Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.4.12.1
7.4.12.1 Inleiding
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS456652:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het beginsel van hoor en wederhoor ligt wel ten grondslag aan bepaalde bepalingen, zoals de artikelen 19 lid 1, 30j lid 2, 179 lid 2 en 198 lid 2 Rv.
Leidraad deskundigen in civiele zaken, nrs. 9-10, hoofdstuk 5, nrs. 61, 93, 98, 113, 133. In de verklaring van gebruikte woorden en afkortingen wordt hoor en wederhoor als volgt omschreven: “Fundamenteel beginsel van procesrecht. De rechter mag zijn oordeel niet ten nadele van een partij baseren op stukken of andere gegevens waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten. Laat een rechter zich bijstaan door een deskundige, dan werkt het beginsel van hoor en wederhoor door in het deskundigenonderzoek. O.a. het recht van partijen om in het deskundigenonderzoek opmerkingen te maken en verzoeken te doen komt voort uit het beginsel van hoor en wederhoor.” In de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken komt het begrip ‘hoor en wederhoor’ niet voor. Aandachtspunt 3.5 bepaalt dat van de onderzoeker mag worden verwacht dat hij het beginsel van hoor en wederhoor aanhoudt. Zie verder § 7.1.3.
Zie bijvoorbeeld Coenraad 2000, p. 1-7; Asser Procesrecht/Giesen 1 2015/295 e.v.
Vaste jurisprudentie van de tuchtrechters voor accountants. Zie bijvoorbeeld CBb 24 februari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:42, r.o. 3.7.2.
Zie § 7.1.2.3.
Douma 2014, p. 80. Het verdedigingsbeginsel impliceert een recht op tegenspraak, dat in artikel 6 lid 1 EVRM besloten ligt. Zie § 7.3.3.2. Anders Van Hassel 2010, p. 144, die bijvoorbeeld het inrichten van een dataroom of het overleggen van een expert opinion ziet als een methode om het onderzoek te frustreren.
Zie § 7.3.2.4.
Een van de belangrijkste beginselen van behoorlijk onderzoek is dat de onderzoekers de betrokkenen de gelegenheid moeten bieden tot hoor en wederhoor. Het begrip ‘hoor en wederhoor’ komt als zodanig in de wet niet voor.1 In soft law wordt het begrip wel gebruikt, maar zonder dat het wordt gedefinieerd.2 Ook de meeste auteurs wagen zich niet aan een definitie van hoor en wederhoor.3 Een definitie trof ik wel aan in de Praktijkhandreiking persoonsgerichte onderzoeken voor Accountants- Administratieconsulenten/registeraccountants van de NBA. Onder ‘hoor’ verstaat de praktijkhandreiking het in het kader van een onderzoek aan betrokkene(n) en/of derde (n) mondeling of schriftelijk vragen om informatie al dan niet aan de hand van overgelegde documenten. Onder ‘wederhoor’ verstaat de praktijkhandreiking het in de gelegenheid stellen van een betrokkene kennis te nemen van en te reageren op de bevindingen uit een op hem betrekking hebbend persoonsgericht onderzoek. Wederhoor heeft volgens de praktijkhandleiding twee aspecten, namelijk (i) het op grond van het fundamentele beginsel integriteit en objectiviteit op een adequate wijze rekening houden met de belangen van een betrokkene, en (ii) het door de accountant voldoen aan de voor hem geldende eis van deskundigheid, zorgvuldigheid en professioneel gedrag. Deze eisen brengen mee dat een rapport van een accountant een deugdelijke grondslag moet hebben. Het toepassen van wederhoor is een belangrijke waarborg dat aan dit vereiste wordt voldaan.4
Deze aspecten van ‘wederhoor’ komen ook terug in de wetsgeschiedenis van de Wet aanpassing enquêterecht.5 In de memorie van toelichting merkt de minister op dat het verslag van de onderzoekers van wezenlijk belang is voor het oordeel van de Ondernemingskamer en dat het oordeel van de onderzoekers defamerend kan werken voor de rechtspersoon en zijn bestuurders of commissarissen. Daaruit blijkt dat wederhoor een middel is om rekening te houden met de belangen van de betrokkenen. Zij moeten zich kunnen verdedigen.6 De minister merkt verder op dat de hoor en wederhoor het risico op onjuiste informatie in het verslag zo klein mogelijk moet maken. Anders gezegd: het toepassen van hoor en wederhoor is een belangrijk middel om te waarborgen dat de bevindingen van de onderzoekers een deugdelijke grondslag hebben.
De minister wijst er in de nota naar aanleiding van het verslag op dat de onderzoekers ook een eigen belang hebben bij het gelegenheid bieden tot hoor en wederhoor. Zij kunnen immers aansprakelijk worden gesteld als zij het onderzoek niet zorgvuldig hebben verricht. In mijn visie is dit geen doel van het gelegenheid bieden voor hoor en wederhoor maar een neveneffect. De aansprakelijkheidsnorm voor de onderzoekers ligt hoog en de daarmee corresponderende zorgvuldigheidsnorm is dienovereenkomstig laag. Het is een minimumnorm die niet maatgevend behoort te zijn voor de beginselen van behoorlijk onderzoek die de onderzoekers in acht behoren te nemen.7