RvdW 2024/1135:Profijtontneming, w.v.v. uit bedrijfsmatige verkoop van hennep in periode van 1 juni 2010 tot en met 6 april 2011 en uit andere strafbare feiten (verkoop van hennep in periode 1 december 2009 tot 1 juni 2010), art. 36e lid 2 (oud) Sr. Zijn er ‘voldoende aanwijzingen’ dat betrokkene w.v.v. heeft verkregen uit hennepverkoop voorafgaand aan de in strafzaak bewezenverklaarde periode? HR: Om redenen vermeld in CAG is klacht terecht voorgesteld. CAG: Hof heeft overwogen dat aan bewezen verklaarde periode voorafgaande ‘ontnemingsperiode van 1 december 2009 tot 1 juni 2010 voldoende aannemelijk’ is gemaakt. Hof heeft dit oordeel gebaseerd op feit dat betrokkene sinds 10 november 2006 growshop op naam had staan en die ‘reeds vanaf 2007 in verband werd gebracht met handel in hennep en uitvoer daarvan’ en dat naam betrokkene in december 2009 blijkens CIE-informatie concreet in verband is gebracht met verkoop van verdovende middelen. V.zv. in dit oordeel al besloten ligt dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat betrokkene zich in periode van 1 december 2009 tot 1 juni 2010 schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten als waarvoor hij in strafzaak is veroordeeld, is oordeel ontoereikend gemotiveerd. Voldoende aanwijzingen dat betrokkene deze soortgelijke feiten heeft begaan, kunnen namelijk niet zonder meer worden afgeleid uit de door hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing v.zv. betalingsverplichting bedrag van schatting overig w.v.v. te boven gaat. Samenhang met RvdW 2024/1136.