Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/6.3.2
6.3.2 Begrenzing: wie behoren tot de kring van artikel 2:8 BW?
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS343167:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
L. Timmerman, in: C.W. de Monchy en L. Timmerman, De nieuwe algemene bepalingen van boek 2 BW, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Zwolle: Tjeenk Willink 1991, p. 49, 50.
J.M. Blanco Fernández, Het toepassingsbereik van artikel 2:8 BW, in: S.C.J.J. Kortmann, C.J.H. Jansen, G. van Solinge en N.E.D. Faber (red.), Onderneming en 10 jaar Nieuw Burgerlijk recht, Deventer: Kluwer 2002, p. 128-130. Ten aanzien van converteerbare obligaties heeft Prinsen een steviger onderbouwing. Hij betoogt dat houders van in nieuwe aandelen converteerbare obligaties betrokken zijn bij de organisatie van de vennootschap in de zin van artikel 2:8 BW, indien uit het conversiebeding een verbintenis tot het nemen van aandelen voortvloeit. De betrokkenheid krachtens de wet volgt uit de artikelen 2:96 lid 5 en 2:96a lid 8 BW, waaruit blijkt dat aan het verlenen van het recht tot het nemen van aandelen een vennootschapsrechtelijk besluit ten grondslag ligt, met respectering of uitsluiting van voorkeursrechten. Zie J.J. Prinsen, Converteerbare obligaties (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2004, p. 184-187, voor een toepassing p. 261.
B.F. Assink || W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013, p. 185-188.
H.J. de Kluiver, Toelating van betrokkenen bij rechtspersonen; een verkenning op de grenslijn tussen rechtspersonen- en verbintenissenrecht (II en slot), Stichting en Vereniging 1991, p. 69.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 27 mei 1999, NJ 1999/487 (Gucci), rov. 3.6.
M. Koelemeijer, Redelijkheid en billijkheid in kapitaalvennootschappen (diss. Maastricht), Deventer: Kluwer 1999, p. 57-60, over de gevolmachtigde specifiek p. 120, 121.
W.J. Slagter, De metamorfose van de aandeelhouder, NJB 2012/1683 en naschrift NJB 2013/661.
Een andere vraag is of al het handelen van de aandeelhouder binnen het bereik van artikel 2:8 valt, zie paragraaf 6.2.1c, en hoe streng de toets is. Een van Slagters voorbeelden betreft de verkoop van aandelen. Die zal niet snel in strijd zijn met artikel 2:8 BW.
Als ander voorbeeld waar de (voorgenomen) uitoefening van stemrecht aan de redelijkheid en billijkheid wordt getoetst kan dienen het vonnis van de Rechtbank Amsterdam inzake Delta Lloyd van 26 maart 2008, JOR 2008/125, rov. 5.3.11.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 17 januari 2007, JOR 2007/42 (Stork).
Vergelijk J.M. de Jongh, Aandeelhouders gebonden aan eisen van redelijkheid en billijkheid, NJB 2012/2099, B. Kemp, Normering van aandeelhouders, NJB 2013/660, M. Koelemeijer, De verantwoordelijke aandeelhouder, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur 2015-2, p. 65, 67 en B.F. Assink || W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht (Deel 1), Deventer: Kluwer 2013, p. 186 noot 62.
Hoge Raad 12 mei 2000, JOR 2000/145 (Geestelijk Leider), rov. 3.3.
Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) 26 november 1987, NJ 1989/271 (IKON), zie voor de tekst van de relevante overweging J.B. Huizink, Groene Serie Rechtspersonen, aant. 6.3 op artikel 2:8 BW.
Hof Amsterdam 21 januari 2014, JOR 2014/158 (RBOC Fort Markenbinnen), rov. 3.4, met instemmende noot van R.G.J. Nowak.
a. Literatuur
De vraag is wie nu degenen zijn die krachtens wet en statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken. In ieder geval zijn dat degenen die enig wettelijk of statutair recht met betrekking tot de organisatie van de rechtspersoon hebben. Dit criterium lijkt op het eerste gezicht te duiden op betrokkenheid bij de besluitvorming, op zeggenschapsrechten. Die uitleg is echter te beperkt. In de literatuur lopen de opvattingen uiteen. Hierna bespreek ik de opvattingen van Timmerman, Blanco Fernández en Assink, die het al dan niet hebben van wettelijke of statutaire rechten als criterium beschouwen. De Kluiver en Koelemeijer nemen elk een eigen, ruimere, benadering, terwijl Slagter een opmerkelijke beperking bepleit.
Timmerman merkt als betrokkene aan: “een ieder die op grond van de wet of de statuten rechten of plichten heeft die door gedragingen, die zich binnen de sfeer van de rechtspersoon afspelen, rechtstreeks beïnvloed kunnen worden”. Daartoe behoren in ieder geval degenen die zeggenschap binnen de rechtspersoon kunnen uitoefenen, zoals aandeelhouders, bestuurders en pandhouders en vruchtgebruikers met stemrecht. Ook personen die andere rechten dan zeggenschapsrechten aan de wet of statuten ontlenen, zoals houders van statutaire winstbewijzen (die voor hun uitkering afhankelijk zijn van de winstvaststelling door de aandeelhoudersvergadering) behoren echter tot de betrokkenen, ook al heeft hun betrokkenheid een “slechts passieve gestalte”. Houders van bewilligde certificaten behoren volgens Timmerman ook tot de betrokkenen van artikel 2:8 BW, nu zij mogen deelnemen aan de aandeelhoudersvergadering.1
Blanco Fernández betoogt dat de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen primair degenen zijn die krachtens de wet en statuten rechten kunnen doen gelden in de organen van de rechtspersoon. Dat zijn dus de leden van die organen, maar ook anderen die zonder deel van een orgaan uit te maken rechten in het orgaan kunnen doen gelden: houders van bewilligde certificaten, vruchtgebruikers en pandhouders. Daarnaast valt te denken aan houders van winstbewijzen of van in aandelen converteerbare obligaties en aan begunstigden aan wie krachtens de statuten een recht tot uitkering toekomt. Hoewel dubieus is of zij daadwerkelijk bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken zijn, is het aannemen van betrokkenheid in de zin van artikel 2:8 BW gerechtvaardigd omdat hun positie niet wezenlijk verschilt van die van houders van bewilligde certificaten, vruchtgebruikers en pandhouders; ook een houder van converteerbare obligaties is niet alleen contractueel maar ook wettelijk of statutair aan de vennootschap verbonden.2
Assink zit net als Timmerman op de lijn dat bepalend is aan wie door wet of statuten rechten binnen de vennootschap worden toegekend. Dat draagt bij aan de rechtszekerheid; het begrip “organisatie” uit artikel 2:8 BW moet nu eenmaal een kenbare begrenzing hebben. Hieronder vallen bestuurders, commissarissen, aandeelhouders, pandhouders en vruchtgebruikers met stemrecht, stemgevolmachtigden en buitenstaanders met de bevoegdheid commissarissen te benoemen, houders van bewilligde certificaten en statutair winstgerechtigden. Voor de niet in die zin betrokkenen wijst Assink erop dat ook buiten artikel 2:8 BW de redelijkheid en billijkheid en de maatschappelijke betamelijkheid de rechtsverhoudingen beheersen.3
De Kluiver heeft in een beschouwing over de toetsing van een besluit tot weigering van toelating als lid of aangeslotene bij een vereniging of stichting – waarbij iemand dus juist betrokkene krachtens wet of statuten wil worden – betoogd dat de vraag of iemand tot de kring van betrokkenen van artikel 2:8 BW behoort, mede moet worden beantwoord aan de hand van het interne recht en de daarvan deel uitmakende doelstelling van de rechtspersoon. Die gedachte spreekt aan in het kader van een vereniging of stichting met een doel met enig onderscheidend vermogen. In het kader van een NV of BV kan ik mij daar minder bij voorstellen. In ieder geval zal zo’n aspirant-betrokkene krachtens (wet of) statuten nog geen rechten of verplichtingen binnen de organisatie van de rechtspersoon hebben.4
Koelemeijer betoogt in haar proefschrift dat de norm van redelijkheid en billijkheid van toepassing is op de personen die zeggenschap binnen de vennootschap kunnen uitoefenen, maar daarnaast ook van toepassing kan zijn op personen die buiten de organisatie van de rechtspersoon staan. Het voorbeeld dat zij dan noemt betreft echter de houder van een stemvolmacht in de aandeelhoudersvergadering; dat voorbeeld ligt wel in de sfeer van de zeggenschap en de organisatie van de rechtspersoon. Zij wijst vervolgens echter op de Gucci-beschikking van de Ondernemingskamer, waarin deze overweegt dat ook het handelen van white knight PPR als toekomstig aandeelhouder grondslag voor twijfel aan een juist beleid kan vormen.5 Koelemeijer leidt daar kennelijk uit af dat zo’n toekomstig aandeelhouder ook onder de norm van artikel 2:8 BW kan vallen. Zij sluit haar analyse over de reikwijdte van artikel 2:8 BW af met de opmerking dat een strikte scheiding tussen de interne sfeer en de externe sfeer niet wenselijk is voor de toepassing van de norm van de redelijkheid en billijkheid.6
Slagter betoogt dat de individuele aandeelhouder niet is gebonden aan artikel 2:8 BW (en zich volledig mag laten leiden door zijn eigen belang) tenzij hij handelt binnen het verband van de aandeelhoudersvergadering waarvoor artikel 2:8 BW wel geldt. Bij de beslissing over de wijze van het uitoefenen van het stemrecht is de aandeelhouder niet gebonden aan artikel 2:8 BW.7 Slagter beroept zich op de tekst van artikel 2:8 BW, stellende dat een individuele aandeelhouder eigenlijk geen wettelijke rechten heeft, op de realiteit waarin de aandeelhouder zich door eigen belang laat leiden en op het Wennex-arrest. Zijn betoogt overtuigt niet. De tekst van artikel 2:8 BW biedt geen aanknopingspunten voor zo’n beperkte uitleg. Uit de breed gedragen opvatting dat wie krachtens wet of statuten rechten of verplichtingen heeft tot de kring van artikel 2:8 BW behoort, volgt dat de aandeelhouder gelet op zijn rechten (overigens ook buiten de aandeelhoudersvergadering om – winstrecht, enquêterecht) daartoe behoort.8 Van de realiteit gaat weinig normatieve kracht uit. Het Wennex-arrest had betrekking op de wijze van uitoefening van stemrecht – dus juist op het gebied dat Slagter buiten de toepassing van artikel 2:8 BW ziet – en de Hoge Raad noemt de beperking van misbruik van recht, welke norm inhoudelijk vergelijkbaar is met die van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (zie paragraaf 6.2.4b).9 In de Stork-beschikking oordeelde de Ondernemingskamer de uitoefening van een call optie – bij uitstek een handeling buiten de aandeelhoudersvergadering – in strijd met de redelijkheid en billijkheid.10 De redelijkheid en billijkheid werken ook buiten de aandeelhoudersvergadering als beperking op de vrijheid van de aandeelhouder en vormen een middel tegen ook door Slagter zelf als onwenselijk ervaren aandeelhoudersgedrag dat ingaat tegen het belang van de vennootschap.11
b. Jurisprudentie
Steun voor de gedachte dat het hebben van wettelijke of statutaire rechten als criterium geldt voor betrokkenheid bij de rechtspersoon in de zin van artikel 2:8 BW valt te putten uit het arrest van de Hoge Raad over de Geestelijk Leider van de Stichting Islamitisch Sociaal Cultureel Centrum voor Flevoland. De statuten van deze stichting kenden aan de Geestelijk Leider enkele belangrijke bevoegdheden toe, onder meer tot het geven van bindende adviezen aan het bestuur en tot het goedkeuren van besluiten tot statutenwijziging. De rechtbank had de stichting ontbonden omdat door de overwegende zeggenschap van de Geestelijk Leider, het doel van de stichting onbereikbaar zou zijn geworden. Het hof vernietigde dat vonnis en de Hoge Raad sanctioneerde het oordeel van het hof dat de uitoefening van bevoegdheden door de Geestelijk Leider op grond van de artikelen 2:8 en 2:15 BW kan worden getoetst aan de redelijkheid en billijkheid. De Geestelijk Leider valt zo, gelet op zijn statutaire bevoegdheden, binnen de kring van artikel 2:8 BW:12
“Hetgeen het Hof in rov. 5.6 van zijn beschikking heeft overwogen komt hierop neer dat de enkele statutaire positie van de Geestelijk Leider op zichzelf niet meebrengt dat het doel van de stichting onbereikbaar is, en evenmin een blokkade oplevert voor het optimaal functioneren van de stichting en het bestuur, en dat het in feite erom gaat op welke wijze de Geestelijk Leider zijn bevoegdheid tot het geven van bindend advies uitoefent. Met betrekking tot dit laatste heeft het Hof vastgesteld dat de Geestelijk Leider zijn statutaire bevoegdheid niet heeft gebruikt en heeft verklaard dit alleen in noodsituaties te zullen doen, in welke gevallen de art. 2:8 en 2:15 BW waarborgen bieden tegen mogelijk machtsmisbruik door de Geestelijk Leider. (…)
Deze oordelen en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn zozeer verweven met waarderingen van fei-telijke aard dat zij in cassatie voor het overige niet op juistheid kunnen worden getoetst. Zij zijn niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. (…)”
Deze overweging van de Hoge Raad sluit echter niet uit dat de grenzen van de kring van artikel 2:8 BW ruimer getrokken moeten worden en ook andere personen tot die kring moeten worden gerekend. Lagere rechtspraak geeft daarvan wel voorbeelden. Gewezen zou kunnen worden op de IKON-zaak, waarin de Ondernemingskamer oordeelde dat de ondernemer en de ondernemingsraad zich op grond van (thans) artikel 2:8 BW jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid worden gevorderd.13 Ik zou die uitspraak echter eerder willen zien als een ruime uitleg van het begrip “wet” in artikel 2:8 BW dan als een argument om de kring van 2:8 BW ruimer te trekken dan de krachtens wet en statuten betrokkenen.
Een andere relevante uitspraak is die van het Hof Amsterdam in de zaak RBOC Fort Markenbinnen (ook genoemd in paragraaf 5.2.3a). De casus betrof een stichting die enig aandeelhouder was van een BV en winstcertificaten had uitgegeven (aan leningverstrekkers) die recht gaven op winst uit de BV. De houder van een winstcertificaat vorderde met succes vernietiging van het besluit van de aandeelhoudersvergadering tot vaststelling van de jaarrekening waarin volgens hem de winst te laag werd vastgesteld. Het Hof overwoog dat hij voldoende belang had bij de vordering tot vernietiging en zelfs dat hij moest worden beschouwd als betrokkene (bij de BV) in de zin van artikel 2:8 BW, vanwege de verwevenheid tussen stichting en BV (en mogelijk geïnspireerd door gepercipieerde gelijkenis met de houder van bewilligde certificaten):14
“Het gaat hier om vernietiging van een besluit van de AVA als orgaan van de BV als bedoeld in art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. Vereist is dus, dat De Wildt aangemerkt kan worden als een betrokkene bij de organisatie van de BV als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW. RBOC bestrijdt dat aan die eis is voldaan, doch tevergeefs, gelet op het volgende.
Tussen partijen staat vast dat tussen de Stichting en de BV sprake was van een vergaande mate van verwevenheid. De Stichting hield tot voor kort 100% van de aandelen in de BV. Het Reglement voorzag, voor de nu nog relevante lening 2, in een lening aan de Stichting, waarvan de omvang afhing van het arbeidsverleden van de participanten. Iedere participant verkreeg een certificaat, dat recht gaf op betaling van een deel van de winst van de BV. Die winst werd uitgekeerd aan de Stichting als enige aandeelhouder van de BV. De statuten van de Stichting voorzagen in een (tenminste) driekoppig bestuur, waarvan bestuurder A werd benoemd door de vergadering van houders van Winstcertificaten, bestuurder B door de directie van de BV, en bestuurder C door de andere bestuurders tezamen.
Dat De Wildt (financieel) belang heeft bij vernietiging van dit besluit vloeit rechtstreeks voort uit de regeling aangaande de uitkering. Het Reglement bepaalt immers in art. 5 onder 5 dat de participanten gerechtigd zijn tot het gedeelte van de winst van de BV dat voor verdeling over de participanten in aanmerking komt. De AVA heeft de jaarrekening vastgesteld en daaruit volgt hoe groot de winst is. Als – naar De Wildt stelt – ten onrechte ten laste van de winst een voorziening is getroffen voor dubieuze debiteuren, dan raakt dat direct het financiële belang van De Wildt.
In die omstandigheden moet De Wildt als houder van een winstcertificaat naar het oordeel van het hof worden beschouwd als betrokkene bij de BV in de zin van art. 2:8 BW.”
c. Beoordeling
Noch in de literatuur noch in de jurisprudentie wordt de eis gesteld dat een aandeelhouder, om tot de kring van artikel 2:8 BW te behoren, het economische belang bij zijn aandelen houdt. Die eis ligt ook niet voor de hand. Het niet-hebben van het economische belang bij zijn aandelen laat de aandeelhoudersbevoegdheden immers onverlet (vergelijk paragraaf 5.2.4) terwijl het van belang blijft (of zelfs van groter belang wordt) de uitoefening van die bevoegdheden aan de normen van artikel 2:8 BW te kunnen toetsen. Ook het handelen van een stichting administratiekantoor is toetsbaar op grond van artikel 2:8 BW. Hetzelfde moet gelden voor een aandeel-houder met een netto short positie. Die heeft wel de aandeelhoudersrechten die aan zijn aandelen zijn verbonden, maar heeft dus netto een negatief economisch belang bij de aandelen. Ook hij behoort nog steeds tot de kring van artikel 2:8 BW.
Aan de hand van de hiervoor geschetste hoofdlijnen, waarbij ik uit zou willen gaan van het criterium van het hebben van wettelijke of statutaire rechten binnen de rechts-persoon als begrenzing van de kring van artikel 2:8 BW, vallen daaronder, naast de bestuurders en commissarissen, de aandeelhouders (met inbegrip van houders van stemrechtloze of winstrechtloze aandelen), de houders van certificaten die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven of (bij de BV) waar de statuten vergaderrecht aan verbinden, pandhouders en vruchtgebruikers met stemrecht, statutair winstgerechtigden en houders van converteerbare obligaties. Over verschillende andere figuren bestaat verschil van inzicht. Die komen hierna aan de orde: houders van een stemvolmacht, vruchtgebruikers en pandhouders zonder stemrecht, houders van niet-bewilligde certificaten of certificaten zonder vergaderrecht, aspirant-aandeelhouders en andere houders van een economisch belang bij aandelen.