Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.2.2
VIII.2.2 Publicitaire uitlatingen in de praktijk
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596294:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over die ontwikkeling bijv. Buruma 2005; Boutellier 2011.
Vgl. Van der Heijden 2008. Zie voor nadere analyse van de oorzaken van teruglopende terughoudendheid Corstens 2007.
Zie over (de achtergronden van) deze ontwikkelingen in de (misdaad)journalistiek uitvoerig nader Brants & Brants 2002; Brants 2011. Zie in dit verband voorts over de toegenomen rol van burgers en particuliere rechercheurs in de opsporing Moerman 2016.
Aldus Terpstra 2013. Ook Stevens (2010a) ziet in de wijze waarop opsporingsinstanties het publiek voorlichten een belangrijke oorzaak voor de soms nauwelijks te controleren media-aandacht voor een strafzaak.
Toenmalig minister Nawijn stelde in de Nieuwe Revu van 20 november 2002 met enige voorbehouden dat Van der G. wat hem betreft in aanmerking kwam voor de doodstraf. Kamerlid Herben gaf aan dat de verdachte “al eerder” een moord had gepleegd. Teeven, toen lijsttrekker voor Leefbaar Nederland, zei in het televisieprogramma Buitenhof op 12 mei 2002 onder meer dat Van der G. een voorverkenning in het mediapark te Hilversum moet hebben verricht, zijn schietvaardigheid moet hebben getraind en niet alleen kan hebben gehandeld. Deze en andere uitspraken komen terug in het arrest in de zaak van het Hof Amsterdam 18 juli 2003, NJ 2003, 580.
Van deze radio-uitzending wordt melding gemaakt in het NRC Handelsblad van 21 september 2006 en door Schuijt 2007. De strafzaak tegen de celbewoner zou nadien nog ruim 6 jaar duren en eindigen in een algehele vrijspraak, zie Hof Den Haag 1 maart 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ2763.
Zie over Samir A. Corstens 2007. Zie ook de zaak die leidde tot HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4149.
Algemeen Dagblad van 13 november 2007, zie daarover Rb. Haarlem 21 december 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BC0703.
Zie daarover Hof Amsterdam 26 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8885.
Om die reden waren de opmerkingen van de voorzitter van de rechtbank in de zaak Holleeder opmerkelijk, al kwamen zij niet in de buurt van een schending van het onschuldvermoeden, zo vond ook het Hof Amsterdam 3 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ164.
Zie in algemene zin bijvoorbeeld Stevens 2010a; Schouten 2011 en de kritiek van advocaten als Korvinus en Röttgering zoals opgetekend door Kor (2008, p. 76-77). Die geluiden dateren al van midden jaren ’90 toen het OM in het Octopusproces tegen Johan V., alias de Hakkelaar, een mediagevecht uitvocht met de verdediging. Zie daarover uiterst kritisch Groenhuijsen 1997.
Zie daarover Stevens 2010a en de opmerkingen van Frielink als opgetekend door Scheltema 2011.
Vgl. Richtlijn voorlichting opsporing en vervolging van 26 november 1997, Stcrt. 1998, 17 en Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging van 2 juli 2002, Stcrt. 2002, 140.
Stevens 2010a, § 2.
Daarvoor waarschuwen Brants (2005, p. 61) en Frielink (in gesprek met Scheltema 2011, p. 19).
Ook Van Lent (2013, p. 356 en p. 359) acht het EHRM in dit opzicht strikt. Zie enigszins anders: Stevens 2010a, § 3.
Het OM gaf in de zaak het volgende persbericht uit: “De Amsterdamse Effectenbeurs dient in deze te worden beschouwd als een werktuig in handen van een aantal personen die zich kennelijk niet wensen te houden aan de wettelijke regels met betrekking tot de handel in effecten.” Verderop in het persbericht werden de namen van de commissionairs bij wie huiszoeking was gedaan gepubliceerd. De civiele kamer van de Hoge Raad achtte dit – anders dan de rechtbank, het hof en de A-G – een onrechtmatige daad, zie HR 13 juli 2007, NJ 2007, 505, m.nt. Alkema.
HR 1 februari 2005, NJ 2006, 421.
Zo ook Stevens 2010a.
Vgl. Stevens 2010a; Scheltema 2011; Terpstra 2013.
Stevens 2010a, §3.
Een kleine greep uit tussen 15 juli en 5 augustus 2016 gepubliceerde gepubliceerde journalistieke berichten voldoet ter illustratie: ‘Video van dader Duitse treinaanval’, NOS.nl op 19 juli 2016; ‘Ossenaar (18) zwaargewond bij steekpartij in Ravenstein, dader aangehouden’, Brabants Dagblad 16 juli 2016; ‘Autospiegel vernield in Druten, dader opgepakt’, De Gelderlander 5 augustus 2016. Voor uitingen van niet-journalisten verwijs ik naar de talloze reacties onder strafrechtgerelateerde nieuwsberichten op onder meer geenstijl.nl, telegraaf.nl en nu.nl.
Gesteld is daarom wel dat de onschuldpresumptie juist op particuliere media van toepassing zou (moeten) zijn, vgl. Stevens 2010a, § 3; Schouten 2011, p. 59-62; Van Lent 2013, p. 359.
Zie met name § 4 van bovenvermelde aanwijzing.
HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024, NJ 2016, 111, m.nt. Myjer.
De appelschriftuur van de officier luidde onder meer: “Het vertonen van ‘stills’ [...] was [...] waarschijnlijk minder belastend geweest, maar gaat voorbij aan het feit dat verdachte [...] iemand ernstig, bijna dodelijk heeft toegetakeld. […] Waarom zou het Openbaar Ministerie [deze indringende beelden] de samenleving willen onthouden? Omwille van het op ultieme wijze tegemoet komen aan de privacybelangen van verdachten die besluiten in het openbaar dit soort ernstige, de samenleving ontwrichtende, feiten te plegen?[...] Ik zou menen van niet! Hierbij past naar mijn mening enkel het inzetten van ‘de troefkaart’, het middel dat […] de meeste slagkracht [heeft].”
Zo ook Myjer, annotatie bij HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3024, NJ 2016, 111, punt 5.
Meer dan een wettelijk kader is die beroepsethiek vervlochten met de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen van het moment. Wellicht mede door het ontbreken van een concrete (wettelijke) regeling aan de hand waarvan de toelaatbaarheid van uitlatingen moet worden beoordeeld, hebben culturele veranderingen aanzienlijke invloed op de mate waarin de onschuldpresumptie in de publiciteit wordt nageleefd. Het huidige tijdsgewricht lijkt het beginsel in dat opzicht niet zo gunstig gezind.
Sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw is veiligheid een kernthema in het maatschappelijk debat, waarbij een belangrijke rol voor het strafrecht is weggelegd.1 Politici zijn hun grote vrijheid zich over lopende strafzaken uit te laten mede daardoor minder terughoudend gaan benutten.2 De aard en de rol van media zijn eveneens veranderd. Door de komst van commerciële televisie ontstond al een hevige concurrentiestrijd om het meest aantrekkelijke en spannende nieuws te presenteren, maar nieuwe media hebben daar de snelheid van dat nieuws als cruciaal element aan toegevoegd. Journalisten mengen zich assertiever in het verloop van strafrechtelijk onderzoek.3 Opsporingsinstanties beantwoorden die interesse in strafrechtelijke kwesties met een actiever en op transparantie gericht communicatiebeleid. Zij dragen daarmee – grotendeels onbedoeld – bij aan de verplaatsing van strafrechtelijke discussies naar een gemediatiseerde arena.4
De groeiende bereidheid (of soms zelfs: graagte) van politici om commentaar op strafzaken te geven, heeft de afgelopen jaren tot diverse situaties geleid waarin de uitlatingen zich tot de onschuldpresumptie op zijn minst moeizaam verhielden. Zo lieten naar aanleiding van de moord op Pim Fortuyn diverse Kamerleden en bewindspersonen blijken dat de verdachte Van der G. wat hen betreft schuldig was.5 Toenmalig minister De Geus noemde het op de radio een “rotstreek” dat een gedetineerde de Schipholbrand moedwillig had aangestoken.6 Ook vrijspraken in terrorismezaken als die tegen Samir A. stuitten op stevige politieke kritiek.7 Over het tot ‘proces van de eeuw’ gebombardeerde strafproces tegen Willem Holleeder stelde Kamerlid Teeven dat voldoende bewijs tegen de verdachte bestond en diens verklaringen ongeloofwaardig waren.8 Soortgelijk zei de Amsterdamse burgemeester Van der Laan dat in de Amsterdamse zedenzaak tegen Robert M. zoveel bewijs voorhanden was dat daar geen zorgen over hoefden te bestaan.9
De kans op schending van de onschuldpresumptie door leden van de zittende magistratuur lijkt daarentegen betrekkelijk klein. Hoogstzelden doen zij in de media zonder terughoudendheid van zich spreken.10 Het gebruik van persrechters en -raadsheren voorkomt emotionele onthullingen en rechters kiezen in hun contact met de buitenwereld doorgaans een zakelijke toon.
Op het proactieve mediaoptreden van het Openbaar Ministerie in vooral spraakmakende strafzaken bestaat meer kritiek.11 In een aantal grote zedenzaken, zoals de reeds genoemde tegen Robert M. en die tegen zwemleraar Benno L., heeft het Openbaar Ministerie eerder een bijdrage aan de ontstane onrust geleverd dan dat het deze heeft weten te dempen.12 De schrapping van een eerder in de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging opgenomen opdracht steeds te benadrukken dat nog slechts sprake is van een verdenking en dat eerst de rechter een oordeel over de schuld kan geven, roept in dat verband vragen op.13 Evenals Stevens acht ik dat met het oog op de onschuldpresumptie onverstandig.14Ik zie namelijk niets wezenlijks wat er tegen een dergelijke benadrukking valt in te brengen. Aan de kracht van de opsporingsresultaten wordt daarmee niet afgedaan, terwijl een en ander het gezag van de rechter en de te volgen procedure bevestigt. Het nauwgezet opvolgen van die instructie kan voorkomen dat de zittingsrechter het in de ogen van het publiek alleen nog maar fout kan doen.15 Gelet op de strengheid waarmee het EHRM het eigen mediaoptreden van politie en justitie beoordeelt en het grote gewicht dat daarbij wordt toegekend aan het onderscheid tussen het uiten van verdenkingen en het uitdrukken van een schuldoordeel, lijkt zonder die nadruk het risico op verdragsschendingen bovendien reëel.16 Dat werd bijvoorbeeld bevestigd in de zogeheten clickfonds-zaak.17 En ook de hoofdofficier die zei dat SE Fireworks te veel vuurwerk had opgeslagen ten tijde van de Enschedese vuurwerkramp, kwam met zijn uitlatingen in de buurt van een schuldoordeel.18 Dergelijke incidenten zijn overigens – vooralsnog – schaars. Meestal slaagt het Openbaar Ministerie er beter in dan politici om (net) binnen de grenzen van het toelaatbare te blijven.19
Wel wordt de opsporingsinstanties in de literatuur verweten dat hun actieve voorlichtingsbeleid de ontsporing van de mediaberichtgeving over een strafzaak in de hand werkt.20 Stevens illustreert dit aan de hand van diverse voorbeelden.21 Particulieren lijken zich om de onschuldpresumptie uit zichzelf in Nederland toch al niet te zeer te bekommeren. In kranten en op internet wordt van verdachten dagelijks verondersteld dat zij de dader zijn en worden zij dienovereenkomstig bejegend.22 Voor de met de behandelingsdimensie te waarborgen verworvenheden vormt dat een wezenlijk gevaar. Meer nog dan de – vaak eenmalige – mededelingen van een overheidsvertegenwoordiger over een strafzaak, is particuliere media-aandacht in staat de reputatie van een individu te verwoesten, het algemene publiek van zijn schuld te overtuigen en mogelijk ook de strafrechter – uiteraard onbewust en ongewild – te beïnvloeden.23
Het gebruik van opsporingsberichtgeving door het Openbaar Ministerie is in het licht van de onschuldpresumptie daarentegen op zichzelf alleszins aanvaardbaar. De Aanwijzing Opsporingsberichtgeving stelt voorop dat het doel ervan steeds is gelegen in de waarheidsvinding of de aanhouding van een verdachte. De hoofdofficier van justitie maakt een belangenafweging waarbij proportionaliteit en subsidiariteit nadrukkelijk een rol spelen. Het groeiende mediabereik en de onherroepelijkheid van het internet moeten daarin worden verdisconteerd.24 De Hoge Raad heeft in een geruchtmakende zaak over een mishandeling in Eindhoven waarbij het slachtoffer meermaals tegen het hoofd was geschopt, een op de eisen van artikel 8 EVRM geënt toetsingskader uiteengezet waarin het doel van de openbaarmaking, de proportionaliteit en de subsidiariteit eveneens een plaats hebben.25 Bij correcte naleving van de Aanwijzing en deze rechtspraak lijkt mij de naleving van de onschuldpresumptie in de opsporingsberichtgeving in beginsel verzekerd. Opsporingsberichtgeving kan namelijk weliswaar een zeker schandpaaleffect hebben, maar de gevolgen van een bejegeningswijze zijn doorgaans niet beslissend voor de verenigbaarheid van een bejegeningswijze met de behandelingsdimensie. Bepalend is of de bejegening neerkomt op een schuldoordeel. Indien die schuld niet met zoveel woorden wordt gesteld, is daarvoor beslissend welke redenering aan de bejegeningswijze ten grondslag ligt, waarbij het doel en de terughoudendheid in het gebruik van de methode cruciaal zijn. Het doel van het opsporingsmiddel ligt buiten de schuld van de verdachte, in de waarheidsvinding. De belangen van de verdachte worden serieus genomen door een indringende proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging. Daarbij zal het niet de bedoeling zijn naar het publiek gecommuniceerde informatie te duiden of daaraan een strafrechtelijke conclusie te verbinden. Van een bejegening als schuldige is dan dus geen sprake. Geeft de (hoofd)officier wel duiding, dan kan natuurlijk uit die verbale bejegening alsnog een schuldoordeel blijken. Tegen de redenering van de officier van justitie in de evenbedoelde Eindhovense mishandelingszaak verzet de presumptie van onschuld zich bijvoorbeeld wel degelijk.26 De bewuste officier zag de privacybelangen van de ‘daders’ als irrelevant en het schandpaaleffect als bijkomend voordeel.27 Zo’n redenering kan in het licht van de onschuldpresumptie onmogelijk een adequate grondslag voor een opsporingsmiddel bieden.