Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang
Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/6.6:6.6 Conclusie
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/6.6
6.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS344340:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk 6 was aan de orde in hoeverre de normen van artikel 2:8 BW kunnen worden toegepast op houders van economische belangen bij aandelen en op aandeelhouders met een netto negatief of zonder (volledig) economisch belang bij de aandelen. In paragraaf 6.2 en 6.3 is besproken wat de normen van artikel 2:8 BW meebrengen voor een aandeelhouder en wie naar huidig recht onder de reikwijdte van de normen valt.
In paragraaf 6.4.1 is betoogd dat hoewel de houders van economische belangen bij aandelen (en aspirant-aandeelhouders) niet onder de werking van artikel 2:8 BW vallen, dit artikel onder omstandigheden wel analogisch op hen kan worden toegepast, of dat zij in een door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding tot de vennootschap en tot andere betrokkenen van de kring van artikel 2:8 BW kunnen staan. Als gevolg van die analogische toepassing of het aannemen van zo’n bijzondere rechtsverhouding kunnen tussen hen enkele normen gelden die normaliter op grond van artikel 2:8 BW slechts gelden voor de betrokkenen van de kring van dat artikel. Tedenken valt aan een verplichting voor een houder van een groot economisch belang bij aandelen informatie te verschaffen over zijn belang en intenties, maar ook aan een recht op informatie, terwijl betrokkenen over en weer met elkaars redelijke belangen rekening moeten houden.
In paragraaf 6.4.2 kwam aan de orde dat de belangen van een aandeelhouders zonder economisch belang bij zijn aandelen of met een netto negatief belang geen gewicht in de schaal kunnen leggen bij de afweging van wat de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW in een bepaald geval vergen. Voor een aandeelhouder met een netto negatief belang bij de aandelen kunnen de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW meebrengen dat hij informatie moet verschaffen over zijn (tegenstrijdige) belangen en voornemens en voorts dat hij zijn stemrecht niet (op een bepaalde manier) mag uitoefenen of juist op een bepaalde manier moet uitoefenen. Onder omstandigheden is ook denkbaar dat de aandeelhouder niet mag deelnemen aan de aandeelhoudersvergadering of andere besluitvormingsrechten niet mag uitoefenen. Langs deze weg kan controversieel gebruik van empty voting worden tegengegaan.
In paragraaf 6.5 is betoogd dat er geen noodzaak is de werking van artikel 2:8 BW uit te breiden tot houders van economische belangen bij aandelen, terwijl een uitbreiding naar verwachting wel aanleiding zal geven tot afbakeningsproblemen. Het beperken van de reikwijdte van artikel 2:8 BW door het uitsluiten van aandeelhouders zonder belang of met netto negatief belang is evenmin wenselijk, omdat de vennootschap aan de redelijkheid en billijkheid van dat artikel juist nuttige aanspraken jegens zo’n aandeelhouder kan ontlenen.
Geconcludeerd kan worden dat artikel 2:8 BW goede mogelijkheden biedt voor het tegengaan van controversieel gebruik van netto negatieve belangen bij aandelen, terwijl analogische toepassing dan wel het aannemen van een bijzondere rechtsverhouding tussen houders van economische belangen bij aandelen, de vennootschap en andere betrokkenen uit de kring van artikel 2:8 BW aanvullende (transparantie) verplichtingen kan meebrengen die controversieel gebruik van dergelijke belangen kunnen helpen tegengaan.