Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.4.2
3.4.2 Wilsrechten van artikel 4:19 tot en met 4:22 BW, de legitieme en andere wettelijke rechten
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948089:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 870, nr. 3, p. 6.
Vgl. Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/327 die erop wijzen dat de vordering die ontstaat doordat de wilsrechten worden ingeroepen als ‘goederen op naam’ kwalificeren, zodat deze op grond van artikel 1:97 lid 1 BW onder het privatieve bestuur staan van de echtgenoot die de wilsrechten verkreeg. Wat ten aanzien van het bestuur van het wilsrecht zélf en ten aanzien van het geïnde geldt, laten zij in het midden, behalve dat zij constateren dat artikel 1:97 lid 1 BW de erfrechtelijke verkrijgingen krachtens erfopvolging bij versterf, making of lastbevoordeling noemt, en daartoe niet de rechten behoren om aanspraak te maken op de sommen ineens van artikel 4:35 en 4:36 BW en op de legitieme portie. Terecht constateren zij dat deze erfrechtelijke wilsrechten in beginsel in de gemeenschap van goederen vallen, met dien verstande dat zij de aanspraak tot het verkrijgen van de som ineens van artikel 4:35 BW wél als bijzondere verknocht aanmerken, terwijl voor het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29 en 4:30 BW geldt dat deze op grond van artikel 1:90 lid 1 BW eveneens onder privatief bestuur staan van de echtgenoot die deze heeft verkregen, nu deze op grond van artikel 1:94 lid 2 sub c oud BW überhaupt buiten de huwelijksgemeenschap vallen.
Zie voor de aard en het karakter van de verdeling hoofdstuk 5.
Zie in gelijke zin Kamerstukken II 1997/98, 17 141, nr. 25, p. 10. Zie anders Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/219. Zij menen dat de wilsrechten van een kind van de erflater in de huwelijksgemeenschap vallen waarin dat kind is gehuwd, maar dat bij een verdeling na ontbinding van de gemeenschap de bevoegdheid om aanspraak te maken op een wilsrecht aan hem dient te worden toegedeeld op grond van de redelijkheid en billijkheid. Omdat volgens hen een verdeling geen overdracht is, kunnen de wilsrechten echter ook aan de echtgenoot van het kind worden toegedeeld, en staat artikel 4:25 lid 5 BW aan een dergelijke toedeling niet in de weg. Zie in dit verband ook De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 133, die voorkeur lijken te hebben voor de opvatting dat de wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW op grond van bijzondere verknochtheid buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Zie daartegen Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 172-173, die schrijven dat weliswaar verdedigbaar is dat wilsrechten op grond van bijzondere verknochtheid niet in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen vallen, maar – aangezien vordering en wilsrecht juridisch met elkaar verbonden zijn en de vordering in geval van een algehele wettelijke gemeenschap van goederen in de huwelijksgemeenschap valt – niet anders geoordeeld kan worden dan dat het wilsrecht ook daarin valt.
Zie Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/216 en Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Tweede gedeelte 2008/637. Zie in gelijke zin De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 123.
Zie Asser/Perrick 4 2021/217a. Zie tevens Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/284. Laatstgenoemde schrijvers lijken – naar mijn mening ten onrechte – aan te nemen dat het wilsrechtenvruchtgebruik óók in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen zou vallen. Zie daarover paragraaf 3.2.2, randnummer 289, hiervóór.
Zie Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 167-169; De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 116; Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/272; Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/187 en Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding 2008, p. 162. Zie anders Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel 1996/7.6.2 die voorstander is van een ruimere interpretatie van de uitzonderingscategorie verknochtheid. Zie tevens Gisolf, Verknochtheid in het huwelijksvermogensrecht 1974, p. 155.
Vgl. Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 171 en Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2023/272. Zie anders Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/187 en De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 126.
305. In de vorige paragraaf is gebleken dat het algemene uitgangspunt van de algehele wettelijke gemeenschap van goederen is dat verkrijgingen krachtens erfopvolging bij versterf, making en lastbevoordeling in de huwelijksgemeenschap vallen, maar dan wel met een aanzienlijke beperking van die gevolgen via de regeling van bestuur ex artikel 1:97 lid 1 BW. Daarbij spreekt artikel 1:97 lid 1 BW letterlijk over goederen die ‘krachtens erfopvolging bij versterf, making of lastbevoordeling zijn verkregen’. De wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW, de legitieme en de andere wettelijke rechten van Afdeling 4.3.2 BW worden in artikel 1:97 lid 1 BW dus niet genoemd (voor het verzorgingsvruchtgebruik van artikel 4:29, 4:30 en 4:34 BW is dat niet nodig, omdat dit op grond van artikel 1:94 lid 2 sub c oud BW van de werking van boedelmenging is uitgezonderd, zie paragraaf 3.4.1 hiervóór). Nu kan ten aanzien van de wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW nog worden aangenomen dat deze (ook) kunnen worden geschaard onder de categorie goederen ‘die krachtens erfopvolging bij versterf’ zijn verkregen (zie paragraaf 3.2.2 hiervóór). Ten aanzien van de andere rechten is dat echter niet mogelijk. Deze vallen niet onder een van de in artikel 1:97 lid 1 BW genoemde categorieën. Dat is opmerkelijk. Waar de wetgever de verkrijgingen krachtens erfopvolging bij versterf, making en lastbevoordeling vanwege ‘de bijzondere band of bijzondere verknochtheid tussen de erflater en de erfgenaam’ onder het privatieve bestuur heeft gebracht van de echtgenoot die deze heeft verkregen, moet dat ook voor de andere erfrechtelijke verkrijgingen gelden. In de vorige paragraaf is reeds de passage uit de parlementaire geschiedenis geciteerd waar de minister aangaf dat wanneer de erflater geen uiterste wilsbeschikking heeft gemaakt de erfgenaam de nalatenschap zal verkrijgen via het wettelijk erfrecht, dat dit wettelijk erfrecht is gebaseerd op familierechtelijke betrekkingen, en dat in dat geval die bijzondere band reeds uit die familierechtelijke betrekking volgt.1 Ditzelfde argument geldt voor de wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW, het wilsrechtenvruchtgebruik dat voor de langstlevende in die bepalingen besloten ligt, de legitieme, alsmede de ‘andere wettelijke rechten’. Ook dat betreffen allemaal verkrijgingen die zijn gebaseerd op het wettelijk erfrecht, zodat ook voor deze verkrijgingen moet gelden dat de persoonlijke betrekking/bijzondere band tussen de erflater en erfgenaam met zich meebrengt dat slechts de echtgenoot aan wie de betreffende erfrechtelijke verkrijging is toegevallen ten aanzien van die goederen bestuursbevoegd is. Nu de wet dat in artikel 1:97 lid 1 BW niet bepaalt zal men daarvoor zijn toevlucht moeten zoeken tot de bijzondere verknochtheid van artikel 1:94 lid 3 oud BW. Dat betekent dat de wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW, het in die bepalingen besloten liggende wilsrechtenvruchtgebruik, de legitieme en de andere wettelijke (wils)rechten op grond van bijzondere verknochtheid onder het privatieve bestuur staan van de echtgenoot die deze goederen heeft verkregen. Datzelfde geldt voor de vordering die door uitoefening van deze wilsrechten ontstaat, alsmede hetgeen op die vordering wordt geïnd.2 Ook die kunnen als ‘bijzonder verknocht’ in voornoemde zin worden gekwalificeerd. Aldus is de andere echtgenoot niet alleen absoluut onbevoegd om de wilsrechten in te roepen, maar is hij ook absoluut onbevoegd om het bestuur uit te oefenen over de vordering die daardoor ontstaat, en is hij absoluut onbevoegd om het bestuur uit te oefenen over hetgeen op die vordering is geïnd. Die bijzondere verknochtheid werkt vervolgens óók door ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Daarbij zorgt deze bijzondere verknochtheid er dan voor dat de gebruikelijke regelingen van artikel 3:170 BW en artikel 3:169 BW worden doorkruist. Verwezen wordt naar hetgeen daar in de vorige paragraaf reeds over is opgemerkt.
306. De hiervoor genoemde bijzondere verknochtheid geldt voor de wilsrechten van artikel 4:19-4:22 BW, de legitieme, en de andere wettelijke rechten van Afdeling 4.3.2 BW (behoudens de wettelijke rechten van artikel 4:29, 4:30 en 4:34 BW, die immers op grond van artikel 1:94 lid 2 sub c oud BW al volledig van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd). In bepaalde gevallen geldt echter nog een aantal aanvullende regels. In dat verband kan ten eerste op artikel 4:25 lid 5 BW worden gewezen. Dat artikel bepaalt dat voor zover een kind de in artikel 13 lid 3 bedoelde vordering aan een andere persoon overdraagt, de in artikel 19, 20, 21 en 22 bedoelde bevoegdheid tenietgaat. Volgens mij betekent dit óók dat wanneer bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap de vordering op de langstlevende echtgenoot wordt toegedeeld aan de andere echtgenoot, de aan die vordering verbonden wilsrechten op grond van artikel 4:25 lid 5 BW tenietgaan. Per saldo kwalificeert een verdeling immers als een levering krachtens de zelfstandige titel verdeling, waardoor de verdeling grote gelijkenis vertoont met een overdracht.3 Analoge toepassing van artikel 4:25 lid 5 BW op de verdeling ligt daarmee voor de hand.4 Ten tweede verdient nog bijzondere aandacht het vruchtgebruik voor de langstlevende echtgenoot dat in artikel 4:19 en 4:21 BW besloten ligt. In de literatuur wordt wel bepleit dat dit wilsrecht, en het daaruit voortvloeiende vruchtgebruik, bijzonder verknocht zouden zijn aan de langstlevende ouder. Die bijzondere verknochtheid zou er dan toe leiden dat het vruchtgebruik wél in de huwelijksgemeenschap valt waarin de langstlevende ouder mocht huwen, maar dat dit steeds aan die langstlevende ouder zal moeten toegedeeld, zonder verrekening van de waarde daarvan. Luijten doet daarbij een beroep op de aard van het betrokken vruchtgebruik, dat een zeker verzorgingskarakter heeft.5 Toedeling aan de andere echtgenoot zou in strijd komen met de ratio van de bepalingen van artikel 4:19 en 4:21 BW. Naar mijn mening dient deze opvatting niet te worden gevolgd. Perrick wijst er terecht op dat er zich geen relevant verschil voordoet met de situatie dat de langstlevende nog gerechtigd is tot de geërfde goederen. Worden deze goederen aan de langstlevende toegedeeld, dan moet hij ook de waarde daarvan met (de erfgenamen van) zijn nieuwe echtgenoot verrekenen.6 Wel volgt uit artikel 4:23 lid 5 BW dat het (wilsrecht tot het vestigen van het) vruchtgebruik niet aan de nieuwe echtgenoot van de langstlevende ouder kan worden toegedeeld. Artikel 4:23 lid 5 BW bepaalt immers dat de echtgenoot niet bevoegd is het vruchtgebruik over te dragen of te bezwaren. Nu een verdeling gelijk is te stellen aan een overdracht, verhindert dit daarmee ook de toedeling van dat vruchtgebruik aan de nieuwe echtgenoot van de langstlevende (net zoals dit ook voor de wilsrechten van de kinderen op grond van artikel 4:25 lid 5 BW geldt).
307. De laatste erfrechtelijke verkrijging die nog nadere aandacht behoeft, is de aanspraak op de som ineens van artikel 4:35 BW. Artikel 4:35 BW geeft een kind van de erflater een aanspraak op een som ineens, voor zover deze nodig is voor zijn verzorging en opvoeding tot het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, en voorts voor zijn levensonderhoud en studie tot het bereiken van de leeftijd van eenentwintig jaar. Betoogd wordt wel dat dit (wils)recht op grond van bijzondere verknochtheid volledig buiten de huwelijksgemeenschap zou vallen. Daarbij wordt dan een beroep gedaan op het persoonlijke ‘alimentaire’ karakter van deze aanspraak.7 Niet duidelijk is of dit dan ook geldt voor de vordering tot betaling van de som ineens, die na uitoefening van het wilsrecht ontstaat, en voor de geïnde geldsom. Wat daar ook van zij; naar mijn mening dient deze opvatting nietaanvaard te worden. Met de regel dat het wilsrecht, de vordering die door uitoefening daarvan ontstaat, alsmede het geïnde onder het exclusieve bestuur staat van degene die dit verkreeg, wordt al voldoende recht gedaan aan de bijzondere band die tussen erflater en erfgenaam bestaat. Daarbij is van belang dat algemeen wordt aangenomen dat de regeling van bijzondere verknochtheid, gelet op het alomvattende karakter van de huwelijksgemeenschap, zo beperkt mogelijk opgevat dient te worden.8 Wat mij betreft is er daarom onvoldoende grond om de aanspraak op de som ineens van artikel 4:35 BW volledig buiten de algehele wettelijke gemeenschap van goederen te laten vallen op grond van bijzondere verknochtheid.
308. Bij dit alles geldt tot slot ook nog het volgende; voor alle hiervoor genoemde erfrechtelijke verkrijgingen geldt dat voor zover toedeling aan de andere echtgenoot überhaupt mogelijk is (zie mijn opmerkingen over artikel 4:25 lid 5 en 4:23 lid 5 BW onder randnummer 306 hiervóór), de echtgenoot wiens erfrechtelijke verkrijging het betreft bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap toedeling van die verkrijgingen aan hem kan verlangen. Dat geldt niet alleen voor de wilsrechten zelf, maar ook voor de vordering die na uitoefening daarvan is ontstaan, alsmede voor hetgeen op die vordering is geïnd. Naar mijn mening is dit recht op toedeling gebaseerd op de redelijkheid en billijkheid die de verhoudingen tussen de ex-echtelieden als deelgenoten in de ontbonden huwelijksgemeenschap beheersen (zie artikel 3:166 lid 3 jo. 6:2 BW). Het is dus niet zozeer een uitvloeisel van de bijzondere verknochtheid van die goederen.9 De gevolgen van de bijzondere verknochtheid zijn beperkt tot het exclusieve bestuur op grond van artikel 1:97 lid 1 BW, alsmede het buiten werking stellen van de regelingen van artikel 3:169 en artikel 3:170 lid 1-3 BW wanneer de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Dit alles betekent dat de erfrechtelijke verkrijgingen na ontbinding van de huwelijksgemeenschap dus óók aan de andere echtgenoot kunnen worden toegedeeld, uiteraard alleen indien en voor zover de wet dat toestaat (zie artikel 4:23 lid 5 en artikel 4:25 lid 5 BW, zoals hiervóór besproken). De redelijkheid en billijkheid die de verhoudingen tussen de ex-echtgenoten beheersen gaan immers niet zover dat een dergelijke toedeling überhaupt niet mogelijk zou zijn. Uiteraard kan dit dan alléén als de echtgenoten het daar met elkaar over eens zijn.