Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.4.8.1
7.4.8.1 Inleiding
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457866:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze bepaling is van toepassing op enquêtes gelast na de invoering van de Wet aanpassing enquêterecht op 1 januari 2013. Onder het oude recht had een betrokkene al eens geprobeerd een conceptverslag in het geding te brengen. De Ondernemingskamer besliste dat zij daarvan geen kennisnam. Zie OK 3 oktober 2011, JOR 2012/9 (Middle Europe Investments c.s.), r.o. 1.8.
Deze bepaling bespreek ik in § 11.2.
Zie hierover § 11.3.
Zie over het verbod, behoudens machtiging, mededelingen uit het verslag te doen en over de uitzonderingen op deze bepaling § 11.4.
Zie § 7.5.8.
De vertrouwelijkheid van het onderzoek is in een aantal wetsbepalingen verankerd. Artikel 2:351 lid 3 BW bepaalt dat het de onderzoekers is verboden hetgeen hun bij hun onderzoek blijkt verder bekend te maken dan hun opdracht met zich brengt. Artikel 2:351 lid 4 BW bepaalt dat het eenieder verboden is om mededelingen te doen uit de inhoud van het conceptverslag of delen daarvan die hem ter voldoening aan het vereiste van hoor en wederhoor zijn voorgelegd.1 Als het onderzoek is afgerond en de onderzoekers het verslag ter griffie hebben ingeleverd, is de verspreiding daarvan in beginsel beperkt. Artikel 2:353 lid 2 BW bepaalt dat het verslag wordt toegezonden aan de rechtspersoon, de verzoeker, de advocaat-generaal en, indien van toepassing, de in artikel 2:348 BW op de rechtspersoon van toepassing zijnde toezichthoudende instelling (DNB, de ECB en/of de AFM).2 Tenzij de Ondernemingskamer bepaalt dat het verslag ter inzage ligt voor eenieder, hetgeen zij, uitzonderingen daargelaten, alleen bij effecten uitgevende ondernemingen bepaalt, ligt het verslag alleen ter inzage voor belanghebbenden.3 Het sluitstuk op de geheimhoudingsbepalingen is artikel 2:353 lid 3 BW, dat bepaalt dat het anderen dan de rechtspersoon verboden is mededelingen aan derden te doen uit het verslag, voor zover dat verslag niet voor eenieder ter inzage ligt, tenzij zij daartoe op hun verzoek door de voorzitter van de Ondernemingskamer zijn gemachtigd.4 Opzettelijke schending van deze geheimhoudingsplicht is een misdrijf, met als maximumsanctie een jaar gevangenisstraf of een boete van de vierde categorie (artikel 272 Sr). Bij mijn weten is nog nooit iemand vervolgd wegens overtreding van deze geheimhoudingsplicht.
Helemaal waterdicht is deze regeling ter voorkoming dat er iets over het onderzoek naar buiten komt, niet. Het is partijen bij het onderzoek namelijk niet verboden om mededelingen aan derden te doen over wat zij van de onderzoekers hebben vernomen. En dat de onderzoekers met partijen moeten communiceren is onvermijdelijk, bijvoorbeeld als zij bij partijen informatie opvragen of als partijen worden gehoord.5 Dat is wel iets waar de onderzoekers rekening mee moeten houden. Ik ken geen voorbeelden waarbij dit in de praktijk problemen heeft opgeleverd. Wat mij betreft is er daarom geen reden om de wet aan te passen.