Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/1.3.3
1.3.3 De inquisitoire enquête
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451886:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de enquêtes naar Bredero, Ogem, Text Lite, Vie d’Or, Landis, KPNQwest, Van der Moolen Holding en Meavita.
Zie bijvoorbeeld de enquêtes naar Ahold en Fortis.
Zie bijvoorbeeld de enquêtes naar RNA en Laurus.
Zie bijvoorbeeld Van Solinge 1997; Van Solinge 2017.
HR 9 oktober 1998, NJ 1998/853 (Van Aalten/VU (Jeffrey)), met een verlate noot van A.R. Bloembergen onder HR 5 november 1999, NJ 2000/63 (Bigamie), zeer kritisch besproken door Van Maanen 1999, p. 47-49. In die zaak liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand dat het belang dat de ouders hadden bij een verklaring voor recht (dat de vereniging die het zwembad exploiteerde aansprakelijk was voor het overlijden van Jeffrey), te weten dat zij pas een zinvol begin met het verwerken van de dood van het kind konden maken als de aansprakelijkheid van de vereniging was vastgesteld, een zuiver emotioneel belang was en, hoe zwaarwegend ook, niet kon worden aangemerkt als voldoende belang als bedoeld in de zin van artikel 3:303 BW.
Van een inquisitoire enquête is sprake wanneer de focus van de enquête is gericht op het bieden van opening van zaken en het vaststellen bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid. In de meeste gevallen heeft een inquisitoire enquête betrekking op een rechtspersoon die in staat van faillissement verkeert.1 Ook kan het gaan om een rechtspersoon die een crisis heeft doorstaan en als een feniks uit zijn as is herrezen.2 Ook gebeurt het weleens dat een enquête die begint als een curatieve of antagonistische enquête, op een gegeven moment, nadat het geschil tussen de oorspronkelijke verzoeker en de rechtspersoon is beëindigd of er in de tussentijd orde op zaken is gesteld, verandert in een inquisitoire enquête.3 Een dergelijke enquête wordt, zoals in § 1.2.2 uiteengezet, door de verzoekers instrumenteel gebruikt als een opstapje voor aansprakelijkstelling van de (voormalige) bestuurders, commissarissen en aandeelhouders van de rechtspersoon en, als deze niet failliet is, de rechtspersoon zelf. Daaraan zijn grote bezwaren verbonden.4 Ik beschouw het echter als een gegeven dat de enquête hiervoor wordt gebruikt, en de (onderzoeks)praktijk zal zich daarop moeten instellen. Er valt overigens ook wel iets te zeggen voor het gebruiken van de enquêteprocedure om opening van zaken te bewerkstelligen. In de maatschappij is er een steeds grotere behoefte om verantwoordelijkheid te kunnen vaststellen. Dat is een van de oorzaken waarom sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw het middel van de parlementaire enquête een grote vlucht heeft genomen. Ook na grote rampen (Enschede, Volendam) vraagt de samenleving om een gedegen onderzoek naar de oorzaken en om vaststelling wie voor de ramp verantwoordelijkheid dragen. De behoefte aan het kunnen vaststellen van verantwoordelijkheid is er niet alleen op macro-, maar ook op microniveau. Te wijzen valt op de felle reacties die het arrest van de Hoge Raad in de zaak-Jeffrey Mbarka heeft opgeroepen.5 In het licht hiervan is het begrijpelijk dat bij een (financiële) ramp met een onderneming de belangen van de verzoekers kunnen meebrengen dat er behoefte is aan opening van zaken. Als die behoefte zwaarwegend is, en de opening van zaken niet op andere wijze kan worden verkregen, kan de Ondernemingskamer ondanks de daaraan verbonden bezwaren een enquête gelasten. De enquête fungeert hierbij tot op zekere hoogte als een doel op zich. Het bezwaar tegen de inquisitoire enquête, het gebrek aan rechtsbescherming, zal moeten worden weggenomen door aanpassing van de werkwijze van de onderzoekers en de aansturing van het onderzoek door de Ondernemingskamer.
Een enquête zal in dit soort situaties een sterk inquisitoir karakter hebben. De Ondernemingskamer zal de onderzoeksopdracht nauwkeurig kunnen formuleren en het onderzoek zal in de regel een langere periode beslaan. Als het Openbaar Ministerie gebruikmaakt van zijn bevoegdheid een enquête te verzoeken, hetgeen deze eeuw nauwelijks meer is voorgekomen, zal het doorgaans dit type enquête betreffen. Het openbaar belang is hierbij meer gemoeid dan bij de beide andere typen enquêtes.