Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/3.6
3.6 Invloed van partijen op de benoeming van onderzoekers
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457889:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Böcker e.a. 2010, p. 193; Klaassen 2010b, p. 161.
De Ondernemingskamer pleegt dat thans standaard al te vragen, direct na het indienen van het verzoek. Dit is niet alleen van belang met het oog op de mogelijk te benoemen onderzoekers, maar ook om te beoordelen of een of meer van de raden uit de Ondernemingskamer een conflicterend belang hebben.
Ik realiseer mij dat het moeilijk is een sanctie te stellen op het niet-invullen van het formulier, maar dat lijkt mij geen reden invulling van het formulier niet verplicht te stellen.
De staatssecretaris van Justitie heeft in 1991 naar aanleiding van een advies van de SER besloten om raadpleging van partijen over de persoon van de te benoemen onderzoeker niet verplicht voor te schrijven. De Tweede Kamer was het daarmee eens. Bij de benoeming van deskundigen in de civiele procedure is dit wel het geval (artikel 194 Rv). In de literatuur wordt het belang van het verplichte overleg met partijen bij de benoeming van deskundigen onderschreven. Ik meen dat het feit dat de wetgever in 1991 heeft besloten raadpleging van partijen niet verplicht voor te schrijven geen reden is om de discussie niet opnieuw te voeren. Dit geldt temeer nu uit het empirisch onderzoek van Klaassen is gebleken dat de praktijk het wel degelijk als een probleem ervaart dat de benoeming van onderzoekers niet transparant is.1 Ik meen dat het mogelijk is om partijen meer invloed te geven op de benoeming van de onderzoekers zonder dat daarvoor een wetswijziging nodig is en zonder dat dit behoeft te leiden tot een vertraging van de procedure en beperking van de Ondernemingskamer om onderzoekers te benoemen die over de benodigde bekwaamheid en onafhankelijkheid beschikken (de voornaamste bezwaren van de SER in 1988).
Mijns inziens zou de Ondernemingskamer in een op te stellen procesreglement voor enquêteprocedures moeten voorschrijven dat iedere partij een formulier indient waarin zij de volgende informatie verstrekt. Dat heeft een aantal voordelen. In de eerste plaats moet worden ingevuld welke advocaten- en accountantskantoren bij het geschil of een van de partijen betrokken zijn.2 Dit is puur praktisch. Aan de hand daarvan kan de Ondernemingskamer zien welke mogelijke onderzoekers geconflicteerd zijn. In de tweede plaats, voor het geval dat de Ondernemingskamer een onderzoek zou gelasten, moeten partijen vermelden hoeveel onderzoekers er naar hun oordeel zouden moeten worden benoemd en wat de kwalificaties van die onderzoeker(s) zouden moeten zijn. Deze informatie dient twee doeleinden. Met het oog op beheersing van de kosten van het onderzoek is het wenselijk dat partijen aangeven of met één onderzoeker kan worden volstaan of dat er meerdere zouden moeten worden benoemd. Verder hebben partijen zo de mogelijkheid om aan te geven welke deskundigheid (of vaardigheden) de te benoemen onderzoeker(s) in huis zou(den) moeten hebben om een kwalitatief goed onderzoek te doen. In de derde plaats biedt dit formulier de betrokken partijen de mogelijkheid suggesties te doen voor de te benoemen personen. Dat wordt een stuk makkelijker als potentiële onderzoekers, zoals ik in de vorige paragraaf heb bepleit, worden geregistreerd in een openbaar register. Daarin kunnen partijen zien wie mogelijk beschikbaar is. Uiteraard kunnen partijen ook andere onderzoekers voorstellen. In de vierde plaats kunnen partijen op het formulier onderwerpen formuleren die in het onderzoek naar hun mening juist wel of juist niet aan de orde zouden moeten komen.
Als dit formulier bij de proces inleiding respectievelijk het verweerschrift wordt overgelegd biedt het partijen de mogelijkheid zich tijdens de mondelinge behandeling over elkaars suggesties uit te laten. Daarnaast kan dit formulier door de Ondernemingskamer worden gebruikt om ambtshalve hierover het debat met partijen aan te gaan.
Vanuit het perspectief van de verzoeker kan ik mij moeilijk voorstellen dat hij niet aan deze procedure wil meewerken. Hij wil immers dat de Ondernemingskamer een onderzoek gelast. De enige aarzeling die ik mij zou kunnen voorstellen is bij het noemen van concrete namen voor te benoemen deskundigen. Ik zou mij kunnen voorstellen dat als partijen verschillende onderzoekers voorstellen, de Ondernemingskamer juist de neiging heeft andere personen te benoemen dan door partijen voorgesteld. Dat is in mijn ervaring een reden waarom partijen momenteel terughoudend zijn met het doen van suggesties aan de Ondernemingskamer over de te benoemen onderzoekers. Als het echter gaat om personen die als potentiële onderzoeker bij de Ondernemingskamer staan geregistreerd, lijkt mij die vrees niet meer gerechtvaardigd. Dan gaat het immers om personen die in beginsel benoembaar zijn. Als er verder geen overleg is geweest tussen de verzoeker en de betrokken mogelijke onderzoekers, dan zie ik objectief geen reden waarom de Ondernemingskamer niet een van de door partijen voorgestelde onderzoekers zou kunnen benoemen.
Vanuit het perspectief van belanghebbenden die zich tegen een onderzoek verzetten, ligt dit mogelijk anders. Waarom zouden zij zich over de te benoemen onderzoekers en over de aan hen te stellen vragen uitlaten als zij menen dat er helemaal geen onderzoek moet komen? Zou een belanghebbende niet kunnen denken dat hij zijn verweer verzwakt door aan te geven wie als onderzoekers benoemd zouden moeten worden (en wat zij zouden moeten onderzoeken)? Ik kan mij die gedachte levendig voorstellen, maar juist door het invullen van het formulier verplicht te stellen,3 waardoor in de praktijk snel genoeg zal blijken dat het invullen van het formulier niet noodzakelijkerwijs tot toewijzing van het enquêteverzoek leidt, zal de Ondernemingskamer deze vrees kunnen wegnemen.