afhankelijk van factoren als de aard van het verzuim, de strekking van het gevoerde verweer en de consequenties van het verzuim voor de eerlijkheid van het proces.9.,10.In verband met de strekking van het verweer verdient opmerking dat de rechter-commissaris maar één rechtsgevolg kan verbinden aan de onrechtmatige toepassing van een vrijheidsbenemend dwangmiddel: invrijheidsstelling. Dat rechtsgevolg is bij veel vormverzuimen geen voor de hand liggende reactie. Denk aan de situatie waarin een op zichzelf rechtmatige aanhouding op te hardhandige wijze heeft plaatsgevonden. Een processuele sanctie als strafvermindering kan in die gevallen meer op zijn plaats dan invrijheidsstelling.11.Gelet op het feit dat de rechter-commissaris geen op de art. 348 en 350 Sv gegrond rechtsgevolg aan een vormverzuim kan verbinden, heeft het weinig zin om het verzuim in dat stadium aan de orde te brengen. Dergelijke vormverzuimen moeten om die reden aan de zittingsrechter kunnen worden voorgelegd.12.,13.Vanwege de eigen verantwoordelijkheid van de zittingsrechter ten aanzien van deze verweren, is niet van belang of daarop bij de rechter-commissaris ook al een beroep is gedaan.14.
Civiele en strafrechtelijke sanctionering van vormverzuimen
4.3
In de onderhavige zaak speelt verder de vraag of de mogelijkheid van een financiële compensatie in een civiele zaak in de weg staat aan compensatie in de strafzaak in de vorm van strafvermindering. Allereerst maak ik in dat kader enkele opmerkingen over het huidige systeem en daarna over het systeem zoals dat in het nieuwe Wetboek van Strafvordering (hierna: NSv) is beoogd, om vervolgens terug te komen op deze vraag.
4.4
Onder het huidige systeem zijn de wettelijke mogelijkheden voor een verdachte om binnen het strafrecht schadevergoeding te ontvangen beperkt. Titel VIA van Boek 4 Sv handelt over schadevergoeding en andere bijzonder kosten. Op grond van art. 533 Sv uit die titel heeft een verdachte recht op een vergoeding wegens het – ten onrechte – ondergaan van voorlopige hechtenis en andere dwangmiddelen. Art. 530 Sv biedt daarnaast een mogelijkheid voor de vergoeding van reis-, verblijf- en advocaatkosten in zaken die zijn geëindigd zonder strafoplegging of toepassing van art. 9a Sr. Wil een verdachte op een andere grond schadevergoeding eisen, dan moet hij in beginsel naar de civiele rechter te stappen. In een civielrechtelijke procedure kan een verdachte op grond van onrechtmatige overheidsdaad (art. 6:162 BW) vergoeding van de Staat vorderen.15.In de praktijk worden schadeclaims echter al vaak afgedaan door de schadeveroorzakende instantie (politie, OM, andere instanties). Die instanties beoordelen het verzoek naar eigen inzicht op basis van civielrechtelijke jurisprudentie.16.
4.5
Verder kan de strafrechter vooralsnog enkel toepassing geven aan de processuele sancties van art. 359a Sv. Knigge en Keulen wijzen erop dat de wetgever er bewust voor heeft gekozen af te zien van schadevergoeding als sanctie op vormverzuimen in de wet op te nemen. Reden daarvoor zou zijn dat bij schadevergoeding geen ‘verrekening’ plaatsvindt met de beslissingen over de strafzaak en dat onduidelijk zou zijn hoe deze sanctie zich verhoudt tot het recht op schadevergoeding wegens onrechtmatige daad en het recht op een vergoeding wegens het – ten onrechte – ondergaan van voorlopige hechtenis en andere dwangmiddelen. Verder zou een bezwaar van deze sanctie zijn dat de rollen worden omgedraaid, doordat de verdachte de rol van slachtoffer van onrechtmatig overheidsoptreden zou kunnen aannemen.17.De verschillende procedures bij de strafrechter en de civiele rechter bergen het gevaar van dubbele compensatie in zich. In dat verband is het nuttig om stil te staan bij de voorgenomen wijzigingen in het NSv, waarin een nieuwe schadevergoedingsregeling wordt geïntroduceerd en waarbij aandacht wordt besteed aan het voorkomen van dubbele compensatie. Daarbij merk ik op dat ik de huidige stand van zaken bespreek en mij realiseer dat deze bespreking achterhaald kan raken door nadere ontwikkelingen in het kader van het project Modernisering Strafvordering.
4.6
In het NSv, zoals dat op dit moment voorligt, zullen de mogelijkheden voor verdachten om binnen het strafproces schadevergoeding te ontvangen aanzienlijk worden uitgebreid. In de eerste plaats wordt een nieuwe processuele sanctie in het leven geroepen: schadevergoeding als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn.18.Deze beslissing zal moeten worden opgenomen in het vonnis of arrest in de betreffende strafzaak.19.Daarnaast zal hoofdstuk 6 van Boek 6 NSv een algemene regeling voor de afhandeling van schadevergoeding (en kosten) gaan bevatten. De kern hiervan is de introductie van een eenvormige en laagdrempelige (afzonderlijke) procedure voor de beoordeling van verzoeken tot schadevergoeding tot een bedrag van € 25.000,- na zowel rechtmatig als onrechtmatig strafvorderlijk overheidsoptreden, die zoveel mogelijk in de plaats komt van de huidige civielrechtelijke en buitenwettelijke voorzieningen.20.Op deze wijze wordt volgens de memorie van toelichting bewerkstelligd dat het oordeel over de rechtmatigheid van strafvorderlijk optreden in verreweg de meeste gevallen kan worden gegeven door de rechter die daartoe het meest is geëigend: de strafrechter. Er is uitdrukkelijk voor gekozen niet alleen rechtmatig strafvorderlijk optreden onder de regeling te brengen, maar ook onrechtmatig optreden. Deze keuze houdt onder meer verband met de wens om een einde te maken aan de huidige versnippering van voorzieningen voor schadevergoeding.21.De rechtmatigheid of onrechtmatigheid van strafvorderlijk optreden zal worden beoordeeld naar het tijdstip waarop het optreden plaatsvond (art. 6.6.2 NSv). De verdachte jegens wie onrechtmatig is opgetreden zal onder het nieuwe systeem een recht op schadevergoeding krijgen.22.Een verzoek tot vergoeding van schade die de verdachte lijdt na rechtmatig strafvorderlijk optreden is alleen mogelijk indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan ar. 9a Sr (art. 6.6.5 lid 2 NSv) en indien daartoe gronden van billijkheid aanwezig zijn (art. 6.6.5 lid 1 NSv).
4.7
In de memorie van toelichting23.wordt ook aandacht besteed aan de verhouding van de nieuwe schadevergoedingsregeling tot processuele sancties:
“- Verhouding tot processuele sancties
Wanneer de rechter ten aanzien van bepaald strafvorderlijk optreden een processuele sanctie heeft opgelegd op grond van Boek 4, Titel 3.3, kan toekenning van een schadevergoeding op grond van de onderhavige titel leiden tot ongewenste dubbele compensatie. Om dit te beoordelen kan worden aangesloten bij de doelen die worden gediend met enerzijds schadevergoeding na strafvorderlijk optreden en anderzijds de processuele sancties. Schadevergoeding na strafvorderlijk optreden strekt tot vergoeding van de schade na inbreuk op het recht van de betrokkene.
Schadevergoeding als processuele sanctie wordt toegepast ter compensatie van de immateriële schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn (artikel 4.3.12). Bij overschrijding van de redelijke termijn worden spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële
schade verondersteld (EHRM 29 maart 2006 (Riccardi Pizzati/Italië)). Deze immateriële schade moet daarom als gecompenseerd worden beschouwd na toepassing van artikel 4.3.12 en komt niet meer in aanmerking voor vergoeding op grond van deze titel. Eventuele materiële schade die de betrokkene heeft geleden als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn kan niet op voorhand als gecompenseerd worden beschouwd.
Strafvermindering als processuele sanctie kan alleen worden toegepast indien het door het onrechtmatig handelen veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd en strafvermindering in het belang is van een goede rechtsbedeling (artikel 4.3.13). Het nadeel kan volgens de Hoge Raad onder meer betrekking hebben op schending van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer (ECLI:NL:HR:2020:1889). Voor dergelijke immateriële schade kan daarna in beginsel geen toepassing meer worden gegeven aan deze titel omdat in dat geval sprake
is van dubbele compensatie. Ook materiële schade kan onder omstandigheden door strafvermindering worden gecompenseerd. Bijvoorbeeld door vermindering van een op te leggen geldboete of, bij waardering van de taakstraf of gevangenisstraf op geld, door middel van korting op de straf.
Van dubbele compensatie zal doorgaans geen sprake zijn na de toepassing van bewijsuitsluiting (artikel 4.3.14) of niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie (artikel 4.3.15). Deze processuele sancties zijn niet gericht op compensatie van nadeel. Wanneer, bijvoorbeeld, een onrechtmatige doorzoeking heeft plaatsgevonden, waarbij de verkregen bewijsmiddelen van het bewijs worden uitgesloten, kan de schade die de verdachte lijdt als gevolg van de ingetrapte deur niet met die bewijsuitsluiting als gecompenseerd worden beschouwd.
De schadeveroorzakende instantie of de rechter die over de vordering oordeelt zal moeten beoordelen of na een eerder toegepaste processuele sanctie nog ruimte bestaat voor toekenning van een schadevergoeding. Dat vergt een beoordeling in het licht van de concrete omstandigheden
van het geval, die in veel gevallen mede zullen kunnen worden ontleend aan de rechterlijke uitspraak waarin de toepassing van een processuele sanctie wordt gemotiveerd (artikel 4.3.21 in verbinding met 4.3.22). Voor zover daaruit niet blijkt van de compensatie van schade staat de
toepassing van deze titel nog open. (…)”24.
4.8
In deze passage uit de memorie van toelichting lijkt ervan te worden uitgegaan dat het verzoek tot schadevergoeding wordt gedaan na afloop van de strafzaak.25.Een verzoek tot vergoeding van schade wegens onrechtmatig strafvorderlijk overheidsoptreden kan echter al worden gedaan op het moment dat degene die schade heeft geleden bekend is geworden met de schadeveroorzakende gebeurtenis (art. 6.6.4 lid 2 NSv), welk moment kan zijn gelegen voordat de strafzaak is geëindigd.26.De memorie van toelichting expliciteert niet wat dan van de rechter wordt verwacht,27.maar het ligt voor de hand dat ook dan de ratio van bovengenoemde passage geldt: dubbele compensatie moet worden voorkomen en daarvoor moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval.
4.9
Terug naar het huidige systeem. Wat betreft de verhouding tussen schadevergoeding en processuele sanctionering meen ik dat – net als in het NSv – geldt dat dubbele compensatie naar aanleiding van onrechtmatig overheidshandelen moet worden voorkomen. Ik begrijp de huidige regeling ook zo dat voor schadevergoeding in principe geen plaats meer is als de door een vormverzuim veroorzaakte schade (nadeel) al door een rechtsgevolg in de zin van art. 359a Sv is gecompenseerd. Omgekeerd geldt dan dat indien al (volledige) schadevergoeding is toegekend in een civiele procedure, geen plaats meer zal zijn voor sanctionering van hetzelfde vormverzuim binnen het strafproces.
5. De bespreking van het eerste middel
5.1
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte tijdens zijn aanhouding – in strijd met de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren – in zijn been is geschoten, als gevolg waarvan hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, hetgeen – zo begrijp ik – een vormverzuim oplevert. Volgens het hof is art. 359a Sv echter niet van toepassing omdat de verdachte over dit verzuim had kunnen klagen bij de rechter-commissaris en dat heeft nagelaten. Daarmee miskent het hof mijns inziens dat dit vormverzuim, gelet op de aard ervan en de strekking van het verweer, ook van belang is voor de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv, zodat daarop ter terechtzitting een beroep kon worden gedaan. Dat de verdediging dit punt niet naar voren heeft gebracht bij de rechter-commissaris is daarvoor niet van belang.
5.2
Verder heeft het hof geoordeeld dat – al zou artikel 359a Sv wel van toepassing zijn – strafvermindering hoe dan ook niet aan de orde is ‘want het voor de verdachte ontstane nadeel (letsel) gaat gecompenseerd worden door middel van een financiële tegemoetkoming via de lopende procedure bij de civiele rechter’.28.Dat oordeel acht ik niet zonder meer begrijpelijk. Dat er mogelijk andere wegen zijn om genoegdoening te verkrijgen, is niet voldoende om af te zien van strafvermindering wegens een vormverzuim.29.Bovendien is de beschikbare informatie over de lopende civiele procedure nogal summier en onzeker. Het is niet duidelijk op welke (materiële en/of immateriële) schade die ziet, of het tot een schikking zal komen en of de verdachte daardoor gecompenseerd zal zijn. Het lag aldus op de weg van het hof om zelfstandig te oordelen over het vormverzuim en de daaraan te verbinden gevolgen, waarbij ik opmerk dat voldoende ernstig nadeel van de verdachte dat is ontstaan door schending van de lichamelijke integriteit bij de toepassing van dwangmiddelen grond kan bieden voor compensatie in de vorm van strafvermindering.30.In de lopende civiele procedure zou daar dan weer rekening mee kunnen worden houden om dubbele compensatie te voorkomen.
5.3
Het eerste middel slaagt.
6. Het tweede middel
6.1
Met het tweede middel wordt geklaagd dat het hof ontoereikend heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat inhield dat de verdachte niet de gebruiker is van de aangetroffen pgp-telefoon.
6.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2023 houdt onder meer in:
“De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter als volgt:
U vraagt mij of ik de gebruiker ben van de BQ Aquarius telefoon. In overleg met mijn advocaat hebben wij besloten om daarover niets te zeggen. (…) Voor de overige vragen die mij vandaag gesteld zullen worden beroep ik mij op mijn zwijgrecht en laat ik alles over aan mijn advocaat bij pleidooi. (…) Ik ben mij ervan bewust dat dit de kans is om in te gaan op de tenlastegelegde feiten, maar ik maak er geen gebruik van.
(…)
Ten aanzien van het onderdeel ‘ [plaats] ’
(…)
U houdt mij voor dat de rechtbank op pagina 13 van het vonnis heeft opgenomen, dat uit de onderzoeksgegevens blijkt dat “om 21.39 uur komt de VW T-ROC ook terug aan [a-straat] . [medeverdachte 4] stapt uit. Vervolgens rijdt de VW T-ROC om 22.36 uur weg. Om 22.39 uur zegt, verdachte in de chat tegen “ [bijnaam 1] ”: "We hebben vandaag uzi mei demper gehaald (...) Echt mooi ding”. Dat bericht wordt door de rechtbank aan mij toegeschreven. U vraagt mij of ik het bericht heb geschreven. Dat laat ik over aan mijn advocaat bij pleidooi.
(…)
De verdachte verklaart op vragen van de oudste raadsheer als volgt:
(…) U vraagt mij wie ‘ [bijnaam 1] ’ is. Nogmaals, dat gaat over de telefoon. Ik ga daar niets over zeggen en laat het over aan mijn advocaat bij pleidooi.
(…)
De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter als volgt:
Ten aanzien van het onderdeel "pseudokoop II"
(…)
Ik zeg ook niets over de BQ Aquarius telefoon.
(…)
De verdachte verklaart op vragen van de oudste raadsheer als volgt:
U houdt mij voor dat in het dossier wordt beschreven dat op 27 februari 2020 direct na het middag uur het peilbaken van de Volkswagen T-ROC aanstraalt in [plaats] en dat [medeverdachte 5] mij belt en dat ik zeg: "He, maar er zijn grote drie en kleine drie?’ waarop [medeverdachte 5] reageert: "Ja, vier grote en drie kleine". U vraagt mij of de rechtbank het bij het goede eind heeft dat er gesproken werd over pistolen en geweren. Ik beroep mij op mijn zwijgrecht. U vraagt mij waarom ik over de andere onderdelen geen verklaring wil afleggen, Ik heb zojuist openheid van zaken gegeven. Voor de rest beroep ik mij op mijn zwijgrecht.”
6.3
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2023 volgt dat de raadsvrouw het woord heeft gevoerd overeenkomstig haar pleitnota. In de schriftuur wordt het volgende aangehaald uit die pleitnota (met weglating van de voetnoten):
“Gebruik BQ Aquarius
52. Uw Hof heeft tijdens de feitenbespreking cliënt een aantal keren gevraagd naar de BQ Aquarius. Daarop wilde cliënt geen antwoord geven. Dat is niet bepaald vreemd te noemen. Als ook door medeverdachten in hun zaken verklaard, werden telefoons nogal eens onderling geleend/gebruikt. Cliënt wil over niemand iets verklaren, behalve over zichzelf. De stelling van het OM dat de BQ volledig aan cliënt kan worden toegeschreven, kan in appèl geen stand houden.
53. Dat cliënt de BQ bij zich had op de dag van de aanhouding staat vast. De rechtbank benoemt in zijn vonnis vervolgens een aantal omstandigheden die kunnen bevestigen dat cliënt de enige gebruiker is van de BQ.
Shotgun
54. Allereerst een chatgesprek van 22 februari 2020 met " [bijnaam 1] ", waarin wordt gesproken over een shotgun. Deze chat zou in de uitwerking van politie vervolgens op delen overeenkomen met deze chat. Opvallend is echter dat de schrijftolk het woord "shotgun" in het hele gesprek juist niet hoort. En, mocht het OM met het weerwoord komen dat de schrijftolk kennelijk niet de juiste apparatuur heeft en om die reden dit niet heeft gehoord, dan heeft daarvoor te gelden dat de schrijftolk juist een zeer minutieuze uitwerking heeft opgesteld en derhalve niet kan worden gesteld dat de schrijftolk (vanwege gebrekkige apparatuur) dit onderdeel "toevallig" of "per ongeluk" niet heeft gehoord. In de voetnoot van de pleitnotities (voetnoot 24) heb ik het deel dat synchroon loopt tussen de uitwerking van de schrijftolk, nummer 69, en die van politie onder elkaar ingekopieerd.
Juist op het punt van de shotgun is de ondersteuning dus niet te vinden. Dat betekent dat op dit punt dus geen sprake is van enige bevestiging dat de gebruiker van de BQ (ook) spreekt over een shotgun in de Kringloopwinkel (vermeend cliënt).
55. Daarnaast overweegt de rechtbank dat met "compagnon" wel bedoeld moet zijn dat dit [medeverdachte 4] is, met wie cliënt de Kringloopwinkel heeft (49/50%). Maar deze aanname is zeer kort door de bocht. Uit geen andere omstandigheid blijkt dat dit ziet op [medeverdachte 4] of op cliënt.
[plaats] / [plaats]
56. De rechtbank is daarnaast onterecht voorbijgegaan aan het onderbouwde verweer ten aanzien van de aanwezigheid in [plaats] . Zoals bekend, zijn peilbakenspaallocaties niet altijd tot op de meter nauwkeurig. Maar een afstand van 8 kilometer is een te grote afstand dat hieraan niet voorbij kan worden gegaan. Het aanstralen van een telefoonnummer dat aan cliënt wordt toegeschreven (+ [telefoonnummer 1] ) op 26 februari 2020 om 21.02 uur op de Op de [b-straat 1] te [plaats] gekoppeld wordt aan een het bericht op de BQ van 27 februari 2020 om 10.51 uur gekoppeld. Een chatbericht in de ochtend van 27 februari 2020 dat iemand " weg is" en "met spoed naar [plaats] moest" betekent geenszins dat het aanstralen van een telefoon op de avond van 26 februari 2020 in [plaats] betekent dat degene die het bericht stuurt, ook degene is die in [plaats] is geweest. En dus ook niet dat de BQ aan cliënt (volledig) kan worden toegeschreven.
Observatie
57. De rechtbank vindt ook bevestiging in de stelling dat cliënt gebruiker is van de BQ in het feit dat in die BQ een chatbericht wordt aangetroffen waarin wordt gesproken over het feit dat er een "stille" wordt gezien in combinatie met de vaststelling dat "verdachte met [medeverdachte 4] in [plaats] is wanneer een lid van het observatieteam (OT) twee keer bij hen voorbij loopt”. Echter, zo heeft het OT het niet geverbaliseerd. Op pagina 320 van map 8, eind PV Ultegra, wordt enkel beschreven:
“Uit telecom gegevens blijkt dat de telefoonnummers [telefoonnummer 2] ( [medeverdachte 4] ) en [telefoonnummer 1] ( [verdachte] ) met de T-roc meereizen. Op een gegeven moment wordt de T-roc leeg aangetroffen in een parkeergarage vlakbij [c-straat 1] [plaats] . "Onze" mannen hebben kennelijk in een restaurant gezeten waarbij iemand van het OT twee keer voorbij is gelopen. [naam] kwam naar buiten en liep een stuk achter deze persoon van het OT aan." Van een waarneming van cliënt aldaar is dus geen sprake. Er wordt beschreven dat het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] kennelijk meereist, niet dat cliënt wordt gezien. Van een bevestiging dat cliënt in [plaats] is geweest noch dat hij vervolgens het chatbericht stuurt over "een stille" is dus ook geen sprake.”
Duitsland
58. In map 8, pagina 320 wordt beschreven dat in een OVC gesprek te horen is dat [medeverdachte 4] zegt dat hij met cliënt in Duitsland is geweest. Uit deze beschrijving in combinatie met een chatbericht in de BQ dat de gebruiker de afgelopen nacht in Duitsland is geweest met zijn "compa" leidt de rechtbank af dat dit (ook) bevestigt dat cliënt de gebruiker van de BQ is. Deze tap is echter niet uitgewerkt door de door uw Hof benoemde schrijftolk, terwijl dit gesprek wel onderdeel uitmaakt van de bewijsconstructie van de rechtbank. Ten eerste meent de verdediging dan ook dat dit gesprek niet kan bijdragen aan enig bewijs dat cliënt de gebruiker is van de BQ, gelet op de hiervoor gemaakte opmerkingen over de betrouwbaarheid/juistheid van de uitwerkingen van de taps en OVC’s door politie. Ten tweede stelt de verdediging zich op het standpunt dat, mocht uw Hof aan het vorenstaande voorbij gaan, uit het door politie uitgewerkte OVC-gesprek in de Kringloop helemaal niets kan volgen, in ieder geval niet dat cliënt in Duitsland is geweest die avond ervoor. Het gesprek zou tweemaal door politie zijn beluisterd en tot tweemaal toe hoort men alleen aan het begin van een zin de naam " [betrokkene 1] " en verder kan uit de opvolgende woorden in die zin niets worden opgemaakt over wát er nu besproken wordt óver deze [betrokkene 1] .
Was híj degene die niet kon terug rijden? Of - als alternatief- belde [betrokkene 1] en legt [medeverdachte 4] vervolgens uit dat de onbekende chauffeur niet kon terugrijden? Het is gewoonweg niet vast te stellen wat er nu precies óver [betrokkene 1] wordt gezegd.
59. Tot slot merk ik nog op dat als u zelf naar het OVC-gesprek luistert u dan hoort dat degene van wie wordt gezegd dat dit [medeverdachte 4] is spreekt over [betrokkene 2] , over carnaval, een aardig feestje, dat ze overal zijn geweest en over corona. Vervolgens is wat gemurmel te horen waarna enkel het woord "Duitsland" valt. Dat zegt dus niets over de aanwezigheid van cliënt in Duitsland en dus ook niet dat hij het bericht met de BQ heeft gestuurd. Sterker nog, het zou zeer goed [medeverdachte 4] kunnen zijn geweest, die het bericht met de BQ heeft gestuurd; die is namelijk naar zijn eigen zeggen (op de OVC) wél in Duitsland geweest.
[bijnaam 2]
60. Ook in op de BQ gevonden bericht over het maken van een afspraak met " [bijnaam 2] " en " [bijnaam 1] " vindt de rechtbank bevestiging dat cliënt gebruiker is van de BQ, omdat wordt afgesproken ter hoogte van de [d-straat 1] (vader cliënt woonde op nr […] ) respectievelijk in [plaats] . Maar als het cliënt is die het bericht stuurt, waarom noemt hij dan niet [d-straat 2] (adres vader). Als je wil voorkomen dat men jou traceert, ga je dan 8 huisnummers (4 huizen verder) afspreken? Nee. Het kan bovendien ook niet worden uitgesloten dat een ander dit adres heeft opgegeven, daar in de buurt heeft afgesproken, omdat die persoon misschien ook bij cliënt langs zou gaan. Hoe dan ook; onvoldoende om te concluderen dat cliënt de (enige) gebruiker is van de BQ.
61. Daarbij komt dat de overweging van de rechtbank op het punt " [bijnaam 2] " en " [bijnaam 1] " voor verwarring zorgt; de rechtbank overweegt dat "meermalen een ontmoeting" is afgesproken in [plaats] . Maar uit, de berichten waar de rechtbank vervolgens in zijn voetnoot verwijst blijkt slechts dat één keer [plaats] wordt genoemd.
Uitlenen, gebruiken van andermans telefoon
62. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van alle medeverdachten in deze zaak - [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] e.a. - dat telefoons met regelmaat onderling werden uitgewisseld, van elkaar werden gebruikt, uitgeleend etc. En ook uit de Telegram-berichten blijkt dat telefoons door anderen worden gebruikt; zo wordt gevraagd met wie wordt gesproken in Telegram. Dit valt dus ook niet uit te sluiten ten aanzien van de BQ Aquarius.
Wapenkenner
63. Alsook in eerste aanleg aangehaald: "dat een ander de BQ gebruikt wordt ook ondersteund door het feit dat de gebruiker van de BQ op 24 februari 2020 laat in de avond aan " [bijnaam 1] " stuurt morgen, voor de aankoop van een raketwerper, zijn maatje meegaat. Zijn maatje, de "wapenkenner". Zoals u weet is [medeverdachte 3] de wapenkenner (heeft 8 jaar in het leger gezeten) en is hij al van kleins af aan goede vrienden met [medeverdachte 4] . Cliënt kent hij amper, zo verklaart [medeverdachte 3] bij de RC en bij de politie. En die wapenkenner is een vriendje van [medeverdachte 4] , niet van cliënt. Dus dit betekent dat niet cliënt, maar [medeverdachte 4] dit bericht wel moet hebben gestuurd."
Prima facie case
64. De constatering van de rechtbank dat bij gebrek aan een aannemelijk en controleerbaar alternatief scenario de BQ telefoon aan cliënt kan en mag worden toegeschreven kan niet in stand blijven. Allereerst heeft de verdediging reeds in eerste aanleg, maar ook in appèl een voldoende aannemelijk en verifieerbaar alternatief scenario voorgehouden. Ten tweede is de overweging van de rechtbank dat, nu cliënt geen nadere verklaring over de telefoon wil afleggen, en om die reden geen sprake is van een aannemelijk en controleerbaar alternatief scenario een onjuiste. Dat zou immers een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 6 EVRM opleveren. Gelet op de hiervoor besproken feiten en omstandigheden (punt 51 tot en met 63) kan niet worden gesproken van een "prima facie case".
De door de verdediging weerlegde "bewijsmiddelen" leveren namelijk niet een bewijscontructie op waarvan kan worden gezegd dat de ten laste gelegde feiten reeds op basis daarvan als bewijsbaar kunnen worden geacht en dat de situatie "schreeuwt" om een nadere uitleg. Ik wijs u in dit kader op de uitspraak van het Europese Hof in de zaak Murray t. Verenigd Koninkrijk en in de zaak Krumpholz t. Oostenrijk.
6.4
Het hof overweegt het volgende over de (gebruiker van) de BQAquarius X2 (met weglating van een enkele voetnoot):
“Algemeen
Telefoongebruik
Door enkele verdachten in het onderzoek Ultegra is verklaard dat zij en hun medeverdachten hun telefoons regelmatig uitleenden dan wel uitwisselden en dat de daarmee gevoerde gesprekken en/of uitgewisselde informatie daarom niet van de bezitter/eigenaar van de telefoon/het telefoonnummer afkomstig behoeven te zijn. Het hof acht dit niet aannemelijk geworden. In het dossier is een enorme hoeveelheid telefoongesprekken en met telefoons verstuurde en ontvangen berichten weergegeven. In die gesprekken wordt niet gevraagd met welke persoon men nu in gesprek is. Kennelijk weten de onderscheiden gebruikers meteen met wie men aan het communiceren is en dus wie bij welk telefoonnummer/telefoon hoort. Daar bestaat geen enkele onduidelijkheid over. Daarom gaat het hof er vanuit dat de bezitter/eigenaar van een telefoon ook de gebruiker ervan is, tenzij het tegendeel blijkt.
Gebruiker van de telefoon BQ Aquarius X2
Door de politie wordt waargenomen dat [verdachte] op 27 februari 2020 als bestuurder in een VW-T-ROC in [plaats] rijdt. [verdachte] zit alleen in de auto. Hij wordt aangehouden en in deze auto wordt een ontgrendelde PGP-telefoon (BQ Aquarius X2) aangetroffen. [verdachte] heeft geen verklaring willen afleggen over het gebruik van de BQ Aquarius. Hij heeft ter zitting van het hof op 14 juni 2023 wel verklaard dat de VW-T-ROC zijn auto was.
Gelet op het feit dat deze telefoon in ontgrendelde toestand bij [verdachte] in het bezit is in zijn auto waar alleen hij op dat moment in aanwezig was gaat het hof er vanuit dat het zijn telefoon is. Er zijn geen aanwijzingen dat de telefoon van iemand anders zou zijn. Het hof stelt derhalve vast dat de inhoud van deze telefoon aan [verdachte] is toe te schrijven.”
6.5
In de toelichting op het middel betoogt de steller ervan dat het hof het oordeel dat de verdachte de gebruiker is van de telefoon enkel heeft gebaseerd op het feit dat de pgp-telefoon bij hem in zijn auto is aangetroffen toen hij werd aangehouden, dat die telefoon toen ontgrendeld was en dat de verdachte niets heeft willen zeggen over de telefoon. Gelet op alle contra-indicaties die in het verweer naar voren zijn gebracht, is dat ontoereikend.
7. De bespreking van het tweede middel
7.1
Voor het bewijs van de bewezen verklaarde feiten31.heeft het hof gebruik gemaakt van berichten op een pgp-telefoon BQ Aquarius X2. Het hof heeft geoordeeld dat het ervan uitgaat dat deze telefoon van de verdachte is, dat er geen aanwijzingen zijn dat de telefoon van iemand anders zou zijn en dat de inhoud van de telefoon daarom aan de verdachte wordt toegeschreven. Daarin ligt besloten dat het voorbijgaat aan de standpunt van de verdediging dat de inhoud van de telefoon niet (volledig) aan de verdachte kan worden toegeschreven. Aan zijn niet onbegrijpelijke oordeel dat de verdachte wél de gebruiker was, heeft het hof ten grondslag gelegd dat:
(i) het dossier een grote hoeveelheid berichten bevat die van en aan de pgp-telefoon zijn gestuurd;
(ii) uit de inhoud van die berichten volgt dat degenen die contact opnemen met de pgp-telefoon zonder uitzondering weten met wie zij te maken hebben;
(iii) de verdachte op 27 februari 2020 alleen in zijn auto is aangetroffen met de pgp-telefoon terwijl die telefoon op dat moment ontgrendeld was;
(iv) hij geen verklaring heeft willen afleggen over die telefoon.
7.2
Tot een nadere motivering van zijn oordeel was het hof – ook gelet op hetgeen is aangevoerd – niet gehouden. Het hof hoeft namelijk niet op ieder onderdeel van een gevoerd verweer in te gaan.
7.3
Het tweede middel faalt.
8. Het derde middel
8.1
Het derde middel houdt de klacht in dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk had het plegen van wapenwetdelicten, fraude en geweldsdelicten (feit 1). De verdachte zou namelijk alleen wat te maken hebben gehad met de wapenwetdelicten en heeft derhalve niet het vereiste oogmerk gehad, althans geen aandeel gehad in gedragingen die verband houden met de verwezenlijking van de fraude- en geweldsmisdrijven.
8.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 27 februari 2020 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk telkens het plegen van:
- internationale wapenhandel, als bedoeld in artikel 14 lid 1 van de Wet wapens en munitie, namelijk het zonder consent doen binnenkomen of doen uitgaan van diverse wapens en munitie van categorie II en III van en naar het buitenland en
- wapenhandel, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, en artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, waarbij de wapenhandel onder andere bestond uit het zonder erkenning in de uitoefening van een bedrijf ter beschikking stellen en verhandelen en overdragen van diverse wapens en munitie van categorie II en categorie III en
- wapenbezit, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, en/of artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, namelijk het voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie II en categorie III, en
- fraude, als bedoeld in artikel 225 en 321 en artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk verduistering en oplichting, en
- geweldsdelicten, als bedoeld in artikel 285 en artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk bedreiging met dodelijk geweld en mishandeling.”
8.3
Het hof heeft ten aanzien van het oogmerk van de criminele organisatie overwogen dat:
“Feit 1 – criminele organisatie
(…)
Onder het bestanddeel "organisatie" moet worden verstaan: "Een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is" (vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134).
Het oogmerk van de organisatie ziet op het feitelijke en gewenste doel van de organisatie. Voor bewijs van het bestanddeel “oogmerk” zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht slechts dan sprake kan zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk, (vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413).
Het opzet van de verdachte moet zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Als uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten, (vlg. HR 8 februari 2011. ECLI:NL:HR:2011:B09814).
(…)
Samenwerkingsverband met een zekere structuur en duurzaamheid
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat er sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur.
Het hof stelt vast dat er een vaste kern was, bestaande uit [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , waar zich anderen in wisselende samenstellingen bij aansloten in verband met het plegen van de misdrijven: wapenhandel, wapenbezit, fraude, bedreiging en geweld. De samenstelling van de organisatie wijzigde in de loop der tijd, maar de vaste kern ( [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ) bleef hetzelfde.
De structuur komt mede tot uiting in de relaties die de diverse deelnemers met elkaar hadden waarbij uiteenlopende aspecten van de gepleegde en te plegen misdrijven (wapenhandel, wapenbezit, fraude, bedreiging en geweld) steeds terugkerende onderwerpen van gesprek waren.
De woning van [medeverdachte 4] is eerst de centrale locatie van het samenwerkingsverband. Dit is de uitvalsbasis en het centrale ontmoetingspunt waar de deelnemers vaak zijn en waar de plannen worden gesmeed. Later is de Kringloopwinkel in [plaats] het centrale ontmoetingspunt en de uitvalsbasis.
De loods aan [e-straat 1] in [plaats] is de opslagplaats van de organisatie, waar wapens, explosieven en andere zaken betreffende de criminele activiteiten, werden bewaard voor later gebruik of verkoop.
Oogmerk van de organisatie
Gelet op de op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen32.van de door de criminele organisatie gepleegde misdrijven, blijkt dat de organisatie zich op gestructureerde, stelselmatige en planmatige wijze bezig heeft gehouden met internationale wapenhandel, nationale wapenhandel, wapenbezit, fraude, bedreiging en geweld. Hieruit blijkt dat het oogmerk van de organisatie op het plegen van deze misdrijven was gericht.
Rolverdeling binnen de organisatie
Wat betreft de rolverdeling binnen de organisatie kan worden vastgesteld:
- dat [medeverdachte 4] het initiatief en de leiding neemt en leden voor de organisatie werft:
- dat [medeverdachte 5] mede betrokken is bij de planning en degene is die bijna altijd meedoet bij de uitvoering van de plannen (door de politie als de ‘wegkapitein' bestempeld):
- dat [medeverdachte 3] de wapenspecialist is en wordt ingezet als zijn expertise nodig is bij een klus (maken van ontstekers (met tijdsmechanisme). herstellen van wapens):
- dat [medeverdachte 8] de contactpersoon met en in Kroatië is bij de internationale wapenhandel:
- dat [medeverdachte 2] . [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6] en [verdachte] betrokken zijn bij de planning en uitvoering van misdrijven.
Aandeel van [verdachte] in de organisatie
Het hof komt bij [verdachte] tot een bewezenverklaring van feit 2 (wapenhandel in Nederland: [plaats] en Pseudokoop 2) en feit 4 (het voorhanden hebben van wapens (Pseudokoop 2 en woning [plaats] ).
Uit de camerabeelden van de woning van [medeverdachte 4] aan [a-straat] blijkt dat [verdachte] op 25 juni 2019 daar hartelijk wordt begroet door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Vanaf 7 juli 2019 komt [verdachte] daar vrijwel dagelijks.
Per 1 januari 2020 is de kringloopwinkel in [plaats] verhuurd aan [medeverdachte 4] . [verdachte] is voor 49% en [medeverdachte 4] voor 51% aandeelhouder van deze kringloopwinkel.
Uit de camerabeelden van de kringloopwinkel blijkt dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [verdachte] hier vaak aanwezig zijn.
Op 12 januari 2020 belt [medeverdachte 4] naar [verdachte] en zegt hem dat hij vlug moet komen. Er moet iets besproken worden over die Belg. [verdachte] draait meteen om en komt eraan.
Op 5 februari 2020 zijn [medeverdachte 5] en [verdachte] in de kringloopwinkel. Zij bellen ‘s middags met [medeverdachte 4] . De telefoon staat op de speakerstand. [medeverdachte 4] geeft hen dan de opdracht om met een andere jongen naar België te gaan. Daarna blijkt uit een sms dat [verdachte] op 5 februari 2020‘s avonds daadwerkelijk in België is.
Uit chatgesprekken met [betrokkene 3] blijkt dat [medeverdachte 4] 60 kogels heeft verkocht aan [betrokkene 3] . [betrokkene 3] stuurt iemand in een Audi om de kogels op te halen op 16 februari 2020. [medeverdachte 4] zegt hem dat hij aan [f-straat ] in [plaats] moet zijn. Uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen [medeverdachte 5] en [verdachte] blijkt dat [medeverdachte 5] op dat moment op zoek is naar die Audi en deze niet kan vinden. [medeverdachte 5] zegt dat [verdachte] het aan [medeverdachte 4] moet vragen. De telefoon van [medeverdachte 5] straalt op dat moment aan bij [f-straat ] . [medeverdachte 4] chat later aan [betrokkene 3] dat hij iemand had gestuurd om de kogels af te leveren.
Uit de chatgesprekken tussen [verdachte] en [bijnaam 1] blijkt dat [verdachte] op 22 februari 2020 een pistool (“Glock 17 full") heeft gekocht voor drieduizend euro, [verdachte] heeft dit wapen met een ander opgehaald. Hij zegt ook tegen [bijnaam 1] dat na het weekend de eerste lading wapens komt en dat het niet eerder kon omdat één van hun chauffeurs in Spanje of Duitsland was gepakt met hun geld en wiet.
Op 24 februari 2020 deelt [verdachte] aan [bijnaam 1] mee dat hij die donderdag zijn CZ krijgt. Woensdag komt de eerste lading en de week erna de tweede. [verdachte] zegt dat beide ladingen worden geruild tegen drugs. Als [bijnaam 1] hem vraagt of hij al weet wat er bij de tweede lading zit, antwoordt [verdachte] dat hij vandaag contact heeft gehad, met jongens uit Kroatië en dat hij daar een goede leverancier heeft. [verdachte] zegt ook dat zijn maat veel C4 (springstof) verkoopt. Zijn maat maakt de ontstekers zelf. Uit de chats met [bijnaam 1] blijkt verder dat [verdachte] bang is voor het optreden van informanten en dat hij wil sweepen (controleren of er geen afluistermicrofoons zijn).
Conclusie feit 1 deelname verdachte criminele organisatie
Het hof concludeert uit het voorgaande dat [verdachte] actief heeft deelgenomen aan het criminele samenwerkingsverband en dat hij een wezenlijk aandeel heeft gehad in gedragingen en gedragingen heeft ondersteund die mede strekten tot dan wel verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk tot het plegen van misdrijven. Hij deed mee aan de wapenhandel, hij had zelf contact met wapen leveranciers in Kroatië, hij ging in opdracht van [medeverdachte 4] naar België en sprak over ladingen wapens die komen, uit het buitenland.
Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.”
9. De bespreking van het derde middel
9.1
Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft, kort gezegd, het plegen van wapendelicten, geweldsdelicten en fraude.
9.2
Voor zover het middel klaagt dat het ‘oogmerk’ niet bewezen kan worden verklaard omdat de verdachte niet het oogmerk heeft gehad om geweldsdelicten en fraude te plegen, gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting. Voor een bewezenverklaring van het oogmerk van een criminele organisatie is niet relevant welk oogmerk de verdachte had bij zijn deelnemingsgedragingen.33.Het gaat niet om het oogmerk van de individuele deelnemers, maar om het oogmerk van de organisatie.34.Die moet het plegen van misdrijven tot doel hebben. De klacht over de bewezenverklaring van het oogmerk stuit hierop af.
9.3
Als wordt bedoeld te klagen over het opzet van de verdachte, dan geldt het volgende. In ‘deelneming aan’ zoals bedoeld in artikel 140 Sr ligt opzet besloten. De Hoge Raad heeft hieromtrent in HR 18 november 1997, NJ 1998/225 overwogen dat voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.35.De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.36.Uit de bewijsvoering volgt rechtstreeks dat de verdachte wetenschap had van de wapenwetdelicten die binnen de organisatie gepleegd werden. Tegen die achtergrond is niet van belang of de verdachte al dan niet wetenschap had van de geweldsdelicten en de fraude die ook onderdeel vormden van het oogmerk van de organisatie. Om die reden faalt ook deze klacht.
9.4
Dan de klacht dat de verdachte geen aandeel heeft gehad in de geweldsdelicten en fraude. Ook dat is niet vereist voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde deelneming aan deze criminele organisatie. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat voor een bewezenverklaring van deelneming nodig is dat de verdachte een aandeel heeft in dan wel ondersteuning geeft aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.37.Die gedragingen hoeven niet betrekking te hebben op álle misdrijven die de organisatie beoogt te begaan. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de verdachte wapens inkocht en doorverkocht en dat hij persoonlijk contact had met wapenleveranciers uit Kroatië. Het hof kon op basis hiervan oordelen dat de verdachte direct betrokken was bij de handel in wapens en derhalve dat hij een wezenlijk aandeel heeft gehad in en ondersteuning heeft geboden aan de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande oogmerk tot het plegen van misdrijven.
9.5
Het derde middel faalt in al zijn onderdelen.
10. Slotsom
10.1
Het eerste middel slaagt. Het tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
10.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden.
10.3
Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑09‑2025
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma. In 2020 heeft de Hoge Raad een nieuw overzichtsarrest gewezen: HR 2 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg. Daarin worden geen substantiële wijzigingen aangebracht ten opzichte van het arrest van 2004, maar wordt de formulering van een aantal maatstaven genuanceerd of bijgesteld. De Hoge Raad bespreekt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en de toetsing door de rechter-commissaris niet, zodat wat dat betreft het kader uit het arrest van 2004 van toepassing blijft.
De Hoge Raad heeft ditzelfde kader van toepassing geoordeeld op procedures bij de raadkamer omtrent gevangenhouding. Zie HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8320, NJ 2004/561, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/375, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.4.2.
Zo overwoog de Hoge Raad al met betrekking tot vormverzuimen bij de aanhouding en inverzekeringstelling in HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1566, NJ 2001/587, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.3.
Zie zijn conclusie (randnummer 20) voor HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6196, NJ 2006/623 m.nt. A.H. Klip. Kritisch over het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zijn G. Knigge en B.F. Keulen, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 616-617.
G.J.M. Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 877-878.
Voorbeelden zijn HR 21 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR5092, NJ 2005/173, m.nt. J.M. Reijntjes, waarin het oordeel van het hof dat de hardhandige aanhouding van de verdachte door de politie niet disproportioneel was, zodat geen sprake is van een vormverzuim dat op grond van art. 359a Sv tot strafvermindering zou kunnen leiden zonder nadere motivering niet begrijpelijk was; HR 13 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6195, NJ 2006/623, m.nt. A.H. Klip, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen er niet aan in de weg staat dat het hof zelfstandig een oordeel vormt over het redelijk vermoeden van schuld bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een doorzoeking en het daardoor verkregen bewijs, ook al heeft de rechter-commissaris al geoordeeld dat de inverzekeringstelling onrechtmatig was vanwege het ontbreken van voldoende verdenking; HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4828, NJ 2013/130, m.nt. T.M.C.J. Schalken, waarin een diensthond werd ingezet en de hondengeleider de verdachte bij zijn aanhouding drie vuistslagen in zijn gezicht heeft gegeven. De Hoge Raad oordeelde onder meer dat het hof onvoldoende inzicht had gegeven in zijn afweging op grond van welke feiten en omstandigheden het tot zijn beslissing is gekomen om de ontvangen vuistslagen niet op de voet van art. 359a Sv met strafvermindering te compenseren; HR 2 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg, waarin het ging om politiegeweld bij de insluiting van de verdachte. De Hoge Raad overweegt hierin dat voldoende ernstig nadeel van de verdachte dat bijvoorbeeld is ontstaan door schending van de lichamelijke integriteit bij toepassing van dwangmiddelen, grond kan bieden voor compensatie in de vorm van strafvermindering.
Vgl. de vordering van A-G Knigge die voorafging aan het in het belang der wet gewezen arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:256, NJ 2015/197 m.nt. T.M.C.J. Schalken (onder NJ 2015/199).
Ook Kuiper maakt in dit verband een onderscheid tussen de aard van het verzuim en de strekking van het verweer. Hij onderscheidt vormverzuimen “die (i) alleen relevant zijn in het kader van de beslissing inzake de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen; (ii) die alleen relevant zijn voor de beantwoording van de vragen van art. 348 en 350 Sv door de zittingsrechter; en een categorie daartussen van (iii) vormverzuimen die zowel bij de beoordeling door de RC en de raadkamer als bij de beoordeling door de zittingsrechter van belang kunnen zijn.” Volgens Kuiper geldt alleen ten aanzien van de vormverzuimen van categorie (i) dat daarop uitsluitend een beroep bij de rechter-commissaris of de raadkamer kan worden gedaan. Ten aanzien van vormverzuimen van categorie (ii) merkt hij op dat deze vanwege hun aard enkel door de zittingsrechter beoordeeld kunnen worden. Het gaat hierbij voornamelijk om ernstige verzuimen die mogelijk tot niet-ontvankelijkheid van het OM aanleiding kunnen geven. De vormverzuimen van categorie (iii) kunnen ook aan de zittingsrechter worden voorgelegd, maar alleen als een verweer daartoe aanleiding geeft. Daarbij is de aard van het vormverzuim in combinatie met de inhoud van het gevoerde verweer bepalend voor de vraag of de zittingsrechter zich over het vormverzuim zal moeten buigen. Zie R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, p. 254-259.
De wetgever brengt in het NSv overigens verandering in de toetsing van de inverzekeringstelling door de rechter-commissaris. Het is, zo volgt uit de memorie van toelichting bij art. 2.5.17 NSv, de bedoeling dat de rechter-commissaris bij de voorgeleiding enkel toetst of voortzetting van de inverzekeringstelling rechtmatig is en niet meer zal hoeven te oordelen over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling in zijn geheel. Vormverzuimen zullen derhalve niet meer in dit stadium aan de orde komen, maar zullen tijdens het onderzoek ter terechtzitting ter sprake gebracht moeten worden. Zie Kamerstukken II 2022-2023 36327, nr. 3 (MvT), p. 432-433.
Zie hierover ook de conclusie van A-G Bleichrodt voorafgaand aan HR 2 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 200.
Zie hierover ook M. Samadi, Normering en toezicht in de opsporing. Een onderzoek naar de normering van het strafvorderlijk optreden van opsporingsambtenaren in het voorbereidend onderzoek en het toezicht op de naleving van deze normen (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridisch 2020, p. 205-211.
R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, p. 260-262 en de aldaar genoemde jurisprudentie.
Uit HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, NJ 2007/432, m.nt. J.B.M. Vranken (Begaclaim), rov. 3.3, volgt dat een verdachte als gevolg van strafvorderlijk optreden schadevergoeding kan vorderen indien (i) de rechtvaardiging voor dat optreden vanaf de aanvang heeft ontbroken, bijvoorbeeld vanwege de afwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van art. 27 Sv of (ii) achteraf blijkt dat de gewezen verdachte onschuldig is en de verdenking waarop het strafvorderlijk optreden ongefundeerd was.
Dit is reden voor de wetgever om deze voorzieningen in het NSv centraal te regelen. Kamerstukken II 2022-2023 36327, nr. 3 (MvT), p. 1387.
G. Knigge en B.F. Keulen, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 582 met verwijzing naar Kamerstukken II 1993/94, 23705, nr. 3 (MvT), p. 26.
Deze processuele sanctie komt te staan in art. 4.3.12 NSv. Nieuw is verder dat het huidige art. 359a Sv wordt opgedeeld in drie losse artikelen. Ieder rechtsgevolg (niet-ontvankelijkheid, bewijsuitsluiting en strafvermindering) krijgt een eigen artikel (art. 4.3.13-4.3.15 NSv). Voor de processuele sancties gaan iets andere toepassingscriteria gelden. Zo zal strafvermindering straks kunnen worden toegepast indien sprake is van onrechtmatig handelen bij opsporingsonderzoek of vervolging en het door daardoor veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd en strafvermindering daarnaast in het belang van een goede rechtsbedeling is (vgl. art. 4.3.13 NSv).
Zo blijkt uit art. 4.3.21 lid 5 NSv. Zie hierover ook Kamerstukken II 2022-2023 36327, nr. 3 (MvT), p. 1025.
De regeling beoogt te voorzien in een met voldoende waarborgen omklede – exclusieve – rechtsgang, zodat de civiele rechter niet op basis van art. 112 Grondwet bevoegd zal zijn kennis te nemen van dergelijke vorderingen. De civiele rechter zal wel een rol houden bij verzochte bedragen van meer dan € 25.000,-, spoedeisende zaken en andersoortige vorderingen dan die ter vergoeding van schade, vgl. Kamerstukken II 2022-2023 36327, nr. 3 (MvT), p. 1388, De bovengrens van € 25.000,- zal niet gelden voor verzoeken tot vergoeding van schade wegens – kort gezegd – onterecht ondergane voorlopige hechtenis (art. 6.6.1 lid 2 NSv), omdat die schadevergoeding relatief eenvoudig is te bepalen op grond van de forfaitaire bedragen die zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), Kamerstukken II 2022-2023 36327, nr. 3 (MvT), p. 1389.
Kamerstukken II 2022-2023 36327, nr. 3 (MvT), p. 1393.
Art. 6.6.4 lid 1 NSv luidt: “Degene die schade heeft geleden door onrechtmatig strafvorderlijk optreden heeft recht op schadevergoeding.” Zie Kamerstukken II 2022-2023 36327, nr. 2, p. 247.
In de Ambtelijke versie juli 2020 ‘Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, Boek 6 Bijzondere regelingen’ werd hieraan (veel) minder aandacht besteed, zie kritisch daarover M.F.H. Hirsch Ballin, G. Nieuwland & A.W. van Wijk, ‘Vergoeding van schade na strafvorderlijk overheidsoptreden in het gemoderniseerde Wetboek van Strafrecht’, TMSv 2022/1 p. 15-19.
Kamerstukken II 2022-2023 36327, nr. 3 (MvT), p. 1392-1393.
Ook uit de Nota naar aanleiding van de verslagen maak ik dit op omdat daarin enkel het scenario wordt besproken waarin de rechter eerst een processuele sanctie heeft opgelegd. Met betrekking tot het voorkomen van dubbele compensatie staat vermeld: “Bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding na strafvorderlijk optreden dient rekening te worden gehouden met de rechterlijke uitspraak waarin de toepassing van een processuele sanctie wordt gemotiveerd. Op deze manier wordt dubbele compensatie voorkomen.” Zie Kamerstukken II 2023-2024 36327, nr. 11, p. 526.
Zo volgt uit de artikelsgewijze toelichting uit de memorie van toelichting bij dit artikel, zie Kamerstukken II 2023-2024 36327, nr. 3 (MvT), p. 1398.
Dit wordt ook geconstateerd in het rapport van Y.N. van den Brink e.a., Inhoudelijke rapportage Boek 6: Bijzondere regelingen - Project bijstand Tweede Kamer modernisering Wetboek van Strafvordering, 2024, p. 54.
Het hof heeft ook geoordeeld dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet in aanmerking zou komen als sanctie. Omdat het middel daarover niet klaagt, laat ik dat verder rusten.
Vgl. HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4828, NJ 2013/130 m.nt. T.M.C.J. Schalken. Zie ook HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092, NJ 2022/278 m.nt. A.H. Klip en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Harteveld (ECLI:NL:PHR:2020:434, met name onder 3.34). De Hoge Raad deed laatstgenoemde zaak overigens zelf af. Gelet op de ernst van de door het hof vastgestelde verzuimen, in het bijzonder het aan de verdachte rond zijn arrestatie toegebrachte letsel, verminderde de Hoge Raad de aan de verdachte oplegde gevangenisstraf van 28 jaren met 4 maanden.
Vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. N. Jörg, rov. 3.4.2. Zie ook de conclusie van A-G Harteveld (ECLI:NL:PHR:2020:434, randnummer 3.27 en verder) voor HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092, NJ 2022/278 m.nt. A.H. Klip en de daar aangehaalde literatuur.
In de schriftuur wordt opgemerkt dat het hof het gebruik van de bewuste pgp-telefoon in de gehele bewezenverklaarde periode op het conto van de verdachte heeft geschreven. Voor de goede orde merk ik op dat de bewezenverklaringen van feit 1 en 2 de periode van 1 november 2019 tot en met 27 februari 2020 (dus 4 maanden) betreffen. Feit 4 heeft als pleegdatum 27 februari 2020.
Noot VS: het hof heeft in het bestreden arrest in ruim 24 pagina’s (p. 24-48) uiteengezet van welke feiten en omstandigheden het uitgaat in het kader van de criminele organisatie. Het hof heeft hierbij ook uitgebreid aandacht besteed aan – kort gezegd – de fraude en geweldsdelicten. Omdat de inhoud daarvan op zichzelf niet wordt betwist, heb ik deze omwille van de leesbaarheid weggelaten. Mijns inziens is in het kader van de bespreking van het middel voldoende dát het hof heeft vastgesteld dat het oogmerk van de organisatie (ook) was gericht op het plegen van die fraude en geweldsdelicten.
Zie hiervoor ook J.M. ten Voorde, in: T&C Strafrecht, commentaar op art. 140 Sr.
A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie. Een onderzoek naar de strafbaarstellingen in artikel 140 Sr (diss. OU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 45.
HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225 m.nt. J. de Hullu, rov. 5.4.
Zo volgt ook uit HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, rov. 3.3 en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361, m.nt. N. Jörg.
HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361, m.nt. Jörg, rov. 2.4.3.
Beroepschrift 25‑06‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 23/04259
Betekening aanzegging: 29 april 2024
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte],
thans gedetineerd in [verblijfplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20230398
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het namens [verdachte] ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden d.d. 30 oktober 2023, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van het beslag.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 3 EVRM alsmede 359a jo. 415 Sv, en wel om het navolgende.
Door de verdediging is het verweer gevoerd dat sprake is geweest van (beknopt weergegeven)sprake is van een vormverzuim, te weten buitensporig politiegeweld bij de aanhouding en dat daardoor de Officier van Justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans de straf moet worden gematigd.
In het arrest heeft het hof vastgesteld dat verdachte tijdens zijn aanhouding door een politieambtenaar is beschoten terwijl er geen schietwaardige situatie was waardoor verdachte zwaar lichamelijk letsel aan zijn knie heeft opgelopen. Voorts heeft het hof vastgesteld dat bedoelde politieambtenaar bij de aanhouding van de verdachte heeft gehandeld in strijd met art. 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren.
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat vormverzuim bij toetsing door de rechter-commissaris niet is aangevoerd maar daar wel aangevoerd had kunnen worden zodat op dit vormverzuim art. 359a Sv daarom niet van toepassing is. Dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk nu de rechter moet beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden en de rechter-commissaris — anders dan de zittingsrechter — aan het door de verdediging gestelde vormverzuim ook niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid of strafvermindering kan verbinden.
Het kennelijke oordeel van het hof dat bij de zittingsrechter niet (meer) kan worden geklaagd over onrechtmatig geweldgebruik tijdens de toepassing van een (vrijheidsbenemend) dwangmiddel jegens de verdachte hetgeen volgens de verdediging moet leiden tot strafvermindering omdat dergelijke klachten kunnen worden aangebracht in de reeds aangespannen civiele procedure getuigt voorts van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Voorts schiet het oordeel van het hof, dat strafvermindering niet aan de orde zou zijn, omdat het voor verdachte ontstane nadeel (letsel) ‘gecompenseerd’ zou worden door middel van een financiële tegemoetkoming via de lopende procedure bij de civiele rechter’ en ‘compensatie in de vorm van strafvermindering een ‘dubbele compensatie’ zou betekenen te kort indien al aangenomen kan worden dat het hof bedoeld heeft niet de opvatting van een ander of anderen weer te geven maar zijn eigen overwegingen/oordelen. Daar komt nog bij dat ten tijde van het wijzen van het arrest de civiele rechter nog geen daadwerkelijk schadebedrag is vastgesteld.
Op grond van het bovenstaande kan het arrest niet in stand blijven.
Toelichting:
1.1
In het vonnis d.d. 29 juli 2021 heeft de rechtbank onder meer overwogen/geoordeeld:
‘De rechtbank acht het nadeel geschikt voor compensatie door strafvermindering die in verhouding staat tot de ernst van het verzuim en het nadeel dat verdachte hierdoor heeft geleden. Strafvermindering is gerechtvaardigd in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim. De rechtbank zal hierop terugkomen bij de strafmotivering.
(…)
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat een on voorwaardelijke vrijheidsstraf van forse duur noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van de feiten door afdoening met een lichtere straf miskend zouden worden. Daaraan kan niet afdoen dat verdachte kennelijk een deel van de mantelzorg voor zijn vader voor zijn rekening heeft genomen.
De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden in beginsel passend. Verdachte is echter ernstig verwond geraakt bij zijn aanhouding doordat op hem is gevuurd (zaak-Bergerac). De rechtbank compenseert dit vormverzuim met een strafvermindering met zes maanden, gelet op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het ondervonden nadeel. Alles afwegend zal de rechtbank de verdachte daarom conform de eis van de officier van justitie veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 54 maanden.’
1.2
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft mr. M. Schmit, advocate te Rotterdam, een aantal verweren gevoerd. Naast hetgeen het hof in het arrest heeft geciteerd is in de door de verdediging overgelegde pleitnota onder meer aangevoerd:
‘Straftoemeting
- 111.
Alle punten die reeds aan het begin van het pleidooi zijn besproken verzoek ik u hier als herhaald en ingelast te beschouwen (vormverzuimen). In het geval u tot enige bewezenverklaring komt, verzoek ik op grond van artikel 359a Sv strafvermindering toe te passen.
Persoonlijke omstandigheden
- 112.
De ‘strafkorting’ van 6 maanden, zoals door de rechtbank uitgesproken en opnieuw door het OM in appèl gevorderd, doet naar de mening van de verdediging geen recht aan hetgeen cliënt heeft moeten doorstaan naar aanleiding van de beschieting tijdens zijn aanhouding. Het OM benoemde bij requisitoir dat, nu zicht is op een mogelijke financiële compensatie, deze compensatie in combinatie met een strafkorting van 6 maanden voldoende tegemoet wordt gekomen aan de schade die cliënt is aangedaan. Ik meen dat enige financiële compensatie niet in ‘mindering’ mag worden gebracht op strafvermindering in het kader van 359a Sv nu financiële compensatie, voor zover die wordt toegekend, ziet op een civielrechtelijke compensatie en niet mag worden meegewogen in een strafzaak en dus ook niet in het kader van strafvermindering ex artikel 359a Sv.
- 113.
U heeft tijdens de bespreking van de persoonlijke omstandigheden van cliënt op 14 juni jl. kunnen zien wat het schietincident met cliënt heeft gedaan en tot op de dag van vandaag nog met hem doet.
(…)’
1.3
In het arrest heeft het hof onder meer overwogen/geoordeeld:
‘Vormverzuimen
Standpunt van de verdediging
Primair niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Door de raadsvrouw is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit. Ter onderbouwing hiervan heeft zij — kort weergegeven — aangevoerd dat er sprake is van vijf vormverzuimen in het vooronderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. De vormverzuimen en het geleden nadeel daarvan, voor de verdachte in samenhang bezien leiden ertoe dat er geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Daarom dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te w orden verklaard in de vervolging, aldus de raadsvrouw.
(…)
Meer subsidiair: strafvermindering
Als het hof het openbaar ministerie wel ontvankelijk acht in de vervolging en voor zover het hof niet tot bewijsuitsluiting komt, verzoekt de raadsvrouw om de vormverzuimen tot strafvermindering te laten leiden.
De gestelde vormverzuimen zijn de volgende:
- 1.
Buitensporig geweld door de politie bij aanhouding
(…)
1. Geweld door de politie bij de aanhouding
Verdachte is bij zijn aanhouding zonder enige reden in zijn been geschoten door een politieambtenaar. Dit is op 25 november 2021 vastgesteld door het hof in een artikel 12-Strafvórderingsprocedure. De politieambtenaar heeft zich niet aan de vuurwapeninstructie gehouden. Verdachte heeft hierdoor blijvend fysiek letsel opgelopen, Het door de politie gebruikte geweld is als buitenproportioneel te kwalificeren en levert daarom een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv.
Dit buitenproportionele geweld schendt de lichamelijke integriteit van de verdachte, het vertrouwen in de strafrechtelijke procedure en het vertrouwen in de politie.
(…)
Overwegingen en het oordeel van het hof
Met betrekking tot de verweren over de vormverzuimen overweegt het hof als volgt.
(…)
ad 1. Geweld door de politie bij aanhouding
Het hof constateert op grond van de voorhanden zijnde stukken dat verdachte tijdens zijn aanhouding door een politieambtenaar is beschoten terwijl er geen schietwaardige situatie was. Verdachte werkte mee aan zijn aanhouding. De betreffende politieambtenaar heeft verklaard ongewild een schot te hebben gelost. Verdachte heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel aan zijn knie opgelopen. Het hof stelt vast dat bedoelde politieambtenaar bij de aanhouding van de verdachte heeft gehandeld in strijd met artikel 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren.
Ter zake deze gebeurtenis is door verdachte een klacht ex artikel 12 Sv ingediend die zich, richt tegen de beslissing van de officier van justitie om de betreffende politieambtenaar niet strafrechtelijk te vervolgen voor dit feit. Bij beschikking van 25 november 2021 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden geconcludeerd dat, hoewel verdachte als gevolg van het handelen van de politieambtenaar zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, de klacht wordt afgewezen, omdat een civielrechtelijke afdoening in de vorm van een schadevergoeding in dezen veeleer voor de hand ligt.
Ter zitting van het hof op 14 juni 2023 heeft verdachte verklaard dat er momenteel een civielrechtelijke procedure gaande is en hij in afwachting is van een schikkingsvoorstel met betrekking tot de hoogte van de schadevergoeding.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of het een vormverzuim betreft dat de verdediging aan de rechter-commissaris had dienen voor te leggen en waarop artikel 359a Sv niet van toepassing, is. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou immers op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd.
In het feit dat er bij de aanhouding gehandeld is in strijd met de Ambtsinstructie ligt besloten dat er sprake is, geweest van een onrechtmatige aanhouding. Dit vormverzuim is bij toetsing door de rechter-commissaris niet aangevoerd maar had daar wel aangevoerd kunnen worden. Op dit vormverzuim is naar het oordeel van het hof artikel 359a Sv daarom niet van toepassing.
Ten overvloede merkt het hof op dat ingeval hier wel sprake zou zijn van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet in aanmerking komt als sanctie. Schending van het recht op lichamelijke integriteit of schending van het vertrouwen in de politie door het vormverzuim, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, maakt niet dat er geen sprake meer is van een eerlijke berechting of dat het Wettelijk systeem in de kern is geraakt.
Ook strafvermindering zou niet aan de orde zijn, want het voor verdachte ontstane nadeel (letsel) gaat gecompenseerd worden door middel van een financiële tegemoetkoming via de lopende procedure bij de civiele rechter. Compensatie in de vorm van strafvermindering zou een dubbele compensatie betekenen.
(…)
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
(…)
Ten aanzien van het feit dat verdachte door de politie in zijn knie is geschoten, heeft het hof reeds overwogen dat het voor verdachte ontstane nadeel (letsel) gecompenseerd gaat worden door middel van een financiële tegemoetkoming via de lopende procedure bij de civiele rechter. Compensatie in de vorm van strafvermindering zou een dubbele compensatie betekenen en is naar het oordeel van het hof dan ook niet aan de orde.’
1.4
Het oordeel van het hof dat slechts van een responsie-plichtig op art. 359a Sv gestoeld verweer sprake is indien een gesteld vormverzuim ook bij de rechter-commissaris is aangevoerd ziet over het hoofd dat de rechter, indien het verweer wordt gevoerd dat zich een vormverzuim heeft voorgedaan en dat dit moet leiden tot een van de in art. 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen, moet beoordelen of de aan dat verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden.1. Daarnaast staat het de rechter overigens zelfs vrij om — naar aanleiding van een verweer en ook ambtshalve — bij de straftoemeting in enigerlei mate rekening te houden met nadelige gevolgen voor de verdachte van de uitoefening van bevoegdheden tijdens de opsporing, ook als die gevolgen niet zijn veroorzaakt door een vormverzuim. De Hoge Raad heeft daarbij zelfs expliciet gewezen op geweldgebruik door de politie.2. De rechter-commissaris kan — anders dan de zittingsrechter — aan het door de verdediging gestelde vormverzuim ook niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid of strafvermindering verbinden.3. Gelet hierop getuigt de verwerping van het verweer dan ook van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk.4.
1.5
Ten aanzien van het kennelijke oordeel van het hof dat bij de zittingsrechter niet (meer) kan worden geklaagd over onrechtmatig geweldgebruik tijdens de toepassing van een (vrijheidsbenemend) dwangmiddel jegens de verdachte hetgeen volgens de verdediging moet leiden tot strafvermindering omdat dergelijke klachten kunnen worden aangebracht in andere procedures, geldt volgens vaste jurisprudentie dat deze opvatting van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.5. Voorts schiet het oordeel van het hof, dat strafvermindering niet aan de orde zou zijn, omdat het voor verdachte ontstane nadeel (letsel) ‘gecompenseerd’ zou worden door middel van een financiële tegemoetkoming via de lopende procedure bij de civiele rechter’ en ‘compensatie in de vorm van strafvermindering een ‘dubbele compensatie’ zou betekenen te kort indien al aangenomen kan worden dat het hof bedoeld heeft niet de opvatting van een ander of anderen weer te geven maar zijn eigen overwegingen/oordelen.6.Daar komt nog bij dat ten tijde van het wijzen van het arrest de civiele rechter nog geen daadwerkelijk schadebedrag heeft toegekend/vastgesteld.
1.6
Op grond van het bovenstaande kan het arrest niet in stand blijven.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 6 EVRM, 29, 359 jo. 415 Sv, en wel omdat (beknopt weergegeven) het hof het verweer/U.O.S. dat de verdachte niet de gebruiker is van de aangetroffen pgp-telefoon op ontoereikende gronden heeft verworpen.
Het arrest, althans de bewezenverklaring (van alle feiten) kan dan ook niet in stand blijven.
Toelichting
2.1
Aan verdachte is een aantal feiten tenlastegelegd. Met betrekking tot de telefoon heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2023 het volgende verklaard:
‘U vraagt mij of ik de gebruiker ben van de BQ Aquarius telefoon. In overleg met mijn advocaat hebben wij besloten om daarover niets te zeggen.
(…)
Ik zeg ook niets over de BQ Aquarius telefoon.’
2.2
De raadsvrouw van de verdachte mr. M. Schmit te Rotterdam, heeft ten aanzien van deze telefoon het volgende verweer gevoerd (pleitnota7., overleg en voorgedragen ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2023):
‘Gebruik BQ Aquarius
- 52.
Uw Hof heeft tijdens, de feiten bespreking cliënt een aantal keren gevraagd naar de BQ Aquarius. Daarop wilde cliënt geen antwoord geven. Dat is niet bepaald vreemd te noemen. Als ook door medeverdachten in hun zaken verklaard, werden telefoons nogal eens onderling geleend/gebruikt. Cliënt wil over niemand iets verklaren, behalve over zichzelf. De stelling van het OM dat de BQ volledig aan cliënt kan worden toegeschreven, kan in appèl geen stand houden.
- 53.
Dat cliënt de BQ bij zich had op de dag van de aanhouding staat vast. De rechtbank benoemt in zijn vonnis vervolgens een aantal omstandigheden die kunnen bevestigen dat cliënt de enige gebruiker is van de BQ.
Shotgun
- 54.
Allereerst een chatgesprek van 22 februari 2020 met ‘[bijnaam 1]’, waarin wordt gesproken over een shotgun. Deze chat zou in de uitwerking van politie vervolgens op delen overeenkomen met deze chat. Opvallend is echter dat de schrijftolk het woord ‘shotgun’ in het hele gesprek juist niet hoort. En, mocht het OM met het weerwoord komen dat de schrijftolk kennelijk niet de juiste apparatuur heeft en om die reden dit niet heeft gehoord, dan heeft daarvoor te gelden dat de schrijftolk juist een zeer minutieuze uitwerking heeft opgesteld en derhalve niet kan worden gesteld dat de schrijftolk (vanwege gebrekkige apparatuur) dit onderdeel ‘toevallig’ of ‘per ongeluk’ niet heeft gehoord. In de voetnoot van de pleitnotities (voetnoot 24) heb ik het deel dat synchroon loopt tussen de uitwerking van de schrijftolk, nummer 69, en die van politie onder elkaar in gekopieerd.
Juist op het punt van de shotgun is de ondersteuning dus niet te vinden. Dat betekent dat op dit punt dus geen sprake is van enige bevestiging dat de gebruiker van de BQ (ook) spreekt over een shotgun in de Kringloopwinkel (vermeend cliënt).
- 55.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat met ‘compagnon’ wel bedoeld moet zijn dat dit [medeverdachte 4] is, met wie cliënt de Kringloopwinkel heeft (49/50%). Maar deze aanname is zeer kort door de bocht. Uit geen andere omstandigheid blijkt dat dit ziet op [medeverdachte 4] of op cliënt.
[a-plaats]/[b-plaats]
- 56.
De rechtbank is daarnaast onterecht voorbijgegaan aan het onderbouwde verweer ten aanzien van de aanwezigheid in [a-plaats]. Zoals bekend, zijn peilbakenspaallocaties niet altijd tot op de meter nauwkeurig. Maar een afstand van 8 kilometer is een te grote afstand dat hieraan niet voorbij kan worden gegaan. Het aanstralen van een telefoonnummer dat aan cliënt wordt toegeschreven ([telefoonnummer 1]) op 26 februari 2020 om 21.02 uur op de Op de [b-straat 1] te [b-plaats] gekoppeld wordt aan een het bericht op de BQ van 27 februari 2020 om 10.51 uur gekoppeld. Een chatbericht in de ochtend van 27 februari 2020 dat iemand ‘weg is’ en ‘met spoed naar [a-plaats] moest’ betekent geenszins dat het aanstralen van een telefoon op de avond van 26 februari 2020 in [b-plaats] betekent dat degene die het bericht stuurt, ook degene is die in [a-plaats] is geweest. En dus ook niet dat de BQ aan cliënt (volledig) kan worden toegeschreven.
Observatie
- 57.
De rechtbank vindt ook bevestiging in de stelling dat cliënt gebruiker is van de BQ in het feit dat in die BQ een chatbericht wordt aangetroffen waarin wordt gesproken over het feit dat er een ‘stille’ wordt gezien in combinatie met de vaststelling dat ‘verdachte met [medeverdachte 4] in [c-plaats] is wanneer een lid van het observatieteam (OT) twee keer bij hen voorbij loopt’ Echter, zo heeft het OT het niet geverbaliseerd. Op pagina 320 van map 8, eind PV Ultegra, wordt enkel beschreven:
‘Uit telecom gegevens blijkt dat de telefoonnummers [telefoonnummer 2] ([medeverdachte 4]) en [telefoonnummer 1] ([verdachte]) met de T-roc meereizen. Op een gegeven moment wordt de T-roc leeg aangetroffen in een parkeergarage vlakbij
[c-straat 1] te [c-plaats].
‘Onze’ mannen hebben kennelijk in een restaurant gezeten waarbij iemand van het OT twee keer voorbij is gelopen. [naam 1] kwam naar buiten en liep een stuk achter deze persoon van het OT aan.‘ Van een waarneming van cliënt aldaar is dus geen sprake. Er wordt beschreven dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] kennelijk meereist, niet dat cliënt wordt gezien. Van een bevestiging dat cliënt in [c-plaats] is geweest noch dat hij vervolgens het chatbericht stuurt over ‘een stille’ is dus ook geen sprake.
Duitsland
- 58.
In map 8, pagina 320 wordt beschreven dat in een OVC gesprek te horen is dat [medeverdachte 4] zegt dat hij met cliënt in Duitsland is geweest. Uit deze beschrijving in combinatie met een chatbericht in de BQ dat de gebruiker de afgelopen nacht in Duitsland is geweest met zijn ‘compa’ leidt de rechtbank af dat dit (ook) bevestigt dat cliënt de gebruiker van de BQ is. Deze tap is echter niet uitgewerkt door de door uw Hof benoemde schrijftolk, terwijl dit gesprek wel onderdeel uitmaakt van de bewijsconstructie van de rechtbank. Ten eerste meent de verdediging dan ook dat dit gesprek niet kan bijdragen aan enig bewijs dat cliënt de gebruiker is van de BQ, gelet op de hiervoor gemaakte opmerkingen over de betrouwbaarheid/juistheid van de uitwerkingen van de taps en OVC's door politie. Ten tweede stelt de verdediging zich op het standpunt dat, mocht uw Hof aan het vorenstaande voorbij gaan, uit het door politie uitgewerkte OVC-gesprek in de Kringloop helemaal niets kan volgen, in ieder geval niet dat cliënt in Duitsland is geweest die avond ervoor. Het gesprek zou tweemaal door politie zijn beluisterd en tot tweemaal toe hoort men alleen aan het begin van een zin de naam ‘[betrokkene 1]’ en verder kan uit de opvolgende woorden in die zin niets worden opgemaakt over wat er nu besproken wordt over deze [betrokkene 1].
Was hij degene die niet kon terug rijden? Of — als alternatief — belde [betrokkene 1] en legt [medeverdachte 4] vervolgens uit dat de onbekende chauffeur niet kon terugrijden? Het is gewoonweg niet vast te stellen wat er nu precies over [betrokkene 1] wordt gezegd.
- 59.
Tot slot merk ik nog op dat als u zelf naar het OVC-gesprek luistert u dan hoort dat degene van wie wordt gezegd dat dit [medeverdachte 4] is spreekt over [betrokkene 2], over carnaval, een aardig feestje, dat ze overal zijn geweest en over corona. Vervolgens is wat gemurmel te horen waarna enkel het woord ‘Duitsland’ valt. Dat zegt dus niets over de aanwezigheid van cliënt in Duitsland en dus ook niet dat hij het bericht met de BQ heeft gestuurd. Sterker nog, het zou zeer goed [medeverdachte 4] kunnen zijn geweest, die het bericht met de BQ heeft gestuurd; die is namelijk naar zijn eigen zeggen (op de OVC) wel in Duitsland geweest.
[bijnaam 2]
- 60.
Ook in op de BQ gevonden bericht over het maken van een afspraak met ‘[bijnaam 2]’ en ‘[bijnaam 1]’ vindt de rechtbank bevestiging dat cliënt gebruiker is van de BQ, omdat wordt afgesproken ter hoogte van de [d-straat 1] (vader cliënt woonde op nr [2]) respectievelijk in [d-plaats]. Maar als het cliënt is die het bericht stuurt, waarom noemt hij dan niet [d-straat 2] (adres vader). Als je wil voorkomen dat men jou traceert, ga je dan 8 huisnummers (4 huizen verder) afspreken? Nee. Het kan bovendien ook niet worden uitgesloten dat een ander dit adres heeft opgegeven, daar in de buurt heeft afgesproken, omdat die persoon misschien ook bij cliënt langs zou gaan. Hoe dan ook onvoldoende om te concluderen dat cliënt de (enige) gebruiker is van de BQ.
- 61.
Daarbij komt dat de overweging van de rechtbank op het punt ‘[bijnaam 2]’ en ‘[bijnaam 1]’ voor verwarring zorgt; de rechtbank overweegt dat ‘meermalen een ontmoeting’ is afgesproken in [d-plaats]. Maar uit de berichten waar de rechtbank vervolgens in zijn voetnoot verwijst blijkt slechts dat één keer [d-plaats] wordt genoemd.
Uitlenen, gebruiken van andermans telefoon
- 62.
Daarnaast blijkt uit de verklaringen van alle medeverdachten in deze zaak — [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2], [medeverdachte 5] e.a. — dat telefoons met regelmaat onderling werden uitgewisseld, van elkaar werden gebruikt, uitgeleend etc. En ook uit de Telegram-berichten blijkt dat telefoons door anderen worden gebruikt; zo wordt gevraagd met wie wordt gesproken in Telegram. Dit valt dus ook niet uit te sluiten ten aanzien van de BQ Aquarius.
Wapenkenner
- 63.
Alsook in eerste aanleg aangehaald: ‘dat een ander de BQ gebruikt wordt ook ondersteund door het feit dat de gebruiker van de BQ op 24 februari 2020 laat in de avond aan ’[bijnaam 1]‘ stuurt morgen, voor de aankoop van een raketwerper, zijn maatje meegaat. Zijn maatje, de ‘wapenkenner’. Zoals u weet is verdachte [medeverdachte 3] de wapenkenner (heeft 8 jaar in het leger gezeten) en is hij al van kleins af aan goede vrienden met [medeverdachte 4]. Cliënt kent hij amper, zo verklaart [medeverdachte 3] bij de RC en bij de politie. En die wapenkenner is een vriendje van medeverdachte [medeverdachte 4], niet van cliënt. Dus dit betekent dat niet cliënt, maar [medeverdachte 4] dit bericht wel moet hebben gestuurd.’
Prima facie case
- 64.
De constatering van de rechtbank dat bij gebrek aan een aannemelijk en controleerbaar alternatief scenario de BQ telefoon aan cliënt kan en mag worden toegeschreven kan niet in stand blijven. Allereerst heeft de verdediging reeds in eerste aanleg, maar ook in appèl een voldoende aannemelijk en verifieerbaar alternatief scenario voorgehouden. Ten tweede is de overweging van de rechtbank dat, nu cliënt geen nadere verklaring over de telefoon wil afleggen, en om die reden geen sprake is van een aannemelijk en controleerbaar alternatief scenario een onjuiste. Dat zou immers een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 6 EVRM opleveren. Gelet op de hiervoor besproken feiten en omstandigheden (punt 51 tot en met 63) kan niet worden gesproken van een ‘prima facie case’.
De door de verdediging weerlegde ‘bewijsmiddelen’ leveren namelijk niet een bewijsconstructie op waarvan kan worden gezegd dat de ten laste gelegde feiten reeds op basis daarvan als bewijsbaar kunnen worden geacht en dat de situatie ‘schreeuwt’ om een nadere uitleg. Ik wijs u in dit kader op de uitspraak van het Europese Hof in de zaak Murray t. Verenigd Koninkrijk en in de zaak Krumpholz t. Oostenrijk.’
2.3
In het arrest heeft het hof de tenlastegelegde feiten bewezen verklaard. Het hof heeft aangaande en kennelijk naar aanleiding van het gevoerde bewijsverweer, het volgende overwogen (p. 14 ev):
‘Algemeen
Telefoongebruik
Door enkele verdachten in het onderzoek Ultegra is verklaard dat zij en hun medeverdachten hun telefoons regelmatig uitleenden dan wel uitwisselden en dat de daarmee gevoerde gesprekken en/of uitgewisselde informatie daarom niet van de bezitter/eigenaar van de telefoon/het telefoonnummer afkomstig behoeven te zijn.
Het hof acht dit niet aannemelijk geworden. In het dossier is een enorme hoeveelheid telefoongesprekken en met telefoons verstuurde en ontvangen berichten weergegeven. In die gesprekken wordt niet gevraagd met welke persoon men nu in gesprek is. Kennelijk weten de onderscheiden gebruikers meteen met wie men aan het communiceren is en dus wie bij welk telefoonnummer/telefoon hoort. Daar bestaat geen enkele onduidelijkheid over. Daarom gaat het hof er vanuit dat de bezitter/eigenaar van een telefoon ook de gebruiker ervan is, tenzij het tegendeel blijkt.
Gebruiker van de telefoon BO Aquarius X2
Door de politie wordt waargenomen dat [verdachte] op 27 februari 2020 als bestuurder in een VW-T-ROC in [e-plaats] rijdt. [verdachte] zit alleen in de auto. Hij wordt aangehouden en in deze auto wordt een ontgrendelde PGP-telefoon (BQ Aquarius X2) aangetroffen. [verdachte] heeft geen verklaring willen afleggen over het gebruik van de BQ Aquarius. Hij heeft ter zitting van het hof op 14 juni 2023 wel verklaard dat de VW T-ROC zijn auto was.
Gelet op het feit dat deze telefoon in ontgrendelde toestand bij [verdachte] in het bezit is in zijn auto waar alleen hij op dat moment in aanwezig was, gaat het hof er vanuit dat het zijn telefoon is. Er zijn geen aanwijzingen dat de telefoon van iemand anders zou zijn. Het hof stelt derhalve vast dat de inhoud van deze telefoon aan [verdachte] is toe te schrijven.’
2.4
Het hof heeft het gebruik van de bewuste pgp-telefoon in de gehele bewezenverklaarde periode op het conto van de verdachte geschreven, op de enkele grond dat deze onvergrendelde telefoon is aangetroffen bij zijn aanhouding in de auto. Daarbij heeft het hof tevens meegewogen dat de verdachte over de telefoon niets heeft willen zeggen. Dit, afgezet tegen hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht over contra-indicaties dat de verdachte niet de gebruiker is van de telefoon (te weten, verkort weergegeven: door medeverdachten in hun zaken is verklaard dat telefoons nogal eens onderling werden geleend/gebruikt en uit de Telegram-berichten blijkt dat telefoons door anderen worden gebruikt; ten aanzien van een chatgesprek van 22 februari 2020 op het punt van de shotgun de ondersteuning niet is te vinden; de rechtbank onterecht is voorbijgegaan aan het onderbouwde verweer ten aanzien van de aanwezigheid in [a-plaats] nu een afstand van 8 kilometer een te grote afstand is dat hieraan niet voorbij kan worden gegaan; de bevestiging in de stelling dat verdachte gebruiker is van de BQ in het feit dat in die BQ een chatbericht wordt aangetroffen waarin wordt gesproken over het feit dat er een ‘stille’ wordt gezien in combinatie met de vaststelling dat ‘verdachte met [medeverdachte 4] in [c-plaats] is wanneer een lid van het observatieteam (OT) twee keer bij hen voorbij loopt juist niet uit dat verslag blijkt; uit het door politie uitgewerkte OVC-gesprek in de Kringloop helemaal niet kan volgen dat verdachte in Duitsland is geweest; dat een ander de BQ gebruikt ook wordt ondersteund door het feit dat de gebruiker van de BQ op 24 februari 2020 laat in de avond aan ’[bijnaam 1]’ stuurt morgen, voor de aankoop van een raketwerper, zijn maatje meegaat en daarmee verdachte [medeverdachte 3] de wapenkenner (heeft 8 jaar in het leger gezeten) wordt bedoeld die al van kleins af aan goede vrienden is met [medeverdachte 4] terwijl hij verdachte amper kent) zodat [medeverdachte 4] het bericht moet hebben verstuur) en dat nog geen sprake is van een situatie waarin van verdachte mag worden verlangd een aannemelijke en controleerbare verklaring te geven ten aanzien van de telefoon. Gelet hierop is het verweer op ontoereikende gronden verworpen. Daarom kunnen de beslissingen ter zaken van het onder 1 (kort gezegd deelneming aan een criminele organisatie), 2 (kort gezegd wapenhandel) en 4 (kort gezegd bezit wapens) bewezenverklaarde niet in stand blijven.
2.5
Nu de verdachte niet als eigenaar van de pgp-telefoon kan worden aangemerkt, staat ook de verbeurdverklaring ervan op lossen schroeven. Hiervan is geen apart middel geformuleerd omdat de verdachte bij een dergelijk middel geen belang heeft: het is immers niet zijn telefoon.
Middel III
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de artt. 359 jo. 415 Sv en 140 Sr, en wel omdat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het verdachte heeft deelgenomen aan organisatie die als oogmerk heeft gehad het plegen van (verkort zakelijk weergegeven) wapenwetdelicten en fraude en geweldsdelicten zodat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed.
Toelichting
3.1
Aan verdachte is een aantal feiten tenlastegelegd, waaronder deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van delicten, te weten wapenhandel, wapenbezit, fraude en geweldsdelicten. De raadsvrouw van de verdachte mr. M. Schmit te Rotterdam, heeft ten aanzien daarvan onder meer aangevoerd (pleitnota8., overleg en voorgedragen ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2023):
- ‘108.
Als beschreven in map 1 (CSV) wordt cliënt in oktober 2019 partner in de Kringloopwinkel. Cliënt heeft hierover tijdens de feitenbespreking uitgelegd wat zijn doel was; zijn eigen bedrijf daarboven verder opstarten en ontwikkelen. Uit dit doel kan niet worden gedestilleerd dat hij bekend was met de handel en wandel van anderen en daarmee kan ook zijn opzet op het doel tot het plegen van strafbare feiten niet worden bewezen.’
3.2
Ten laste van de verdachte is onder bewezenverklaard dat:
- ‘1.
hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 27 februari 2020 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk telkens het plegen van
- —
internationale wapenhandel, als bedoeld in artikel 14, lid 1 van de Wet wapens en munitie, namelijk het zonder consent doen binnenkomen of doen uitgaan van diverse wapens en munitie van categorie II en III van en naar het buitenland, en
- —
wapenhandel, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, en artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, waarbij de wapenhandel onder andere bestond uit het zonder erkenning in de uitoefening, van een bedrijf ter beschikking stellen en verhandelen en overdragen van diverse wapens en munitie van categorie II en categorie III, en
- —
wapenbezit, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, en/of artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, namelijk het voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie II en categorie III, en
- —
fraude, als bedoeld in artikel 225 en artikel 321 en artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk verduisteringen oplichting, en
- —
geweldsdelicten, als bedoeld in artikel 285 en artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk bedreiging met dodelijk geweld en mishandeling.
- 2.
hij in de periode van 24 februari 2019 tot en met 27 februari 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, zonder erkenning wapens van categorie II en categorie III en munitie van categorie III, te weten
- —
op 24 februari 2020 vuurwapens van categorie II en/of III, te weten een Uzi-pistoolmitrailleur en een Tokarev TT33 (aankoop Amersfoort), en
- —
op 27 februari 2020 een automatisch vuurwapen van categorie II, namelijk een randvuur machinepistool Gorenje, MGV-176 met bijbehorende geluiddemper en 161-schots trommelmagazijn, kaliber .22 LR, en een vuurwapen van categorie II, namelijk een aanvalsgeweer Norinco 56-1, kaliber 7,62, dat geschikt is om automatisch te vuren en voorzien van een 30-schots patroonmagazijn van hetzelfde merk, en munitie van categorie III, namelijk een knalpatroon van het merk Geco, kaliber 9mm PA Blanc en een huls van het merk Igman, kaliber 9 mm (pseudokoop 27 februari 2020),
in de uitoefening van een bedrijf ter beschikking heeft gesteld en heeft verhandeld, van welk feit verdachte een gewoonte heeft gemaakt
- 4.
hij op 27 februari 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, wapens van categorie II en categorie III en munitie van categorie III, te weten
(pseudokoop 27 februari 2020)
- —
een automatisch vuurwapen van categorie II, namelijk een randvuur machinepistool Gorenje, MGV-1 76 met bijbehorende en werkende geluiddemper en een 161-schots patroonmagazijn (trommelmagazijn), kaliber .22 LR. en
- —
een vuurwapen wan categorie II, namelijk een aanvalsgeweer Norinco, 56-1, kaliber 7, 62x39 dat geschikt is om automatisch te vuren en voorzien van een 30-schots patroonmagazijn van hetzelfde merk, en
- —
munitie van categorie III. namelijk een knalpatroon van het merk Geco, kaliber 9mm P.A. Blanc en een huls van het merk Igman, kaliber 9x19 mm (pseudokoop 27 februari 2020), en
(woning [d-plaats])
- —
een vuurwapen van categorie III, namelijk een pistool CZ 99, kaliber 9mm para type 99 met bijbehorend patroonmagazijn, voorhanden heeft gehad.’
3.3
Het bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
‘Het onder I bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en van het in strijd met de wet verhandelen van wapens een beroep of gewoonte maken.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
met betrekking tot de munitie:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
met betrekking tot het machinepistool Gorenje en het aanvalsgeweer Norinco: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en, munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd
en
met betrekking tot het pistool CZ:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
3.4
Met betrekking tot de ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde op te leggen (maximum)straf heeft het hof onder meer overwogen:
‘een beroep of gewoonte maken’
Artikel 55, vierde lid, WWM luidt, voor zover in deze zaak van belang:
‘Met gevangenisstraf van: ten hoogste acht jaar of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft; hij die handelt in strijd met de artikelen 9, eerste lid, [….] en van het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren, uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van wapens of munitie een beroep of een gewoonte maakt.’
Het hof ziet zich hier voor de vraag gesteld hoe het ‘in de uitoefening van een bedrijf verhandelen van wapens’ als omschreven in artikel9, eerste lid, WWM zich verhoudt tot de strafverzwarende omstandigheid om van dit bedrijfsmatige strafbare verhandelen een beroep of gewoonte te maken‘ als omschreven in artikel 55, vierde lid, WWM. Deze strafverzwarende omstandigheid levert’ in casu een verdubbeling van het strafmaximum op. De wetgever heeft daarmee een groot verschil gemaakt tussen ‘verhandelen van wapens, in de uitoefening van een bedrijf’ (m.b.t. vuurwapens categorie 11 maximaal 4 jaar gevangenisstraf) en ’verhandelen van wapens in de uitoefening van een bedrijf en hiervan een beroep of gewoonte maken’ (maximaal 8 jaar gevangenisstraf).
De wetsgeschiedenis geeft geen invulling aan het begrip ‘beroep of gewoonte maken’ in het kader van artikel 55, vierde lid, WWM.
In het arrest van de Hoge Raad van 3 juli 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA5040) is voor de uitleg van het begrip een beroep maken van' als bedoeld in artikel 55, vierde lid, WWM aansluiting gezocht bij de Memorie van Toelichting die heeft geleid tot artikel 137c, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hieruit volgt dat het bij beroep gaat om ‘de wil om eenzelfde feit stelselmatig uit winstbejag of om in het onderhoud te voorzien, te begaan: Daarvoor kan één daad voldoende zijn, mits deze wijst op het vaste voornemen hetzelfde feit nogmaals te begaan met het oog op financieel gewin’.
Het hof is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte binnen zeer korte tijd tweemaal als medepleger betrokken was bij bedrijfsmatige, wapenhandel zonder vergunning (onderdeel Amersfoort en onderdeel Pseudokoop 2). Verdachte runt samen met [medeverdachte 4] de kringloopwinkel waar vanuit de betreffende wapenhandel wordt georganiseerd. Het handelen van de verdachte getuigt van stelselmatigheid en een vast voornemen om samen met zijn medeverdachten wapens te blij ven verhandelen uit winstbejag. Verdachte immers meldt [bijnaam 1] dat hij (ook) een raketwerper gaat kopen voor 2 kop.
Het hof is daarom van oordeel dat het handelen van de verdachte gekwalificeerd kan worden als een beroep of gewoonte maken van het bedrijfsmatig verhandelen van wapens als bedoeld in artikel 55, vierde lid, WWM.’
3.5
Ten aanzien van de onder feit bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie heeft het hof voor wat betreft de misdrijven die de organisatie als oogmerk heeft gehad en die niet de ‘internationale en nationale wapenhandel’ betreffen onder meer overwogen:
‘Fraude
Onderdeel Incassofraude
Uit gegevens van de Kamer van Koophandel (verder: KvK) blijkt dat [A] een eenmanszaak is op naam van [medeverdachte 2]. Het bedrijf is in de ten laste gelegde periode ingeschreven op het adres van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2], [e-straat 1] te [f-plaats]. De contactgegevens zijn: [telefoonnummer 3] en [e-mailadres].
Voor de inschrijving in het Handelsregister is € 65,00 betaald van rekening [rekeningnummer 1] op naam van [medeverdachte 2]. Op 3 juli 2018 is van het rekeningnummer van [medeverdachte 4] van € 75,00 gestort op het rekeningnummer van [medeverdachte 2]. Het bedrijf is geregistreerd op [datum] 2018 en opgericht op […] 2018.
[aangever 1] heeft op 5 november 2018 en 15 mei 2019 namens Rabobank Assen aangifte gedaan van oplichting, valsheid in geschrift en/of gekwalificeerde diefstal. [A] heeft op 27 juli 2018 een zakelijke rekening geopend met nummer [rekeningnummer 2]. Op 28 augustus 2018 heeft [medeverdachte 2] bij de Rabobank een incassocontract afgesloten. In september 2018 is door middel van valse incassobatches € 88.012.95 geïncasseerd van 20 rekeninghouders. Daarna zijn van de rekening van [A] contante geldopnames gedaan en bitcoins aangekocht. Doordat de meeste geïncasseerde bedragen zijn teruggeboekt, is op rekening van, [A] een ongeoorloofde debetstand ontstaan van € 48.248.96.200 [medeverdachte 2] is aangeschreven om dit aan te zuiveren, maar hij bleek onvindbaar.
Uit beveiligingsbeelden van pinautomaten blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] € 10.800,00 (bestaande uit 8 contante opnames: € 70,-, € 2.000,-, € 1.500,-, € 980,-, € 2.000,-, € 1.250,-, € 2.000,- en € 1.000,-) contant hebben opgenomen van de rekening van [A].207 Uit de rekeningafschriften blijkt verder dat:
- —
voor € 31.400,00 (bestaande uit 6 bitcoin aankopen: € 2.500,-, € 3.400,-, € 4.000,-, € 10.000,-, € 4.500,- en € 7.000,-) aan bitcoins is gekocht bij [C]:
- —
PayPal is opgewaardeerd met € 188,00;
- —
op 21 september 2018 € 5.000,00 is overgeboekt naar [rekeningnummer 3] ten name van [naam 2], en € 50,00 is overgeboekt naar [rekeningnummer 4] ten name van [naam 3].
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 4] in juni 2018 leerde kennen. [medeverdachte 4] vertelde hem dat hij een bedrijf op naam kon zetten. Dit heeft [medeverdachte 2] gedaan onder de naam [A]. Voorafgaand aan de inschrijving bij de KvK werd hij gedrild door [medeverdachte 4] over wat hij moest zeggen. Vooraf kreeg hij geld van [medeverdachte 4] voor die inschrijving. [medeverdachte 4] had bedacht om incasso's te sturen naar bedrijven. [medeverdachte 2] heeft toen de Rabobank gebeld voor een incasso-overeenkomst. [medeverdachte 4] instrueerde hem over het geschatte jaarinkomen van het bedrijf, te weten € 240.000.-. [medeverdachte 2] heeft de incasso-overeenkomst ondertekend en vervolgens incasso's verstuurd. Via Google heeft hij gezocht naar bedrijven en hun IBAN-nummer. Hij heeft daarvoor gebruik gemaakt van een geprepareerde laptop van [medeverdachte 4]. Het geld zou worden betaald en zou daarna worden opgenomen bij de bank. Als het bedrijf het er niet mee eens was, zou de bank dit geld aan het bedrijf terugbetalen. Zij spraken af dat het geld zou worden gedeeld. [medeverdachte 2] heeft op die manier tussen de € 20.000,- en € 30.000,- gepind en afgedragen aan [medeverdachte 4].
[medeverdachte 7] staat sinds [datum] 2019 ingeschreven pp het adres [f-straat 1] te [g-plaats]. Op dat adres staat ook [naam 4] ingeschreven. [D] BV is op [datum] 2019 opgericht met de contactgegevens: [f-straat 1] te [g-plaats].
[aangever 2] heeft op 24 april 2020 namens ABN AMRO Bank N.V. aangifte gedaan van oplichting gepleegd op 23 oktober 2019 en 1 november 2019. Op of omstreeks 23 april 20 19 heeft [D] B. V. (vertegenwoordigd door [medeverdachte 7]) bij de ABN AMRO Bank N.V. de zakelijke rekening [rekeningnummer 5] geopend. Op 1 augustus 2019 is met [medeverdachte 7] gesproken over de mogelijkheden voor een incasso-overeenkomst. [medeverdachte 7] heeft gesteld dat de omzet in 2018 een bedrag van € 250.0000,- bedroeg en de verwachting voor 2019 is circa € 300.000,-. De verwachting is 30 klanten per maand, die gemiddeld tussen de € 1.000,- en € 5.000,- besteden. Op 26 augustus 2019 is een SEPA-overeenkomst ondertekend, waarna de incasso-overeenkomst tot stand is gekomen.
Op 23 oktober 2019 is een incassobatch met 1 incasso-opdracht aangeleverd van € 3.699,80. Diezelfde dag hebben twee geldopnames plaatsgevonden voor in totaal € 3.500,00.
De incassobatch is afgekeurd, waardoor een debetstand op de rekening is ontstaan.
Op 1 november 2019 is de paslimiet verhoogd van € 5.000,00 naar € 9.000,00. Diezelfde dag is een incassobatch met 4 incasso-opdrachten aangeleverd van in totaal € 11.907,63. Diezelfde dag hebben er zes geldopnames plaatsgevonden voor in totaal € 8.480,00. Ook deze incassobatch is geheel afgekeurd, waardoor opnieuw een debetstand is ontstaan.
Uit de verklaringen van [medeverdachte 7] blijkt dat het bedrijf enkel zou worden gebruikt voor criminele doeleinden. Hij heeft [D] B.V. op naam genomen en bij de ABN AMRO Bank een zakelijke rekening geopend. Voorafgaand aan zijn detentie in de P.I. Lelystad heeft [medeverdachte 7] met [medeverdachte 4] gesproken ov er het oprichten van een bedrijf. Op 23 februari 2019 wordt [medeverdachte 7] door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] opgehaald uit de P T. Lelystad.
Op 25 februari 2019 zitten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] in de Audi A4 ([kenteken 1]). Hun gesprek is afgeluisterd en uitgewerkt. Vanaf 13.01 uur instrueert [medeverdachte 2] [medeverdachte 7] over het plegen van fraude middels zijn bedrijf. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] bespreken de zakelijke aanvragen bij banken. [medeverdachte 7]: ‘Ik heb dus straks meerdere pasjes. Houden jullie die of hoe gaat dat?’
[medeverdachte 2]: ‘Die pasjes bewaar ik waarschijnlijk. Er als er geld komt dan is het gedeeldheid. (…) En dan worden dingen omgezet in Bitcoin. (…) Je kan maar zoveel duizend per dag pinnen.’
Omstreeks 14.48 uur belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 4] en koppelt terug wat hij en [medeverdachte 7] hebben gedaan in [g-plaats] en welke post er was. De laatste KvK-papieren waren vorige week al gekomen.
Later die dag in de Audi A4 vertelt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 7] dat eerst een zakelijke rekening geopend moet worden, daarna is een SEPA-machtiging nodig, en dan kunnen er zelf incasso's worden verzonnen. Je doet dat in één keer 10 keer tussen de 3.000 en 4.000 per batch. Overmorgen is het geld dan gestort. [medeverdachte 2] zegt: ‘We hebben het een paar weken gedaan. En het was zo dat op een gegeven moment [naam 1] zei dat we er mee gingen stoppen. Maar we gaan het zo aanpakken nu in plaats van die kleine beetjes dat we in een keer kanker veel kunnen pakken’.
's Avonds 25 februari 2019 zitten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 10] in de Audi A4. [medeverdachte 7] vertelt dat hij de volgende dag een afspraak bij de bank heeft. [medeverdachte 7] zegt dat tegen hem is gezegd dat ze: € 10.000,00 per week kunnen pinnen en dat ze dit doen totdat ze erachter komen na drie tot vijf maanden.
Op 28 augustus 2019 omstreeks 14.30 uur is [medeverdachte 6] in [h-plaats] (Duitsland) gecontroleerd als bestuurder van zijn Audi A4. Vanuit die auto neemt de politie een schoudertas in beslag met onder meer een laptop (Acer), een telefoon (Alcatel) en diverse administratie en bankpassen, die onder meer op naam staan van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 7] Drankenhandel. Op de laptop zijn foto's aangetroffen van identiteitsbewijzen van [medeverdachte 7], [medeverdachte 11] en [medeverdachte 12], en een rapport jaarrekening 2017 [D] B.V. In de administratie is een envelop aangetroffen met de SEPA incasso-overeenkomst tussen [D] B.V. en ABN AMRO Bank. Op de envelop is geoefend voor het plaatsen van de handtekening van [medeverdachte 7].
Van der [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij deze laptop moest gebruiken voor fraudedelicten. Op de mobiele telefoon is onder ‘Passwords’ aangetroffen: WIFI Account: [wachtwoord].
Op 28 augustus 2019 omstreeks 18.19 uur belt [medeverdachte 6] met [medeverdachte 5]. Omstreeks 19.55 uur belt [medeverdachte 6] weer met [medeverdachte 5]. Omstreeks 20.46 uur belt [medeverdachte 4] met [medeverdachte 6]. De strekking van hun gesprekken is dat de politie ‘dat’ in beslag heeft genomen, dat die laptop terug moet komen, maar dat zij bij de politie niet kunnen gaan aantonen van wie die laptop is.
In chatgesprekken met het Telegram-account [account 1] (tussen 16 en 29 januari 2020) vertelt [medeverdachte 4] dat hij zakelijke passen heeft waarmee hij fraude laat doen en dat alles is gekoppeld aan bitcoin-accounts. Op 25 januari 2020 stuurt [medeverdachte 4] een audiobericht: ‘Deze passen zijn nog helemaal schoon. Er is nog niks mee gedaan. Die BV is ook nog schoon. Die BV ploft straks. Dat duurt een paar maand. In de tussentijd heb ik een paar passen over, ik gebruik zelf altijd maar 1 of 2 passen. Daarmee doe ik incassofraude. Die komen ook terug. Die andere passen zijn nog schoon. 100 procent schoon.’
Ook in gesprekken tussen [medeverdachte 4] en het Telegram-account [account 2] geeft [medeverdachte 4] aan dat hij passen heeft van verschillende banken op naam van verschillende bedrijven. [medeverdachte 4] doet dit al lang en heeft tonnen op zijn ‘btc’.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] samen hebben gewerkt bij het oplichten van diverse personen en bedrijven, waaronder de ABN AMRO bank en de Rabobank.
Het hof merkt op dat voor zover bovengenoemde gesprekken meerdere keren zijn uitgewerkt en de verschillende uitwerkingen niet exact woord voor woord overeenkomen, de uitwerkingen van de politie zijn gebruikt voor zover deze naar het oordeel van het hof voldoende overeenstemmen met de uitwerkingen, van de interceptietolken, mede bezien in het licht van het overige bewijs.
Onderdeel Verduisteren jacuzzi
Aangever [aangever 3] heeft namens [E] aangifte gedaan van verduistering van een jacuzzi. Vanaf 4 juli 2019 is aangever in contact met een persoon die zich [medeverdachte 7] noemt, wonend [f-straat 1] te [g-plaats], telefoonnummer [telefoonnummer 6] e-mailadres [e-mailadres 2]. Zij komen overeen dat de jacuzzi gehuurd wordt van 8 tot en met 15 juli 2019. De jacuzzi is op 8 juli 2019 afgeleverd op genoemd adres. Vier personen zijn daar aanwezig om de jacuzzi te ontvangen en de huur wordt betaald.
Op 15 juli 2019 om 11.00 uur komen medewerkers van [E] de jacuzzi weer ophalen op het afleveradres, maar die blijkt er niet meer te staan. De buurman deelt mee dat de jacuzzi kort na het afleveren is opgeladen om die naar elders te brengen. Het is niet meer gelukt met de huurder in contact te komen.
Uit de telefoontap blijkt dat [medeverdachte 2] op 4 juli 2019 contact opneemt met [E]. Van de [medeverdachte 2] vraagt of de mail in goede orde is ontvangen en bevestigt dat het gaat om de jacuzzi in [g-plaats]. Ook het gesprek na het tijdstip waarop de jacuzzi weer opgehaald zou worden, is gevoerd met [medeverdachte 2].
Uit peilbakengegevens blijkt dat de Mercedes Vito ([kenteken 2]) op 8 jul i 2019 om 17.00 uur in [g-plaats] is en omstreeks 19.00 uur bij de woning van [medeverdachte 4] op het [g-straat] te [h-plaats] arriveert. Uit camerabeelden blijkt dat de auto aan komt rijden met de jacuzzi op een aanhanger. De jacuzzi is uitgeladen.
In de periode juni-augustus 2019 woont [medeverdachte 6] bij [medeverdachte 4]. Op 17 juli 2019 post [medeverdachte 6] op Instagram foto's waarop hij met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] te zien is in een jacuzzi.
[medeverdachte 4] heeft de jacuzzi in februari 2020 nog aangeduid als zijn eigendom. De jacuzzi is bij zijn ouders op het erf aangetroffen.
[medeverdachte 7] heeft verklaard dat [D] enkel was opgericht om geld te verdienen en hij de zaak alleen op naam had staan. Hij wist dat er geen goede bedoelingen mee waren. Hij heeft bekend dat hij de jacuzzi heeft opgehaald in [g-plaats].
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat in ieder geval [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] samen hebben gewerkt bij de verduistering van de jacuzzi van aangever [aangever 3].
Geweldsdelicten
Onderdeel [i-plaats]
Op grond van camerabeelden, peilbakengegevens, tapgesprekken en ovc-opnames, mutatierapport van de politie, verklaring van [medeverdachte 6] en de aangifte van [aangever 4] blijkt het volgende.
Op 30 juli 2019 omstreeks 01.53 uur zijn [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 13] en [medeverdachte 6] aanwezig op de oprit van [medeverdachte 4] aan het [g-straat 1] te [h-plaats]. Om 01.57 uur vertrekken vanaf dat adres de Mercedes Vito met kenteken [kenteken 2]2 en de Audi A4 met het Servische kenteken [kenteken 3] (in gebruik bij [medeverdachte 6]).
De Mercedes Vito stopt om 03.50 uur op een parkeerplaats langs de A27 voor Gorinchem. Uit het in de auto gevoerde afgeluisterde gesprek tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] blijkt dat [medeverdachte 6] niet precies weet wat zijn taak is. Zeven minuten later gaat de Mercedes Vito weer rijden om vervolgens om 04.49 uur te parkeren op een carpoolplaats nabij Gilze Rijen. De Audi A4 keert om 06.30 uur terug aan het [g-straat] 1, waar dan in elk geval [medeverdachte 5] en [medeverdachte 13] uit de auto stappen.
Op 30 juli 2019 om 21.37 uur vertrekken [medeverdachte 5], [medeverdachte 13] en [medeverdachte 6] in de Audi A4 vanaf het [g-straat 1]. [medeverdachte 4] doet hen uitgeleide.
Om 21.50 uur belt [medeverdachte 7] naar [medeverdachte 5]. [medeverdachte 7] zegt dat [medeverdachte 6] ‘emo’ moet downloaden en dat hij een half uur voordat ze er zijn [medeverdachte 4] moet bellen. Dan stuurt die het adres.
Op 31 juli 2019 omstreeks 02.30 uur is op de beelden van de observatiecamera te Gilze Rijen te zien dat een Audi, gelijkend op de Audi A4, naast de Mercedes Vito parkeert. Een persoon met een signalement, passend bij het signalement van [medeverdachte 6], loopt naar de zijdeur van de Mercedes Vito en pakt een donkere tas uit het achtergedeelte. De tas wordt overgedragen aan een ander, wiens signalement past bij dat van [medeverdachte 13]. De man met het signalement van [medeverdachte 6], stapt in aan de passagierskant in de Mercedes Vito, waarna de Mercedes Vito wegrijdt naar een parkeerplaats in [i-plaats]. Om 03.19 uur is de Mercedes Vito op de [h-straat] te [i-plaats]. Om 03.32 uur stapt [medeverdachte 5] in de Mercedes Vito en vraagt aan een ander waarom diegene zo hard loopt. Om 03.34 uur is de Mercedes Vito geparkeerd op enkele minuten rijden van het woonwagenkamp aan de [h-straat].
Om 5.37 uur staan [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] te wachten op de oprit van het [g-straat 1]. Om 5.41 uur arriveert de Audi A4 met [medeverdachte 5], [medeverdachte 13] en [medeverdachte 6]. Zij spreken nog even met elkaar.
Op 1 augustus 2019 om 0 1.22 uur vertrekt de Audi A4 vanaf het [g-straat 1] met drie personen, waaronder [medeverdachte 5]. Om 03.45 uur wordt de Mercedes Vito, die nog steeds geparkeerd staat in [i-plaats], geopend en zijn fluisterende stemmen te horen, van in elk geval [medeverdachte 5]. Om 04.00 uur wordt de Mercedes Vito gestart en is ook de stem van [medeverdachte 13] te horen.
Om 05.46 uur is de Audi A4 met, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] weer retour op het [g-straat] 1. Om 06.11 uur arriveert daar ook de Mercedes Vito.246
Op 1 augustus 2019 om 9.42 uur is melding gedaan van een hele harde knal die nacht omstreeks 04.00 uur aan de [h-straat] te [i-plaats]. Volgens de melder zijn daar drie auto's beschadigd geraakt. Verbalisanten nemen ter plaatse de schade op. Op diverse plekken worden inslagen gezien, waaronder in de voorzijde van de woning van perceel 85. Van een grijze VW Polo (kenteken [kenteken 4]) zijn twee banden aan de rechterkant lekgeslagen. Ook zijn inslagen geconstateerd bij een rode Peugeot 108 ([kenteken 5]) en een grijze VW Golf([kenteken 6]).24 Uit de aangifte van [aangever 4], eigenaar van de rode Peugeot 108, blijkt dat zijn auto op 31 juli 2019 omstreeks 13.00 uur nog in goede staat verkeerde.
Uit ovc-gesprekken van 1 augustus 2019 tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] blijkt onder meer:. [medeverdachte 6]: ‘zag je mij daar… toen ik gooide … als ik die zwaai maakte en dat gooide 45. (…) daarna hebben ze iets gevonden… vanochtend… en… ik kwam en maakte een zwaai … ik kon dat niet zo ver genoeg gooien … ik sprong een aantal keer op … op een been … om dat te gooien … en Poef! (…) Ik maakte een zwaai en … Toef! Ik gooide het! (…).Ik kon niet slapen … van die knal en van dat witte … (…) ik pakte de krant … Toen kwam die van ons … ik zag, dat die ene schreef drie mannen …. Verdomde Kerel!… ik zie… staat granaat geschreven … je weet wel? (…) Wat is dat nu? Waar zagen ze drie? Het zon toch niet zo zijn .dat ze iets hebben door gekregen.’
[medeverdachte 6] zegt later in hetzelfde gesprek: ‘Maar we gingen, broeder … zelfs erg laat in de avond … we gingen met onze auto's …’
In een afgeluisterd gesprek op 3 augustus 2019 tussen [medeverdachte 6] en zijn vriendin vertelt [medeverdachte 6] onder meer dat hij van het rennen helemaal buiten adem was. [medeverdachte 6] zegt: ‘Er was ooit iets…ik, [medeverdachte 5] (hof (roepnaam van [medeverdachte 5]), [medeverdachte 14]… eerst was er een optie om Pop … eerst zoude [medeverdachte 5] en [medeverdachte 14] op een motor aan komen rijden… toe … en gassen maar! Maar het was niet zo eenvoudig want achter het huis van die man was een enorm bos.’ [medeverdachte 6] vertelt dat hij toen heeft gezegd: ‘laat mij maar, ik zal het doen!’. [medeverdachte 6] vertelt vervolgens dat [medeverdachte 5] bang was voor camera's, maar dat kon [medeverdachte 6] niets schelen. ‘Ik heb toen gezegd: een muts aan en een helm er overheen, de kraag helemaal omhoog, handschoenen aan — er is niemand die mij kan herkennen. Er is geen enkel detail die zij aan mij kunnen herkennen. (…) Toen zei ik: we gooien het in het huis, bij die man door het raam… maar hij zegt tegen mij: ‘we gaan niemand doden, hoor, alleen om ze bang te maken,,. ’ hahaha (…) Wat maakt het mij nu uit: zelfs als er iemand in het huis zou zitten, wat dan, het laat me volkomen koud.’
Plet hof merkt op dat bovengenoemde inhoud van de ovc-gesprekken meerdere keren is uitgewerkt en dat de verschillende uitwerkingen niet exact woord voor woord overeenkomen, maar dat de uitwerkingen van de politie zijn gebruikt voor zover deze naar het oordeel van het hof voldoende overeenstemmen met de uitwerkingen van de interceptietolken, mede bezien in het licht van het overige bewijs.
Uit het bovenstaande stelt het. hof de volgende gang van zaken vast.
De Mercedes Vito is eerst door verschillende personen gezamenlijk naar Gilze Rijen gebracht op 30 juli 2019. Op 31 juli 2019 is de Mercedes Vito vervolgens verplaatst en heeft [medeverdachte 4] het adres van het woonwagenkamp aan [medeverdachte 6] en anderen gestuurd. Daarna is de omgeving van het woonwagenkamp verkend en is besproken hoe op 1 augustus 2019 het explosief gegooid zou worden, wie dat zou doen en hoe zij zouden wegkomen. In de nacht van 1 augustus 2019 hebben [medeverdachte 6], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 13] een explosief voorhanden gehad in [i-plaats] en deze daar laten ontploffen.
De inhoud van de gesprekken komt overeen met de situatie ter plaatse in [i-plaats], te weten het bos naast het woonwagenkamp en komt ook overeen met de werkwijze in de nacht van 1 augustus 2019. Ook benoemt [medeverdachte 6] in de gesprekken nadien een ‘granaat’ en later de dodelijke kracht daarvan. [medeverdachte 5] heeft ook gewaarschuwd hier niet over te spreken.
Uit het bovenstaande leidt het hof af dat in de nacht van 1 augustus 2019 [medeverdachte 6], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 13] samen op pad zijn gegaan met een explosief en dit explosief hebben laten ontploffen bij het woonwagenkamp in [i-plaats] om iemand daar bang te maken, waardoor drie auto's en een gevel van een woning zijn beschadigd.
Onderdeel mishandeling en bedreiging [aangever 5].
[aangever 5] doet op 20 augustus 2018 aangifte bij de politie en verklaart dan dat het volgende is gebeurd:
Hij, [aangever 5], wonende [i-straat] te [j-plaats], is op 20 augustus 2018 in zijn woning. Omstreeks 17.15 uur doet hij de deur open en ziet hij de hem bekende [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] voor zijn deur staan. Hij krijgt van beide mannen direct vuistslagen op zijn hoofd en schoppen tegen het been. [medeverdachte 4] loopt daarna naar de auto en komt daarna, teruglopen met een vuurwapen in zijn hand. Tijdens het lopen laadt [medeverdachte 4] het wapen door en roept meerdere keren: ‘ik maak je dood’. Daarna richt [medeverdachte 4] het vuurwapen op [aangever 5] buik en zegt weer: ‘ik maak je dood’. [medeverdachte 4] zegt ook nog dat [aangever 5] iets met die pas moet regelen. Daarmee doelt [medeverdachte 4] op de tankpas die hij aan [aangever 5] te leen heeft gegeven.
Een dag later legt [aangever 5] een gedetailleerdere verklaring af. [aangever 5] zegt dat hij meteen bij het naar buiten stappen klappen kreeg van [medeverdachte 4], namelijk twee vuistslagen in het gezicht. [medeverdachte 5] sloeg hem drie of vier keer met de vuist in het gezicht. Dit doet [aangever 5] pijn en boven het linker oog heeft hij een bult. De verbalisant ziet deze bult ook. [medeverdachte 5] trapte vervolgens tegen het linker scheenbeen van [aangever 5]. De verbalisant constateert een verwonding aan dat scheenbeen. [aangever 5] herhaalt dat [medeverdachte 4] een vuurwapen uit de auto pakte en dit tijdens het lopen doorlaadde. [medeverdachte 4] stond daarbij voor hem en richt het wapen op zijn buik en roept meermalen: ‘Ik maak je dood’. [aangever 5] is erg bang.
Getuige [getuige 1] ziet op 20 augustus 2018 omstreeks 17.15 uur een fysieke interactie als hij langs de woning van [aangever 5] rijdt. Hij ziet dat de hem bekende [medeverdachte 4] en een andere man [aangever 5] slaan en schoppen. De mannen nemen een dreigende houding aan tegenover [aangever 5]. [aangever 5] is zeker zes keer geslagen en geschopt door beide mannen.
[aangever 5] heeft een beveiligingscamera bij zijn woning actief De daarmee gemaakte opnames zijn door [aangever 5] aan de politie gegeven. Verbalisant [verbalisant 1] neemt het volgende waar bij het bekijken van de camerabeelden die zijn gemaakt op 20 augustus 2018 omstreeks 17:15 uur:
Er staat een auto op de oprit van [aangever 5] geparkeerd. De man die [medeverdachte 5] wordt genoemd door [aangever 5] staat buiten en steekt een sigaret op. [medeverdachte 4] lijkt iets uit de auto te pakken en loopt richting [aangever 5] voordeur. Daarna maakt [medeverdachte 5] een schoppende beweging richting de woning, wat klinkt alsof hij tegen de voordeur schopt. Daarna maakt [medeverdachte 5] een slaande beweging in diezelfde richting. Daarna zegt [medeverdachte 4]: ‘Luister, ik maak je dood’. [medeverdachte 5] wijst naar de camera en zegt: ‘Bel de politie en je gaat er aan’.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] samen [aangever 5] hebben mishandeld en bedreigd met de dood en daarbij nauw en bewust hebben samengewerkt.
Mensenhandel/uitbuiting
Uitbuiting van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] is tenlastegelegd aan twee medeverdachten. Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten in het dossier om vast te stellen dat het oogmerk van de criminele organisatie ook gericht was op uitbuiting in het algemeen dan wel in het bijzonder op uitbuiting van Van der [medeverdachte 2] of [medeverdachte 7].
Samenwerkingsverband met een zekere structuur en duurzaamheid
Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat er sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur.
Het hof stelt vast dat er een vaste kern was, bestaande uit [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], waar zich anderen in wisselende samenstellingen bij aansloten in verband met het plegen van de misdrijven: wapenhandel, wapenbezit, fraude, bedreiging en geweld. De samenstelling van de organisatie wijzigde in de loop der tijd, maar de vaste kern ([medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]) bleef hetzelfde.
De structuur komt mede tot uiting in de relaties die de diverse deelnemers met elkaar hadden waarbij uiteenlopende aspecten van de gepleegde en te plegen misdrijven (wapenhandel, wapenbezit, fraude, bedreiging en geweld) steeds terugkerende onderwerpen van gesprek waren.
De woning van [medeverdachte 4] is eerst de centrale locatie van het samenwerkingsverband. Dit is de uitvalsbasis en het centrale ontmoetingspunt waar de deelnemers vaak zijn en waaide plannen worden gesmeed. Later is de Kringloopwinkel in [h-plaats] het centrale ontmoetingspunt en de uitvalsbasis.
De loods aan de [j-straat] in [k-plaats] is de opslagplaats van de organisatie, waar wapens, explosieven en andere zaken betreffende de criminele activiteiten, werden bewaard voor later gebruik of verkoop.
Oogmerk van de organisatie
Gelet op de op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen van de door de criminele organisatie gepleegde misdrijven, blijkt dat de organisatie zich op gestructureerde, stelselmatige en planmatige wijze bezig heeft gehouden met internationale wapenhandel, nationale wapenhandel, wapenbezit, fraude, bedreiging en geweld. Hieruit blijkt dat het oogmerk van de organisatie op het plegen van deze misdrijven was gericht.
Rolverdeling binnen de organisatie
Wat betreft de rolverdeling binnen de organisatie kan worden vastgesteld:
- —
dat [medeverdachte 4], het initiatief en de leiding neemt en leden voor de organisatie werft: — dat [medeverdachte 5] mede betrokken is bij de planning en degene is die bijna altijd meedoet bij de uitvoering van de plannen (door de politie als de wegkapitein bestempeld):
- —
dat [medeverdachte 3] de wapenspecialist is en wordt ingezet als zijn expertise nodig is bij een klus (maken van ontstekers (met tijdsmechanisme) herstellen van wapens):
- —
dat [medeverdachte 8] de contactpersoon met en in Kroatië is bij de internationale wapenhandel:
- —
dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 7], [medeverdachte 6] en [verdachte] betrokken zijn bij de planning en uitvoering van misdrijven.
Aandeel van [verdachte] in de organisatie
Het hof komt bij [verdachte] tot een bewezenverklaring van feit 2 (wapenhandel in Nederland: Amersfoort en Pseudokoop 2) en feit 4 (het voorhanden hebben van wapens (Pseudokoop 2 en woning [d-plaats]),
Uit de camerabeelden van de woning van [medeverdachte 4] aan het [g-straat], blijkt dat [verdachte] op 25 juni 2019 daar hartelijk wordt begroet door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]. Vanaf 7 juli 2019 komt [verdachte] daar vrijwel dagelijks.
Per 1 januari 2020 is de kringloopwinkel in [h-plaats] verhuurd aan [medeverdachte 4]. [verdachte] is voor 49% en [medeverdachte 4] voor 51% aandeelhouder van deze kringloopwinkel.
Uit de camerabeelden van de kringloopwinkel blijkt dat [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [verdachte] hier vaak aanwezig zijn.
Op 12 januari 2020 belt [medeverdachte 4] naar [verdachte] en zegt hem dat hij vlug moet komen. Er moet iets besproken w orden over die Belg. [verdachte] draait meteen om en komt eraan.
Op 5 februari 2020 zijn [medeverdachte 5] en [verdachte] in de kringloopwinkel. Zij bellen 's middags met [medeverdachte 4]. De telefoon staat op de speakerstand. [medeverdachte 4] geeft hen dan de opdracht om met een andere jongen naar België te gaan. Daarna blijkt uit een sms dat [verdachte] op 5 februari 2020 's avonds daadwerkelijk in België is.
Uit chatgesprekken met [bijnaam 3] blijkt dat [medeverdachte 4] 60 kogels heeft verkocht aan [bijnaam 3]. [bijnaam 3] stuurt iemand in een Audi om de kogels op te halen op 16 februari 2020. [medeverdachte 4] zegt hem dat hij aan de [k-straat] in [h-plaats] moet zijn. Uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen [medeverdachte 5] en [verdachte] blijkt dat [medeverdachte 5] op dat moment op zoek is naar die Audi en deze niet kan vinden. [medeverdachte 5] zegt dat [verdachte] het aan [medeverdachte 4] moet vragen. De telefoon van [medeverdachte 5] straalt op dat moment aan bij de [k-straat]. [medeverdachte 4] chat later aan [bijnaam 3] dat hij iemand had gestuurd om de kogels af te leveren.
Uit de chatgesprekken tussen [verdachte] en [bijnaam 1] blijkt dat [verdachte] op 22 februari 2020 een pistool (‘Glock 17 full’) heeft gekocht voor drieduizend euro. [verdachte] heeft dit wapen met een ander opgehaald. Hij zegt ook tegen [bijnaam 1] dat na het weekend de eerste lading wapens komt en dat het niet eerder kon omdat één van hun chauffeurs in Spanje of Duitsland was gepakt met hun geld en wiet.
Op 24 februari 2020 deelt [verdachte] aan [bijnaam 1] mee dat hij die donderdag zijn CZ krijgt. Woensdag komt de eerste lading en de week erna de tweede. [verdachte] zegt dat beide ladingen worden geruild tegen drugs. Als [bijnaam 1] hem vraagt of hij al weet wat er bij de tweede lading zit, antwoordt [verdachte] dat hij vandaag contact heeft gehad, met jongens uit Kroatië en dat hij daar een goede leverancier heeft. [verdachte] zegt ook dat zijn maat veel C4 (springstof) verkoopt. Zijn maat maakt de ontstekers zelf. Uit de chats met [bijnaam 1] blijkt verder dat [verdachte] bang is voor het optreden van informanten en dat hij wil sweepen (controleren of er geen afluistermicrofoons zijn).
Conclusie feit 1 (deelname verdachte criminele organisatie
Het hof concludeert uit het voorgaande dat [verdachte] actief heeft deelgenomen aan het criminele samenwerkingsverband en dat hij een wezenlijk aandeel heeft gehad in gedragingen en gedragingen heeft ondersteund die mede strekten tot dan wel verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk tot het plegen van misdrijven. Hij deed mee aan de wapenhandel, hij had zelf contact met wapenleveranciers in Kroatië, hij ging in opdracht van [medeverdachte 4] naar België en sprak over ladingen wapens die komen, uit het buitenland.
Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.’
3.6
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in art. 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Het kan daarbij gaan om natuurlijke personen en/of rechtspersonen. Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de betrokkene heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. Voor ‘deelneming’ in de zin van art. 140 Sr is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De betrokkene hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Het gaat bij het misdrijf van art. 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking — zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie — en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.9.
3.7
Een deelnemer hoeft geen zicht te hebben op concrete misdrijven die door leden van de organisatie worden gepleegd. Indien het oogmerk van de organisatie gericht is op het plegen van misdrijven van uiteenlopende aard, dient niet te blijken dat de wetenschap van de betrokkene al die verschillende soorten misdrijven omvat.10. Wel zal uit de bewijsmiddelen dus moeten blijken dat de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat art. 140 Sr. bedoelde oogmerk.
3.8
Het als (voormalig) leidinggevende of baliemedewerker betrokken zijn bij een coffeeshop en het in familierelatie staan tot medeverdachten van de handel in hennep en hasjiesj is bijvoorbeeld onvoldoende om daaruit af te kunnen leiden dat de verdachte behoorde tot een op die handel gericht samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk en derhalve in de in de bewezenverklaring vermelde periode aan die organisatie heeft ‘deelgenomen’ als bedoeld in art. 140 Sr.11.
3.9
De verdachte heeft, indien middel 1 niet tot cassatie zou leiden, blijkens de bewijsvoering slechts bemoeienis gehad met de handel in en bezit van wapens, hetgeen in feit 2 bewezenverklaard is als het (verkort zakelijk weergegeven) tezamen en in vereniging met anderen maken van een beroep of gewoonte maken van het bedrijfsmatig verhandelen van wapens. Deze handel maakt kennelijk ook deel uit van de bewezenverklaarde misdrijven waarop de bewezenverklaarde organisatie het oogmerk heeft gehad. Bewezenverklaard is evenwel dat de organisatie ook het oogmerk heeft gehad op andere misdrijven, te weten fraude (nader gespecificeerd als verduistering en oplichting) en geweldsdelicten (nader gespecificeerd als bedreiging met dodelijk geweld en mishandeling). Hieruit kan bezwaarlijk anders volgen dat volgens het hof verdachte niet alleen tezamen en in vereniging met anderen een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het bedrijfsmatig verhandelen van wapens maar dat hij daarnaast heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft gehad niet alleen wapen feiten maar ook andere feiten te plegen, te weten fraude en geweldsdelicten. Indien personen/medeverdachten waarmee verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het bedrijfsmatig verhandelen van wapen het oogmerk hebben gehad geheel andere feiten te plegen zoals fraude en geweldsdelicten kan daaruit nog niet volgen dat verdachte aan die bewezenverklaarde organisatie heeft deelgenomen. Ten aanzien van de ‘fraude’ en ‘geweldsdelicten’ heeft het hof bewijsmiddelen opgenomen waaruit blijkt welke medeverdachten het oogmerk hebben gehad die feiten te plegen. Dat verdachte ook dat oogmerk heeft gehad of een aandeel heeft gehad in gedragingen dan wel gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van die misdrijven blijkt nog niet uit de bewijsmiddelen zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
3.10
Niet kan worden gesteld dat verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht nu ook bewezen is verklaard dat verdachte zich in georganiseerd verband bezig heeft gehouden met de nationale en internationale wapenhandel. Het in georganiseerd verband bezig houden met nationale en internationale wapenhandel betekent immers niet dat er ook sprake is van het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van wapenhandel en fraude en geweldsdelicten zoals bewezen is verklaard. Dat verdachte aandeelhouder was van een kringloopwinkel waarin medeverdachten elkaar hebben ontmoet en die aan de bewezenverklaarde organisatie hebben deelgenomen is daartoe onvoldoende.
3.11
De bewezenverklaring van het onder 1 bewezenverklaarde is dan ook onvoldoende met redenen omkleed.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 25 juni 2024
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑06‑2024
R.o.v. 2.6.1. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890, NJ 2021/170, en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. N. Jörg m.nt. AH Klip. Eerder heeft A-G Knigge al gesteld dat de eis van het voorleggen aan de RC — ‘het schimmige leerstuk, dat ook nog eens een deugdelijk fundament mist’- naar het rijk van de historie moest worden verbannen, zie zijn conclusie voor HR 11 december 2012, NJ 2013/130, m.mt. TM Schalken, ECLI:NL:PHR:2012:BY4828.
R.o.v. 2.6.3. HR NJ 2021/170, waarbij de Hoge Raad verwijst naar HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1590.
Zie hiervoor reeds de noot van J.M. Reijntjes onder HR NJ 2005/172.
Zie in dit verband randnummer 199 CPG Bleichrodt voor HR NJ 2021/169, waarin verwezen wordt naar R. Kuiper, Vormfouten: juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken, Deventer: Kluwer 2014, p. 256.
Randnummer 199 CPG Bleichrodt voor HR NJ 2021/169, waarin verwezen wordt naar HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4828, NJ 2013/130 m.nt. Schalken.
Vgl. HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092, NJ 2022/278, m.nt. AH Klip.
Met weglating van voetnoten.
Met weglating van voetnoten.
Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969 & 970, NJ 2022/361 & 362, m.nt. N. Jörg.
Vgl.HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122, NJ 2007/336, m.nt. T.M. Schalken.
HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:400.