Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/5.3.1.3
5.3.1.3 Het kredieteigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90761:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Dat de uitleg van een dergelijk beding tot discussie kan leiden, blijkt uit het arrest van het Hof Arnhem 4 maart 2008, JOR 2008/176 (Elmarc/curatoren Megapool). Zie voor leasing: Van Hees 1997, p. 19.
Reehuis 1998, nr. 10-14; Rank-Berenschot, Bb 1999, p. 7; Van Mierlo in zijn noot onder HR 4 december 1998, AA 1999, p. 288-296 (Potharst/Serrée); Zwitser, BR 2000, p. 639-649; Janssen 2001, p. 273-275; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/965-966; Reehuis 2013, nr. 31; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/535-537; Snijders/Rank-Berenschot 2017/490-491; Verheul 2018, p. 201-203. Anders: Janssen 1997, p. 479-480; Wessels, NbBW 2001, p. 146. Vgl. HR 4 december 1998, NJ 1999/549 (Potharst/Serrée).
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 387; MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1197.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1197.
MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1239.
Art. 3:92 lid 2 BW geeft de leverancier de mogelijkheid om de eigendom van de geleverde zaak voor te behouden totdat de koopprijsvordering (en nevenvorderingen) van alle aan de koper geleverde en in de toekomst te leveren zaken zijn betaald. Indien dit voor elke levering wordt afgesproken, is sprake van een kredieteigendomsvoorbehoud of doorlopend eigendomsvoorbehoud.1 De eigendom van een zaak gaat dan niet over als de koopprijs van die zaak is betaald. De eigendom kan zelfs voorbehouden blijven indien de koper op een bepaald moment alle vorderingen aan de leverancier heeft voldaan, mits sprake is van een bestendige relatie waarin redelijkerwijs vorderingen te verwachten zijn.2
Evenals voor de uitbreiding van het eigendomsvoorbehoud tot nevenvorderingen, zijn de bezwaren van het Nederlandse Genootschap van Bedrijfsjuristen op de conceptwettekst inzake het eigendomsvoorbehoud aanleiding geweest voor deze verruiming. Deze bezwaren zagen op de mogelijke problemen voor leveranciers om hun zaken te individualiseren in het geval zij meerdere keren soortgelijke zaken aan de koper leverden. De leverancier diende in dit geval aan te tonen welke geleverde zaken onbetaald waren gebleven en dus zijn eigendom. Indien dit niet mogelijk bleek, kon de leverancier zijn rechten niet uitoefenen. Zijn zaken waren oneigenlijk vermengd geraakt met zaken van de koper. Door dit risico worden leveranciers volgens het Genootschap ‘gedwongen [om] minder of geen krediet te verlenen, dan wel over te gaan tot het ‘‘merken’’ van de verschillende soorten partijen’. Door dit ‘merken’ kan de leverancier bijhouden welke zaken hij op welk moment heeft geleverd en van welke zaken de koopprijsvordering wordt voldaan. Dit is in de praktijk echter niet eenvoudig uit te voeren en werkt sterk kostenverhogend volgens het Genootschap. Het concludeerde dat het enkelvoudige eigendomsvoorbehoud ‘in de praktijk vaak niets waard [zal] zijn’ en dat de voorgestelde eigendomsvoorbehoudsbepaling zou leiden tot ‘een verzwakking van de positie van de op krediet leverende leverancier’ ten opzichte van het oude recht.3 De minister onderkende deze bezwaren en besloot om het eigendomsvoorbehoud uit te breiden, zodat de leverancier een kredieteigendomsvoorbehoud kan bedingen.4
Het kredieteigendomsvoorbehoud is evenwel niet alleen relevant in het kader van de hierboven beschreven situatie van oneigenlijke vermenging. Ook bij natrekking, eigenlijke vermenging, zaaksvorming en doorverkoop speelt het kredieteigendomsvoorbehoud een belangrijke rol. Verliest de leverancier namelijk door één van deze rechtsfiguren zijn voorbehouden eigendom met betrekking tot een zaak, dan kan de koopprijsvordering van deze zaak nog gesecureerd worden door andere onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken, ongeacht of de koopprijsvordering van die zaken betaald is.
Uit de memorie van antwoord II leid ik af dat de minister deze functie van het eigendomsvoorbehoud ook onderkende. De minister merkt namelijk op dat het eigendomsvoorbehoud ook tot zekerheid moet kunnen strekken ‘voor vorderingen die andere zaken betreffen, die niet meer als zodanig bij de schuldenaar aanwezig zijn’.5 Gezegd kan dus worden dat met de invoering van het kredieteigendomsvoorbehoud beoogd is om zowel het verlies van zekerheid voor de leverancier door oneigenlijke vermenging als door natrekking, vermenging en zaaksvorming gedeeltelijk te voorkomen.