Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/5.3.1.4
5.3.1.4 Het einde van het kredieteigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90760:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Reehuis 2013, nr. 110, 114; Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/537.
Reehuis 2013, nr. 115. Vgl. HR 4 december 1998, NJ 1999/549 (Potharst/Serrée).
Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/562; vgl. HR 28 november 2014, NJ 2016/90 (Snippers q.q./Rabobank).
Vgl. Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/293 over bankhypotheken en Steneker 2012, nr. 32 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/136 over bankpandrechten.
Reehuis 2013, nr. 115.
Verheul 2018, p. 206-208. Zie over het Kontoausgleich ook hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.2.1.
Hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.2.1.
Deze bepaling geldt ook voor het geval de leverancier een (voorbehouden) pandrecht heeft bedongen tot zekerheid van het doorlopende goederenkrediet.
Hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.2.1.
KamerstukkenII 2015/16, 34 442, nr. 3, p. 30; Kamerstukken II 1986/87, 19 785, nr. 3, p. 91-92.
Met het kredieteigendomsvoorbehoud kan de leverancier zekerheid verkrijgen voor alle huidige en toekomstige vorderingen op de koper binnen de grenzen van art. 3:92 lid 2 BW. Zolang er vorderingen (kunnen) ontstaan, blijft het eigendomsvoorbehoud in beginsel in stand. Wanneer het kredieteigendomsvoorbehoud eindigt, is afhankelijk (van de uitleg) van de afspraken tussen partijen.1 In het bijzonder is van belang wat partijen zijn overeengekomen in het kader van de opschortende voorwaarde waaronder de eigendom is overgedragen.
Het kredieteigendomsvoorbehoud kan echter ook op andere wijzen eindigen. Ten eerste is aannemelijk dat de opschortende voorwaarde voor vervuld moet worden gehouden als alle vorderingen betaald zijn en niet te verwachten is dat de leverancier nieuwe koopprijs- of nevenvorderingen op de koper verkrijgt.2 Dit is bijvoorbeeld het geval als de rechtsverhouding tussen de leverancier en koper eindigt.
Ten tweede kan de leverancier afstand doen van het eigendomsvoorbehoud.3 De leverancier zal hiertoe willen overgaan als alle vorderingen zijn betaald en niet is te verwachten dat de leverancier nieuwe koopprijs- of nevenvorderingen op de koper verkrijgt. Naar mijn mening zal een weigering om afstand te doen in deze omstandigheden in de regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.4 De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan een verplichting tot afstand meebrengen op grond van de volgende drie redenen.
Ten eerste behoudt de leverancier zich de eigendom voor, terwijl hij geen vordering meer heeft op de koper en ook niet zal verkrijgen. De eigendom strekt niet meer tot zekerheid van een vordering.
Ten tweede is het doel van de eigendomsoverdracht onder opschortende voorwaarde dat de eigendom uiteindelijk overgaat op de koper. Gaat de eigendom zelfs niet over als alle vorderingen zijn betaald en er geen nieuwe vorderingen meer gaan ontstaan, dan lijkt de koper nooit eigenaar te kunnen worden. Dat is in strijd met het doel van een eigendomsoverdracht.
Ten derde strekt de voorbehouden eigendom tot zekerheid, maar kan de leverancier deze zekerheid niet uitoefenen. Hij kan de koopovereenkomst niet ontbinden en zijn eigendom revindiceren. De koper kan namelijk niet in verzuim zijn of raken, omdat alle vorderingen zijn voldaan en geen nieuwe vorderingen gaan ontstaan.5
Deze beperking sluit aan bij het Duitse recht. Op grond van een aantal argumenten die vergelijkbaar is met de drie hierboven weergegeven argumenten, volgt uit de Duitse rechtspraak dat de eigendom overgaat op de koper als alle vorderingen op een bepaald moment zijn voldaan. Dit wordt de Kontoausgleich genoemd.6 Het Duitse recht is zelfs nog iets strenger, omdat het eigendomsvoorbehoud ook kan vervallen als voor de toekomst nog vorderingen te verwachten zijn.7
Als sprake is van een overeenkomst van doorlopend goederenkrediet, bepaalt art. 7:89 BW dat de voorbehouden eigendom van rechtswege over gaat op de koper indien hij ‘aflossingen heeft gedaan ter grootte van het verschil tussen de contante prijs van die zaak en het bedrag van de contante betaling betreffende het genot van die zaak, dan wel, indien geen contante betaling is gedaan, ter grootte van die contante prijs’.8
Art. 7:89 BW is niet eenvoudig te lezen. Het is niet duidelijk of deze bepaling zo moet worden geïnterpreteerd dat de eigendom van één van de geleverde zaken (of levering van zaken) overgaat als de koopprijs (of ‘contante prijs’) van die zaak (of levering) is betaald óf dat de bepaling inhoudt dat de eigendom van alle geleverde zaken overgaat indien alle vorderingen zijn voldaan. De wetekst duidt naar mijn mening op eerstgenoemde interpretatie. Dit heeft echter tot gevolg dat een bedongen kredieteigendomsvoorbehoud in wezen wordt omgezet in een enkelvoudig eigendomsvoorbehoud. Ook wordt afbreuk gedaan aan de ondeelbaarheid van het zekerheidsrecht. De tweede interpretatie verdient naar mijn mening de voorkeur. Ten eerste wordt bij deze interpretatie geen afbreuk gedaan aan de ondeelbaarheid van het zekerheidsrecht. Ten tweede leidt deze interpretatie tot een minder vergaande beperking van het kredieteigendomsvoorbehoud. Tot slot is deze interpretatie in lijn met art. 3:92 lid 2 BW, waar de wetgever het kredieteigendomsvoorbehoud mogelijk heeft gemaakt. In deze tweede interpretatie van art. 7:89 BW heeft een kredieteigendomsvoorbehoud werking en gaat de eigendom van de zaken over op het moment dat de leverancier niets te vorderen heeft van de koper, ongeacht of in de toekomst nog nieuwe vorderingen te verwachten zijn. Dit sluit aan bij de Kontoausgleich in het Duitse recht.9
De memorie van toelichting verschaft geen duidelijkheid over de interpretatie van deze bepaling, maar verwijst slechts naar art. 40 lid 2 Wck.10 De totstandkomingsgeschiedenis van art. 40 lid 2 Wck behandelt dit vraagstuk ook niet. Dit is opvallend, omdat de interpretatie van deze bepaling van wezenlijk belang is voor de voorrangspositie van de leverancier.
Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Een leverancier en koper hebben een overeenkomst gesloten waarin de leverancier verplicht is om elke maand 100 soortgelijke zaken ter waarde van 100 euro te leveren aan de koper gedurende vier maanden. De leverancier heeft gedurende drie maanden zaken geleverd, waarvan de koper twee leveringen heeft betaald. Heeft de leverancier een kredieteigendomsvoorbehoud bedongen, dan is hij normaal gesproken nog eigenaar van de 300 geleverde zaken.
Art. 7:89 lid 1 BW brengt echter in de eerste hierboven weergegeven interpretatie mee dat de koper eigenaar is geworden van de 200 betaalde zaken en de leverancier nog eigenaar is van 100 zaken. Hij kan deze 100 zaken slechts revindiceren bij verzuim door de koper, indien hij deze zaken kan individualiseren. Hij moet de zaken kunnen individualiseren en betalingen toerekenen aan openstaande vorderingen.
De leverancier loopt derhalve het risico dat de zaken oneigenlijk vermengd raken door art. 7:89 BW, waardoor hij zijn eigendomsvoorbehoud niet meer kan uitoefenen. Dit is strijdig met één van de belangrijkste functies van het kredieteigendomsvoorbehoud, zijnde te voorkomen dat onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken die onbetaald zijn oneigenlijk vermengd raken met zaken die reeds zijn betaald en dus eigendom van de koper.
Professionele partijen hebben de mogelijkheid om art. 7:89 BW buiten toepassing te laten. Het overeenkomen van een kredieteigendomsvoorbehoud is hiervoor naar mijn mening voldoende. Om in de praktijk discussies te voorkomen is het echter aan te raden om art. 7:89 BW expliciet buiten toepassing te verklaren.