Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang
Einde inhoudsopgave
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/6.3.1:6.3.1 Inleiding
Belang zonder aandeel en aandeel zonder belang (VDHI nr. 144) 2017/6.3.1
6.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. G.P. Oosterhoff, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. G.P. Oosterhoff
- JCDI
JCDI:ADS351719:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1982-1983 17 725 nrs. 1-3 (memorie van toelichting), p. 56.
Kamerstukken II 1984-1985 17 725 nr. 7 (memorie van antwoord), p. 14, 15.
M. Koelemeijer, Redelijkheid en billijkheid in kapitaalvennootschappen (diss. Maastricht), Deventer: Kluwer 1999, p. 22, 23.
M.J. Kroeze, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/224.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De normen van artikel 2:8 BW gelden voor de rechtspersoon en “degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken”. Hier komt aan de orde wie bij een BV en NV, naast de vennootschap zelf, bestuurders en commissarissen, tot die kring behoren en welke rafelranden er zijn bij het trekken van de grenzen van die kring. In het bijzonder gaat de aandacht uit naar houders van economische belangen bij aandelen en aandeelhouders zonder economisch belang of met een netto negatief belang bij hun aandelen.
De rechtspersonenrechtelijke redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW was tot 1992 opgenomen in artikel 2:7 (oud) BW. De regeling van het laatste artikel luidde enigszins anders, namelijk: “Een rechtspersoon, haar leden of houders van aandelen of van met medewerking der vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen en zij die deel uitmaken van haar organen moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en de billijkheid wordt gevorderd.” In de toenmalige regeling werd dus expliciet benoemd wie behoorde tot de kring van personen voor wie de rechtspersonenrechtelijke redelijkheid en billijkheid gelden. Die expliciete regeling is in 1992 vervangen door het huidige artikel 2:8 BW. In de memorie van toelichting schreef de minister: “Het eerste lid stemt overeen met het huidige artikel 7. De tekst is wat vereenvoudigd en algemener gemaakt, overigens zonder wijziging van de strekking. Daar houders van met medewerking van een vennootschap zelf uitgegeven certificaten van aandelenbepaalde (aandeelhouders) rechten binnen het vennootschapsrechtelijk verband kunnen uitoefenen, kan men hen «bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken» achten; hetzelfde geldt voor vruchtgebruikers en pandhouders van aandelen (zie de art. 88, 89, 197 en 198).”1 En in de nota naar aanleiding van het verslag: “Ik betwijfel of het begrip «orgaan» in het huidige artikel 7 een ondubbelzinnige betekenis heeft; vgl. Asser-Van der Grinten, blz. 33 e.v. en de daar vermelde litteratuur, alsmede Rechtspersonen, aant. 1 en 4 bij artikel 7. Ook nu wordt wel een ruime opvatting verdedigd. Een ruime kring is voor het onderhavige artikel niet schadelijk, integendeel. De commissie wijst op het voorbeeld van een gemeentebestuur dat statutair bevoegd is een deel van de bestuursleden van een stichting te beno[e]men; mijns inziens is het passend dat het zich dan tegenover de stichting daarbij laat leiden door hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, en bijvoorbeeld niet een notoir onbekwaam of het doel der stichting vijandig gezin[d] persoon benoemt.”2
Koelemeijer stelt in haar proefschrift dat deze aanpassing van de formulering meebracht dat de werkingssfeer van de redelijkheid en billijkheid werd verruimd, doordat niet meer van “organen” wordt gesproken maar van “bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen”. Daaronder vallen bijvoorbeeld ook houders van met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten, aldus Koelemeijer.3 Kroeze leidt uit de wijziging af dat bedoeld is het toepassingsgebied van de bepaling wat algemener te maken.4 De verruiming die Koelemeijer constateert lijkt mij beperkt; die is ook niet of nauwelijks beoogd; de minister schrijft dat de strekking van het artikel niet is gewijzigd. Wat betreft bewilligde certificaathouders is geen sprake van een verruiming, die vielen immers al onder artikel 2:7 (oud) BW. Wel als verruiming op te vatten is dat onder artikel 2:8 BW ook vruchtgebruikers en pandhouders van aandelen vallen. Voor het overige heeft de wetgever vooral een onduidelijk begrip “organen” vervangen door een eveneens onduidelijk begrip “bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen”.