Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/6.3.4.3
3.4.3 Goederen verkregen onder testamentair bewind
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948173:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het testamentair bewind uitvoerig B.M.E.M. Schols, in: Handboek Erfrecht 2020, hoofdstuk XV en Asser/Perrick 4 2021, hoofdstuk 17.
Zie Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 179-181; De Bruijn/Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019, p. 126; Klaassen/Luijten & Meijer Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/226 en Pitlo/Van der Burght & Doek, Personen- en familierecht 2002/343.
Zie Klaassen/Luijten & Meijer Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/226.
Zie Asser/Perrick 4 2021/739; P.W. van der Ploeg, ‘Bewind en boedelmenging’, WPNR 1954/4340 en Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel 1996/8.3.1.
Zie in gelijke zin C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 110-111.
Vgl. C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 111.
Vgl. C.A. Kraan, Handboek huwelijksvermogensrecht 2022, p. 110-111.
Vgl. Asser/Perrick 4 2021/712 en S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/56.
Zie over de werking van de verdeling uitvoerig hoofdstuk 5.
Vgl. Asser/Perrick 4 2021/712; B.M.E.M. Schols, in: Handboek erfrecht 2020, p. 613 en Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Tweede gedeelte 2008/405. Voor de toepassing van artikel 3:213 lid 1 BW wordt hetzelfde aangenomen. Zie daarover paragraaf 4.4.2 van hoofdstuk 9.
Voorbeeld: echtgenoot A en B zijn in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd. Echtgenoot A heeft uit de nalatenschap van X een bedrag van € 200.000 verkregen, welk bedrag in zijn belang onder testamentair bewind is gesteld. Op enig moment gaan A en B scheiden. Tot de huwelijksgemeenschap behoort de echtelijke woning met een waarde van € 300.000. A wil die woning graag toegedeeld krijgen. De bewindvoerder stemt daar mee in. Afgesproken wordt dat het saldo van de bankrekening waar het bedrag van € 200.000 op staat aan echtgenoot B wordt toegedeeld. Daarnaast krijgt echtgenoot B nog een aantal andere goederen van de huwelijksgemeenschap toegedeeld, met een totale waarde van € 100.000. De totale tegenprestatie voor de verkrijging van de echtelijke woning bedroeg voor A € 300.000. Daarvan is bij de verdeling een bedrag ter grootte van € 200.000 ten laste gekomen van vermogen dat onder testamentair bewind viel. Aldus is meer dan de helft van de verschuldigde tegenprestatie ten laste gekomen van vermogen dat onder testamentair bewind stond, zodat de woning na de verdeling op grond van artikel 4:154 lid 1 BW onder het testamentair bewind valt. Zie over de werking van artikel 1:95 lid 1 BW bij de verdeling van een gemeenschap paragraaf 4.4.3 van hoofdstuk 8.
Zie paragraaf 3.3.2.5 en 4.5 van hoofdstuk 4.
Vgl. hetgeen op grond van artikel 4:167 lid 2 BW geldt indien het bewind is ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende of in een gemeenschappelijk belang, waardoor de rechthebbende slechts onder voorbehoud van het bewind bevoegd is tot het verrichten van beschikkingshandelingen. Ook in dit artikel ligt dus een absolute werking (‘zaaksgevolg’) van het bewind besloten. Zie S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/56. Dit zaaksgevolg (i.e. deze ‘absolute werking’) is wat anders dan dat bewind een absolute inbreuk maakt op het absolute effect dat de verkrijging van goederen normaal gesproken heeft. Zie over dit onderscheid paragraaf 3.3 van hoofdstuk 2.
309. Artikel 4:153 BW bepaalt dat een erflater bij uiterste wilsbeschikking bewind kan instellen over één of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen. Uit artikel 4:155 lid 1 BW volgt dat een testamentair bewind wordt vermoed te zijn ingesteld in het belang van de rechthebbende. Een testamentair bewind kan echter ook (mede) zijn ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende, of in het gemeenschappelijk belang.1 De vraag is of goederen die onder een testamentair bewind zijn gesteld in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen vallen waarin de erfgenaam is gehuwd, of dat het bewind dit voorkomt. De heersende opvatting is dat goederen die onder testamentair bewind zijn gesteld in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen vallen, maar dat deze bij verdeling van de gemeenschap aan de erfgenaam zullen moeten worden toegedeeld. Op grond van artikel 4:167 BW zal de bewindvoerder dan aan die verdeling mee moeten werken, nu de verdeling een daad van vervreemding is.2 Is het aandeel van de bewindsgoederen in de gemeenschap groter dan de helft van de waarde van de gehele gemeenschap, dan zal toedeling van alle bewindsgoederen aan de rechthebbende plaatsvinden onder toekenning van een onderbedelingsvordering aan de andere echtgenoot die pas opeisbaar is aan het einde van het bewind.3 In de literatuur wordt echter ook bepleit dat het bewind de werking van boedelmenging nog verder doorkruist in die zin dat de onder bewind gestelde goederen in ‘goederenrechtelijke zin’ niet in de huwelijksgemeenschap vallen, maar dat de waarde van deze goederen bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap door echtscheiding wél verrekend dient te worden. Wordt de huwelijksgemeenschap ontbonden door het overlijden van de persoon wiens goederen onder bewind staan, dan komt het bewind te vervallen, en verzet niets zich er meer tegen dat de goederen alsnog volledig in de huwelijksgemeenschap vallen.4
310. Ik kan mij met geen van beide opvattingen verenigen. Er bestaat volgens mij geen bezwaar tegen om goederen die onder testamentair bewind zijn gesteld ‘vol’ in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen te laten vallen.5 Ook voor verkrijgingen die onder bewind zijn gesteld geldt immers dat de andere echtgenoot op grond van artikel 1:97 lid 1 BW absoluut onbevoegd is om daarover het bestuur te voeren, terwijl na ontbinding van de huwelijksgemeenschap deze absolute onbevoegdheid blijft bestaan op grond van bijzondere verknochtheid (zie paragraaf 3.4.1 hiervóór). De andere echtgenoot is daarmee in beide fasen van de huwelijksgemeenschap absoluut onbevoegd om enige handeling ten aanzien van de onder bewind gestelde goederen te verrichten. Deze bevoegdheid komt volledig aan de betreffende echtgenoot en diens bewindvoerder toe (conform de bepalingen van artikel 4:166 en 4:167 BW). Wordt de huwelijksgemeenschap door echtscheiding ontbonden, dan kunnen de goederen die onder bewind zijn gesteld ook aan de andere echtgenoot worden toegedeeld waarbij het bewind zal vervallen.6 Goederen die krachtens erfrechtelijke titel zijn verkregen en die niet onder bewind zijn gesteld, kunnen immers óók aan de andere echtgenoot toegedeeld worden. Waarom zou dit dan niet gelden voor onder bewind gestelde goederen? Bij dit alles dient men zich dan wel te realiseren dat voor toedeling van bewindsgoederen aan de andere echtgenoot de medewerking van de bewindvoerder nodig zal zijn, die daarbij de belangen van de rechthebbende in de gaten zal houden.7 Ervan uitgaande dat het bewind mede in het belang van de rechthebbende is ingesteld, zal hetgeen de betreffende echtgenoot uit hoofde van de verdeling ontvangt op grond van artikel 4:154 BW ook weer onder bewind komen te staan.8 Dat geldt niet alleen voor de goederen die daarvóór al onder bewind stonden en die bij de verdeling worden (her)verkregen,9 maar óók voor een eventuele onderbedelingsuitkering die de betreffende echtgenoot uit hoofde van de verdeling ontvangt, en voor goederen die hij in het kader van de verdeling ontvangt die daarvóór niet onder testamentair bewind stonden. Wordt uit de verdeling een overbedelingsuitkering verkregen, dan zullen die vordering en het daarop geïnde op grond van zaaksvervanging alleen onder het bewind vallen voor zover die overbedelingsuitkering de waarde van de daarvóór onder bewind gestelde goederen niet overtreft. Dat kan dus betekenen dat de overbedelingsuitkering slechts gedeeltelijk krachtens zaaksvervanging onder bewind komt te staan. Worden bij de verdeling goederen die onder testamentair bewind stonden aan andere echtgenoot toegedeeld, in ruil waarvoor de rechthebbende andere goederen van de huwelijksgemeenschap ontvangt, dan zullen die goederen op grond van artikel 4:154 BW onder het testamentair bewind vallen, waarbij de ‘verhoudingsmaatstaf’ van artikel 1:95 lid 1 BW analoog mag worden toegepast.10 Dat betekent dat die andere goederen onder het testamentair bewind komen te staan, indien en voor zover bij de verdeling ten minste de helft van de verschuldigde tegenprestatie ten laste is gekomen van goederen die daarvóór onder testamentair bewind stonden. Dat zal het geval zijn wanneer de waarde van de onder testamentair bewind gestelde goederen die aan de andere echtgenoot zijn toegedeeld méér bedraagt dan de helft van de waarde van de ‘vrije’ goederen die aan de rechthebbende zijn toegedeeld.11 Het gevolg van dit alles kan ten slotte óók zijn dat de rechthebbende na verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap minder goederen onder bewind heeft, dan daarvóór. Dat zal het geval zijn wanneer bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap de waarde van de onder bewind gestelde goederen hoger was dan de waarde van de overige goederen van de huwelijksgemeenschap, en de gemeenschap zo is verdeeld dat geen over- of onderbedeling heeft plaatsgevonden, of de niet onder bewind gestelde echtgenoot bij de verdeling is overbedeeld. Dat maakt echter niet dat de onderbewindgestelde goederen alsnog van de huwelijksgemeenschap zouden moeten zijn uitgezonderd. Als de erflater dit had willen voorkomen, had hij de onder bewind gestelde goederen middels een uitsluitingsclausule buiten de huwelijksgemeenschap moeten laten vallen.
311. Gaat het om goederen die een echtgenoot onder testamentair bewind heeft verkregen en die in de huwelijksgemeenschap zijn gevallen, dan verdient tot slot ook de positie van de schuldeisers van de echtgenoten nog enige aandacht. Artikel 4:175 lid 1 BW bepaalt dat tijdens het bewind de onder het bewind staande goederen ten laste van de rechthebbende slechts voor een aantal specifiek in lid 1 genoemde schulden uitgewonnen kunnen worden. Artikel 4:176 BW bepaalt vervolgens dat, indien het bewind uitsluitend is ingesteld in het belang van een ander dan de rechthebbende dan wel in een gemeenschappelijk belang, de onder bewind gestelde goederen ten laste van de rechthebbende ook voor andere schulden kunnen worden uitgewonnen, maar dan slechts onder de last van het bewind. Goederen die in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen zijn gevallen, zijn op grond van artikel 1:96 lid 1 BW ook uitwinbaar door (privé)schuldeisers van de andere echtgenoot.12 De vraag is of deze vervolgens ook zijn gebonden aan de verhaalsbeperking die voor de rechthebbende uit artikel 4:175 BW voortvloeit. Dat is het geval. Dat komt doordat artikel 4:175 BW absolute werking (‘zaaksgevolg’) heeft;13 zolang het bewind niet is komen te vervallen, blijft ook de verhaalsbeperking van artikel 4:175 BW gelden voor de goederen die onder bewind zijn blijven staan. Dat betekent dat deze goederen dus ook niet door de schuldeisers van de andere echtgenoot kunnen worden uitgewonnen, ook al zijn zij in de huwelijksgemeenschap gevallen en is op deze goederen in beginsel artikel 1:96 lid 1 BW van toepassing; de werking van artikel 1:96 lid 1 BW wordt in dit geval doorkruist door de verhaalsbeperking van artikel 4:175 BW.