Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.9:V.9 Afsluiting
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.9
V.9 Afsluiting
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS602084:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk zijn het toepassingsbereik, de reikwijdte en de inhoud van de bewijsdimensie in een aantal internationale rechtsbronnen nader bezien. Uit de bespreking daarvan komt op de eerste plaats naar voren dat in abstracto de verschillende internationale bronnen een vergelijkbaar toepassingsbereik en gelijksoortige betekenis aan deze dimensie van het onschuldvermoeden toekennen. Algemene overwegingen en bepalingen lopen niet sterk uiteen. Zo kan geconcludeerd worden dat de bewijsdimensie een procedureel verdedigingsrecht is dat onderdeel vormt van het recht op een eerlijk proces. Dat recht geldt alleen in procedures die als criminal charge kunnen worden aangemerkt. De bewijsdimensie geldt totdat de schuld van de verdachte is bewezen, hetgeen moet worden uitgelegd als totdat de schuld van de verdachte door een daartoe bevoegde autoriteit is vastgesteld in een daarop gerichte procedure. Dat staat niet in de weg aan op punitieve sanctionering gerichte procedures waarin de toegang tot de rechter van actief handelen van de verdachte afhankelijk is. Het betekent wel dat de bewijsdimensie op de sanctietoemeting in beginsel geen toepassing vindt. Wordt een rechtsmiddel aangewend, dan herleeft de onschuldpresumptie als het ware.
Over de reikwijdte bestaat ook in belangrijke mate overeenstemming. De door de bewijsdimensie gestipuleerde normen gelden niet voor procedurele feiten, zoals de geldigheid van de dagvaarding, maar alleen voor de feiten die betrekking hebben op de schuld van de verdachte. Het nationaalrechtelijk onderscheid tussen elements en defences, tussen bestanddelen en excepties, is daarbij niet bepalend. Belangrijk verschil tussen de richtlijn en de jurisprudentie van het VN Mensenrechtencomité enerzijds en de rechtspraak van het EHRM anderzijds is dat laatstgenoemde aan de te bewijzen schuld ook autonome, materiële strafbaarheidsvoorwaarden stelt, terwijl eerstgenoemde richtlijn en jurisprudentie louter betrekking hebben op de wijze waarop de vervulling van de nationale strafbaarheidsvoorwaarden is vastgesteld.
Meer inhoudelijk bestaat de overeenstemming er onder meer in dat uit de bewijsdimensie eensgezind wordt afgeleid dat de trier of fact, de feitenrechter, zich bij diens feitenvaststelling niet mag laten leiden door op voorhand gedane aannames ten nadele van de verdachte. De rechter moet zich door het bewijs laten overtuigen. Dit verbod op vooringenomenheid overlapt in sterke mate met het recht op een onpartijdige rechter. Daarnaast brengt de bewijsdimensie mee dat de bewijslast bij de overheid ligt, zowel in de zin van het bewijsrisico als in de betekenis van de bewijsvoeringslast. Verwezenlijking van het op de overheid rustende bewijsrisico vindt bovendien niet alleen plaats bij volstrekte of overwegende twijfel, maar reeds wanneer enige redelijke twijfel over de schuld van de betrokkene bestaat.
Op een concreter niveau en waar het gaat om de toelaatbaarheid van uitzonderingen op de bewijsdimensie, lopen de benaderingen meer uiteen. Het VN Mensenrechtencomité eist veel van de partijstaten. Het Comité schrijft expliciet de bewijsmaatstaf beyond reasonable doubt voor, gevolgtrekkingen uit het zwijgen van de verdachte lijken te worden afgewezen en verschuivingen van het bewijsrisico zijn tot op heden steeds strijdig met de onschuldpresumptie geoordeeld. Terughoudend is wel het toezicht op de naleving van zowel het verbod op vooringenomenheid als de door het Comité voorgeschreven bewijsmaatstaf van bewijs beyond reasonable doubt.
Terughoudendheid kenmerkt ook de Straatsburgse benadering. De fourth instance-doctrine weerhoudt het EHRM ervan om bewezenverklaringen al te indringend te toetsen. Ofschoon de onschuldpresumptie voor een veroordeling verlangt dat geen redelijke twijfel bestaat en het op zichzelf een juridische kwestie betreft of de door de nationale rechter aangenomen waarschijnlijkheid voldoet aan die maatstaf, is in dat licht begrijpelijk dat de naleving van dat vereiste in beperkte mate wordt gecontroleerd. Terughoudendheid ten aanzien van feitelijke bewijskwesties kan echter niet verklaren waarom het Hof verschuivingen en omkeringen van de bewijslast ruimhartig toestaat. Op die ruimhartigheid bestaat, vooral waar het gaat om de aanvaarding van bewijsrisicoverschuivingen, terechte kritiek. Met name in de rechtspraak over het gebruik van rechtsvermoedens laat het Hof dermate veel toe, dat niet goed duidelijk is wanneer verschuivingen niet aanvaardbaar zijn. Nu een bewijsrisicoverschuiving autoriseert tot beslissingen ten nadele van de verdachte ondanks twijfel omtrent diens schuld, mag – gelet ook op de algemene overwegingen van het Hof – worden verwacht dat de bescherming daartegen intensiever is. Het toetsingskader dat het EHRM hanteert heeft bovendien als nadeel dat het juist dwingt tot een oordeel over de redelijkheid en juistheid van de bewezenverklaring, hetgeen een waardering van het bewijsmateriaal vereist waarop het Hof niet goed is toegerust. Al met al lijkt een strafrecht dat de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie alleen verzekert voor zover dat nodig is om een Straatsburgse veroordeling te voorkomen aan dat beginsel weinig recht te doen.
De richtlijn houdt het midden tussen de benaderingen van het Comité en het EHRM. De inhoud van de richtlijn lijkt overeenkomstig de benadering van het Comité voor verschuivingen van het bewijsrisico nauwelijks ruimte te laten. Elke twijfel strekt tot voordeel van de verdachte. De overwegingen voorafgaand aan de richtlijn laten een ander beeld zien. Aan de vermoedensrechtspraak van het EHRM is beoogd geen afbreuk te doen. Deze tweedeling bestaat ook ten aanzien van gevolgtrekkingen uit het zwijgrecht. In beide gevallen was het de Raad die zich verzette tegen een nadere normering van in de Straatsburgse rechtspraak tamelijk ruimhartig toelaatbaar geachte relativeringen van de op de overheid rustende bewijslast. Het is de vraag of het HvJ zich bij de uitleg van de richtlijn zal laten leiden door de aan de richtlijn voorafgaande overwegingen, of zich meer op de tekst van de bepalingen zal oriënteren. Een keuze voor de laatste optie zou de normerende werking van de bewijsdimensie in het Europese mensenrechtenrecht aanzienlijk kunnen vergroten. Keuze voor de eerste betekent dat de richtlijn nauwelijks meerwaarde heeft.