Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/5.3.1.1
5.3.1.1 Het enkelvoudige en verruimde eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90838:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 387-389.
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.3.1.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388.
Art. 3:92 lid 2 BW is ook van toepassing op een overeenkomst van goederenkrediet met een eigendomsvoorbehoud.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1239.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW(Inv. 3, 5 en 6), p. 1240.
Kamerstukken II 2015/16, 34442, 3, p. 30; Kamerstukken II 1986/87, 19785, 3, p. 91.
Van Mierlo, WPNR 5696/1984, p. 277; Mezas 1985, p. 141; Steneker in zijn noot onder Hof Arnhem 4 maart 2008, JOR 2008/176; Verstijlen 2015, GS Vermogensrecht, art. 3:92 BW, aant. 21; Snijders & Rank-Berenschot 2017/491.
Verheul 2018, p. 208-210. Voorzichtig: Reehuis 2013, nr. 36.
Evenals bij het recht van reclame vereist de wet bij het eigendomsvoorbehoud een nauwe band tussen de gesecureerde vordering en de zaken waarvan de leverancier zich de eigendom voorbehoudt. Deze nauwe band wordt echter voor het eigendomsvoorbehoud ruimer ingevuld dan voor het recht van reclame. Het eigendomsvoorbehoud kan namelijk tot zekerheid strekken voor vorderingen inzake de tegenprestatie van door de vervreemder aan de verkrijger krachtens overeenkomst geleverde óf te leveren zaken. De eigendom van een zaak kan dus mede worden voorbehouden tot zekerheid van betaling van andere koopprijsvorderingen. Naast de koopprijs van de zaak, vallen ook nauw met de koop verband houdende kosten, zoals een verbeurde boete of vergoeding wegens te late betaling onder het begrip ‘vordering inzake de tegenprestatie’.1
Ten aanzien van deze vorderingen acht de minister het gerechtvaardigd om aan de leverancier een voorrangspositie toe te kennen, omdat hij zich onderscheidt van andere schuldeisers van de koper.2 Hij levert de zaken namelijk op krediet. Zonder zijn prestatie gaat de zaak niet tot het verhaalsvermogen van de koper behoren en kunnen andere schuldeisers zich er niet op verhalen.3 Op de geleverde zaken kan de leverancier zekerheid verkrijgen voor de tegenprestatie.
Oorspronkelijk was het eigendomsvoorbehoud tot deze categorie vorderingen beperkt.4 Naar aanleiding van bezwaren van het Genootschap van Bedrijfsjuristen werd het eigendomsvoorbehoud verruimd tot twee andere categorieën vorderingen.5 De leverancier kan zich nu tevens de eigendom van de geleverde zaken voorbehouden voor vorderingen wegens verrichte of te verrichten werkzaamheden in verband met de geleverde zaak of zaken én voor vorderingen wegens tekortschieten in de nakoming van zodanige overeenkomsten. Deze vorderingen noem ik nevenvorderingen.
Door het eigendomsvoorbehoud ook tot zekerheid te laten strekken van deze nevenvorderingen heeft de wetgever de nauwe band die wordt vereist tussen de gesecureerde vordering en het onderpand verruimd. In de memorie van antwoord II wordt aangegeven dat met de uitbreiding van de voorrangspositie tot deze nevenvorderingen beoogd is om ‘de huidige praktijk ten aanzien van het beding van eigendomsvoorbehoud’ in stand te houden.6 De minister schrijft dat er vanuit maatschappelijk oogpunt geen overwegend bezwaar is tegen een dergelijk eigendomsvoorbehoud:
“[M]its zij tot het leverancierskrediet beperkt blijft, in dier voege dat een eigendomsvoorbehoud niet kan worden bedongen voor vorderingen van geheel andere aard, zoals die uit geldlening van een bank”.7
Het eigendomsvoorbehoud kan dus niet verruimd worden tot andere dan de drie categorieën vorderingen in art. 3:92 lid 2 BW. Er bestaat geen voldoende nauwe samenhang tussen deze vordering en de geleverde zaken. Voor het gedeelte dat buiten deze drie categorieën valt, wordt het eigendomsvoorbehoud voor ongeschreven gehouden.
Contractueel kan de leverancier de reikwijdte van het eigendomsvoorbehoud feitelijk wel verruimen. De leverancier kan namelijk met de koper afspreken dat diens betalingen eerst worden toegerekend aan vorderingen die niet onder de reikwijdte van art. 3:92 lid 2 BW vallen. De art. 6:43 en 6:44 BW zijn namelijk van regelend recht. Partijen kunnen zo’n imputatiebeding ook opnemen in een overeenkomst van goederenkrediet. Art. 7:89 lid 2 BW bepaalt voor deze overeenkomsten dat aflossingen worden toegerekend aan zaken in de volgorde waarin zij zijn geleverd aan de koper, maar professionele partijen hiervan kunnen afwijken door een eigen imputatieregeling overeen te komen.8
Het gevolg van een imputatiebeding is dat de leverancier de reikwijdte van het eigendomsvoorbehoud feitelijk oprekt tot vorderingen buiten art. 3:92 lid 2 BW. Vorderingen waarvoor de leverancier zich de eigendom kan voorbehouden, worden als laatste voldaan. Tot dat moment gaat de eigendom niet over op de koper.9
De vraag is of de wet dit in alle gevallen toelaat. Enerzijds bieden de art. 6:43 en 6:44 BW de mogelijkheid aan partijen om afwijkende afspraken te maken. Anderzijds kan een imputatieregeling leiden tot een situatie die in strijd is met art. 3:92 lid 2 BW en diens strekking.10 In feite secureert het eigendomsvoorbehoud door de imputatieregeling namelijk ook vorderingen buiten art. 3:92 lid 2 BW, en dus vorderingen die volgens de wetgever niet onder het begrip leverancierskrediet vallen. Slechts voor leverancierskrediet acht de wetgever het gerechtvaardigd om een eigendomsvoorbehoud te bedingen. Ik meen desondanks dat een imputatieregeling is toegestaan, omdat de wet niet een degelijke beperking stelt.