NJB 2026/14:Toepasbaarheid art. 359a Sv vanwege in de knie schieten van de verdachte tijdens de aanhouding terwijl er geen schietwaardige situatie was en het daarmee in strijd handelen met art. 7 Ambtsinstructie voor politie? De Hoge Raad oordeelt dat voortaan – in afwijking van o.a. HR 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1566, HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4307 en HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 – geldt dat voor zover sprake is van vormverzuimen die volgens de huidige rechtspraak van de Hoge Raad op grond van art. 359a Sv kunnen leiden tot één van de in die bepaling bedoelde gevolgen, de mogelijkheid dat zo’n vormverzuim in aanmerking is of kon worden genomen door de rechter-commissaris in het kader van de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen, niet in de weg staat aan het in aanmerking nemen van dit vormverzuim bij de beoordeling van de strafzaak. Daarbij geldt voor inverzekeringstelling en/ of voorlopige hechtenis, ongeacht of bij de toepassing hiervan vormen zijn verzuimd, dat in de regel hetzij de tijd die in verzekering of in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf geheel in mindering wordt gebracht (art. 27 Sr), hetzij het ondergaan daarvan aanleiding kan geven tot schadevergoeding (art. 533 Sv). Daarmee zal in het algemeen geen sprake (meer) zijn van nadeel aan de zijde van de verdachte en zal geen aanleiding bestaan voor strafvermindering. Voor vormverzuimen die niet in rechtstreeks verband staan tot deze vrijheidsbeneming, geldt dat die vormverzuimen ofwel niet van belang zijn voor de beantwoording van de vragen als bedoeld in art. 348 en 350 Sv en al daarom niet in aanmerking komen voor het verbinden van een rechtsgevolg op grond van art. 359a Sv, ofwel dat zij dat wél doen en daarom ook op de terechtzitting aan de orde moeten kunnen worden gesteld.