Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/1.9:1.9 Verantwoording
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/1.9
1.9 Verantwoording
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451882:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik ben niet de enige. Ook andere advocaten die in inquisitoire enquêtes voor verweerders optreden, zijn kritisch over de gebrekkige rechtsbescherming in deze onderzoeken en de gepercipieerde willekeur waarmee onderzoekers soms te werk gaan. Zie bijvoorbeeld De Kluiver 2010; Olden 2013.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit boek is niet alleen de neerslag van mijn onderzoek, maar ook van mijn praktijkervaring als advocaat. Sinds 2001 ben ik bij enkele tientallen enquêteprocedures in meer of mindere mate betrokken geweest. Meestal was dat als advocaat van een van de partijen of, in cassatie, als cassatieadvocaat. Ook heb ik meegekeken met kantoorgenoten die als onderzoeker waren benoemd en heel incidenteel heb ik ook weleens als klankbord gefunctioneerd voor een OK-functionaris. Het was onvermijdelijk om in dit boek uitspraken te bespreken waar ik zelf bij betrokken ben geweest. Daarbij herhaal ik een enkele keer standpunten die ik toen als advocaat heb ingenomen, maar die door de Ondernemingskamer of de Hoge Raad zijn verworpen. In curatieve en antagonistische enquêtes heb ik als advocaat zowel voor verzoekers als voor verweerders opgetreden. In inquisitoire enquêtes heb ik echter (vrijwel) uitsluitend als advocaat van de verweerders opgetreden. Vanuit die praktijkervaring ben ik erg kritisch over het gebrek aan rechtsbescherming in inquisitoire enquêtes.1 Ik vind dat de Ondernemingskamer de onderzoekers (te) veel vrijheid geeft en (te) weinig gevoelig is voor kritiek op de werkwijze van onderzoekers. Die ervaring kleurt uiteraard mijn analyse en de aanbevelingen die ik doe. Ofschoon ik geprobeerd heb mijn onderzoek zo objectief mogelijk te doen, heb ik daarom niet de illusie dat dit mij volledig gelukt is.
Per 1 september 2017 is de Wet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (‘KEI’) gedeeltelijk in werking getreden. Dit betekent dat er gedurende een overgangsperiode twee versies van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering naast elkaar van toepassing zijn. Ik heb ervoor gekozen om, in beginsel, te verwijzen naar de tekst zoals die geldt na de inwerkingtreding van KEI. Waar relevant verwijs ik echter ook naar de op het moment van schrijven van dit boek geldende bepalingen. Ik gebruik verder zo veel mogelijk de nieuwe terminologie die KEI introduceert: verzoekprocedure, vorderingsprocedure en procesinleiding.
Mijn onderzoek heb ik afgesloten op 1 mei 2017. Met nadien verschenen literatuur en jurisprudentie heb ik slechts incidenteel nog rekening kunnen houden.