Zekerheid voor leverancierskrediet
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/5.3.1.2:5.3.1.2 Verruiming tot vorderingen van de leverancier op derden of van derden op de koper
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/5.3.1.2
5.3.1.2 Verruiming tot vorderingen van de leverancier op derden of van derden op de koper
Documentgegevens:
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90837:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.3.1 en 5.3.4.1-5.3.4.2.
Asser/Hijma 7-I* 2013/271.
Kortmann & Geurts 2019, p. 155-156.
Vgl. Struycken 2007, p. 641-646; Reehuis 2013, nr. 34; Verstijlen 2015, GS Vermogensrecht, art. 3:92 BW, aant. 12.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van de reikwijdte van het eigendomsvoorbehoud rijst de vraag of dit recht mede kan strekken tot zekerheid van vorderingen van de leverancier op derden of voor vorderingen van derden op de koper. Hierbij kan ten eerste gedacht worden aan een concerneigendomsvoorbehoud. De leverancier levert een zaak op krediet aan een koper en bedingt een eigendomsvoorbehoud dat mede strekt tot zekerheid van de koopprijsvordering die hij heeft op een dochtermaatschappij van de koper. Ook kan gedacht worden aan een omgekeerd concerneigendomsvoorbehoud, waarbij de leverancier een zaak onder eigendomsvoorbehoud overdraagt mede tot zekerheid van een vordering die een aan de leverancier gelieerde partij heeft op de koper.
De wettekst van art. 3:92 BW lijkt een eigendomsvoorbehoud voor beide situaties uit te sluiten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het eigendomsvoorbehoud geldig kan worden bedongen voor vorderingen die de tegenprestatie betreffen voor door de leverancier aan de koper geleverde of te leveren zaken. Het lijkt dus te moeten gaan om de tegenprestatie voor de prestatie van de leverancier, zijnde de levering van zaken op krediet. Het eigendomsvoorbehoud beoogt de leverancier een voorrangspositie te geven voor de vordering uit hoofde van de door hem verrichte prestatie. De vordering van de leverancier op een ander dan de koper is geen tegenprestatie voor zaken die de leverancier aan de koper levert. Ook een vordering van een derde op de koper is niet het gevolg van de prestatie van de leverancier, waardoor het eigendomsvoorbehoud mogelijk niet voor deze vorderingen kan worden bedongen.
Dit volgt ook uit de nauwe band die de voorrangspositie van de leverancier op de geleverde zaken rechtvaardigt. De leverancier kan zich de eigendom voorbehouden, omdat zijn wederpartij de tegenprestatie nog niet heeft voldaan.
Deze uitleg van art. 3:92 BW sluit aan bij het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht waar de hiervoor genoemde verruimingen ook niet zijn toegestaan. In het Belgische en Amerikaanse recht is namelijk slechts een enkelvoudig eigendomsvoorbehoud of purchase-money security interest toegestaan.1 In het Duitse recht zijn deze verruimingen niet toegestaan op grond van § 449 lid 3 BGB. Deze bepaling verbiedt expliciet een eigendomsvoorbehoud dat mede strekt tot zekerheid van vorderingen van derden, in het bijzonder dochter- of zustervennootschappen van de leverancier, op de koper. De Duitse wetgever beoogt hiermee te voorkomen dat de economische bewegingsvrijheid van de koper te sterk beperkt wordt en het onderpand gedurende een lange tijd niet beschikbaar is voor verhaal door andere schuldeisers.2 Ook de spiegelbeeldige situatie, het umgekehrter Konzernvorbehalt, wordt door de meeste schrijvers in de literatuur ongeldig geacht. Zij menen dat uit § 449 lid 3 BGB moet worden afgeleid dat een eigendomsvoorbehoud dat mede strekt tot zekerheid van vorderingen van de leverancier op derden ook niet is toegestaan. Dit eigendomsvoorbehoud leidt volgens hen - evenals het Konzernvorbehalt dat expliciet is verboden in § 449 lid 3 BGB - tot een te grote beperking van de economische bewegingsvrijheid voor de koper. De koper wordt pas eigenaar als de derde zijn schuld ook aan de leverancier heeft voldaan. Dit ligt niet steeds binnen de invloedssfeer van de koper.
De vraag rijst of een ‘concerneigendomsvoorbehoud’ eveneens in het Nederlandse recht niet mogelijk is als het installatiewerk wordt verricht door een zusterbedrijf van de leverancier. De vordering uit hoofde van de installatiewerkzaamheden is immers wel nauw verwant aan de verkoop. Ik meen dat twijfelachtig is of niet mogelijk is dat een leverancier zich de eigendom voorbehoudt voor de koopprijs van door hem geleverde zaken en voor een vordering die zustermaatschappij van de leverancier op de koper heeft uit hoofde van installatiewerkzaamheden voor deze geleverde zaken. De zelfstandige vordering van deze zustermaatschappij op de koper lijkt niet gesecureerd te kunnen worden door het eigendomsvoorbehoud.
Voor zover dit niet mogelijk is, zie ik wel ruimte voor een tweetal constructies waarmee in economisch opzicht hetzelfde resultaat wordt bewerkstelligd. Een eerste constructie is dat de leverancier de zaken onder eigendomsvoorbehoud overdraagt en met de koper overeenkomt dat hij de installatiewerkzaamheden zal verrichten. De leverancier schakelt vervolgens een derde in, zoals een zustermaatschappij, om de werkzaamheden uit te voeren. Deze derde krijgt een vordering op de leverancier, maar de leverancier behoudt de vordering uit hoofde van werkzaamheden op de koper.
Er is ook een constructie mogelijk waarbij de verkoper formeel een andere partij is dan degene die de zaak levert. Deze mogelijkheid wordt gecreëerd doordat het wettelijk systeem principieel toestaat dat de leveringsverplichting door een derde kan worden nagekomen.3 Deze constructie kan als volgt worden vormgegeven. De zustermaatschappij (B) verkoopt de zaken aan de koper (C) en bedingt een eigendomsvoorbehoud tot zekerheid van betaling van de koopprijs en de vordering uit hoofde van installatiewerkzaamheden. Vervolgens verschaft de leverancier (A) de feitelijke macht over de zaken aan C. C gaat op grond van het eigendomsvoorbehoud deze zaak houden voor B (art. 3:110 BW). A heeft de eigendom overgedragen aan C, maar B heeft de eigendom onder opschortende voorwaarde aan C verschaft. Het is B die zowel de koopprijsvordering als de vordering uit hoofde van de werkzaamheden verkrijgt op C. Daarmee valt deze constructie eveneens binnen de mogelijkheden van art. 3:92 lid 2 BW.
Voorts meen ik dat een redelijke uitleg van art. 3:92 BW aan de leverancier ruimte biedt om zich de eigendom van geleverde zaken voor te behouden voor vorderingen die voortkomen uit een keten van verkopen van dezelfde zaken.4 Het gaat om de situatie waarin de eigendom onder opschortende voorwaarde wordt doorverkocht door de koper aan een afnemer of (de onvoorwaardelijke eigendom van) de zaak onder eigendomsvoorbehoud wordt overgedragen aan de afnemer. De koopprijsvordering van de koper op de afnemer kan worden gesecureerd door het eigendomsvoorbehoud van de leverancier. Het gaat immers om de koopprijs voor de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak. Dat de eigendom onder opschortende voorwaarde is doorverkocht in de keten en de afnemer nu de koopprijs moet betalen, doet daar niet aan af. Het gaat nog steeds om de door art. 3:92 lid 2 BW vereiste ‘tegenprestatie’ voor de zaken die de leverancier aan de koper levert. De nauwe band die de rechtvaardiging vormt voor de voorrangspositie is aanwezig. De wet vereist een koppeling tussen de zaken en de koopprijs die ervoor moet worden betaald, maar niet door wie die koopprijs verschuldigd is. Dat de koopprijsvordering en de geleverde zaak niet in dezelfde hand hoeven te zijn, blijkt ook uit het feit dat de koper zijn koopprijsvordering op de afnemer kan overdragen aan een derde, bijvoorbeeld aan de leverancier. In dat geval bevinden de vordering en de voorbehouden eigendom zich ook niet in één hand.5 Hetzelfde geldt voor de spiegelbeeldige situatie waarin de eigendom onder ontbindende voorwaarde wordt overgedragen aan een derde, maar niet de koopprijsvordering. Dit sluit eveneens aan bij het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht.