Zie bijvoorbeeld HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:577.
HR, 15-10-2024, nr. 22/01724
22/01724
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-10-2024
- Zaaknummer
22/01724
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑12‑2024
ECLI:NL:HR:2024:1400, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2022:702
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1051
ECLI:NL:PHR:2024:1051, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1400
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0246
NJ 2025/71 met annotatie van P.A.M. Mevis
Beroepschrift 29‑12‑2024
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 22/01742
Betekening aanzegging: 3 november 2023
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
wonende te [woonplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo
dossiernummer: D20220162
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Den Haag d.d. 28 april 2022, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Daarnaast heeft het hof beslissingen op de vorderingen benadeelde partij genomen.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
In het arrest heeft het hof overwogen dat aan verdachte de bijkomende straf zal worden opgelegd te weten een beroepsverbod tot het uitoefenen van een beroep als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut en wel voor een termijn van 3 jaren.
In het arrest heeft het hof verdachte evenwel een beroepsverbod tot het uitoefenen van een beroep als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut opgelegd en wel voor een termijn van 3 jaren.
Gelet hierop is het arrest innerlijk tegenstrijdig zodat het arrest niet in stand kan blijven. Indien de Hoge Raad van oordeel is dat er sprake is van een kennelijke misslag die de Hoge Raad kan verbeteren zal de Hoge Raad de uitspraak van het hof zo moeten verstaan dat de door het hof aan de verdachte opgelegde ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut de duur van 3 (drie) jaren bedraagt.
Toelichting
1.1
In het arrest heeft het hof ten aanzien van de strafoplegging onder meer overwogen:
‘Het hof zal in plaats van genoemde in beginsel passende straf, een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren opleggen.
(…)
Daarnaast zal het hof ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van verdere strafbare feiten aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 3 jaren opleggen, inhoudende een contactverbod met de slachtoffers op straffe van hechtenis voor de duur van 2 weken voor elke overtreding van deze maatregel.
(…)
De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten begaan in de uitoefening van zijn beroep. Gelet op de houding van de verdachte ter zitting ten aanzien van hetgeen hem wordt verweten en zijn (consistente) visie op zijn kwaliteiten als helend therapeut, zal het hof om het gevaar in te perken dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke feiten en ter bescherming van een kwetsbare groep mensen in onze samenleving, tevens een beroepsverbod aan de verdachte opleggen tot het uitoefenen van een beroep als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut. Deze bijkomende straf wordt eveneens opgelegd voor een termijn van 3 jaren.’
1.2
In het arrest heeft het hof in het dictum evenwel beslist:
‘Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut voor de duur van 5 (vijf) jaren.’
1.3
Gelet hierop is het arrest innerlijk tegenstrijdig zodat het arrest niet in stand kan blijven. Hierbij is van belang dat het hof ten aanzien van de strafoplegging gelet op de in de hieronder staande middelen II en III aangevoerde klachten ook andere fouten heeft gemaakt en de redelijke termijn van de berechting is geschonden (Middel IV). Indien de Hoge Raad evenwel van oordeel is dat er sprake is van een kennelijke misslag die de Hoge Raad kan verbeteren zal de Hoge Raad dienen aan te geven dat de Hoge Raad de uitspraak van het hof zo verstaat dat de door het hof aan de verdachte opgelegde ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut de duur van 3 (drie) jaren bedraagt.1.
Middel II
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 7 EVRM, 1 en 38v Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Toelichting:
2.1
In het arrest heeft het hof onder meer bewezen verklaard:
- ‘2.
hij, op 30 juni 2015 te [a-plaats], terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg, te weten als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut, met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en/of zorg heeft toevertrouwd, te weten [benadeelde 2], ontucht heeft gepleegd, namelijk het: brengen en houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde 2]’
2.2
In het arrest heeft het hof verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd, te weten:
‘Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur 3 (drie) jaren op geen enkele wijze — direct of indirect — contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- —
[benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats]);
- —
[benadeelde 2] (geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats]);
- —
[benadeelde 3] (geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats]);
- —
[benadeelde 4] (geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats]);
- —
[benadeelde 5] (geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats]).
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.’
2.3
Art. 38v Sr is gewijzigd bij wet van 30 juni 2015 tot wijziging van de Gemeentewet en het Wetboek van Strafrecht ter aanscherping van de maatregelen ter bestrijding van voetbalvandalisme en ernstige overlast, Stb. 2015, 255. Daarbij is in het derde lid de maximale duur van de op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel verhoogd van twee jaren naar vijf jaren. Deze wet is in werking getreden op 1 juli 2015 (Stb. 2015, 256).
2.4
De wijziging van deze bepaling houdt, in het licht van art. 1, eerste lid, Sr, een wijziging in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Gelet hierop is de oplegging van de maatregel voor de duur van vijf jaren in strijd met het te dezen toepasselijke art. 38v, derde lid, Sr, zoals dat luidde tot 1 juli 2015.2.
2.5
Gelet hierop is de strafoplegging onvoldoende met redenen omkleed zodat het arrest niet in stand kan blijven. Hierbij is van belang dat het hof ten aanzien van de strafoplegging gelet op de in de middelen I en III aangevoerde klachten ook andere fouten heeft gemaakt en de redelijke termijn van de berechting is geschonden (Middel IV). Indien de Hoge Raad evenwel van oordeel is dat er sprake is van een kennelijke misslag die de Hoge Raad kan verbeteren zal de Hoge Raad de door het Hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel ten aanzien van [benadeelde 2] dienen te bepalen op de ten tijde van het onder 1 bewezenverklaarde feit maximaal mogelijke duur van twee jaren.
Middel III
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 7 EVRM, 1, 24c lid 3, 57, 60a en 88 Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
Ten onrechte heeft het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast bepaald op in totaal meer dan 360 dagen, zodat de Hoge Raad de duur zal dienen te verminderen, in dier voege dat de duur van de gijzeling ten hoogste in totaal 360 dagen zal belopen.
Toelichting
3.1
In het arrest heeft het hof een aantal feiten bewezen verklaard. Bewezen is dat verdachte de feiten gepleegd heeft op 22 augustus 2017 (feit 1); op 30 juni 2015 (feit 2); in de periode van 23 december 2015 tot en met 19 september 2016 (feit 3); op 30 januari 2017 en 16 februari 2017 (feit 4) en in de periode van 15 september.2017 tot en met 17 september 2017 (feit 5).
3.2
In het arrest heeft het hof voorts beslissingen genomen ten aanzien van vorderingen van verschillende benadeelde partijen en daarbij verdachte ook schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen heeft het hof daarbij (telkens) de duur van de gijzeling bepaald, op ten hoogste 60 (zestig) dagen ([benadeelde 1]); respectievelijk 60 (zestig) dagen ([benadeelde 2]); 122 (honderdtweeëntwintig) dagen ([benadeelde 3]); 63 (drieënzestig) dagen ([benadeelde 4]) en 60 (zestig) dagen ([benadeelde 5]). In totaal bedraagt de duur van de gijzeling 365 dagen.
3.3
Op grond van art. 36f Sr kan een verdachte de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. Het achtste lid van art. 36f Sr bepaalt dat (onder meer) artikel 24c Sr van overeenkomstige toepassing is. Artikel 24c Sr bepaalde eerder dat de vervangende hechtenis ten hoogste één jaar beloopt. Door de inwerkingtreding van de Wet USB is de vervangende hechtenis per 1 januari 2020 vervangen door gijzeling, zodat thans ten aanzien van een schadevergoedingsmaatregel de rechter geen vervangende hechtenis kan/moet opleggen, maar de duur van de gijzeling zal dienen te bepalen.3. De betreffende regels worden gezien als voor de verdachte gunstiger zodat de Hoge Raad in zaken waarin het hof eerder vervangende hechtenis heeft bepaald terwijl nadien de wet is gewijzigd in cassatie de uitspraak van het hof aanpast.
3.4
Tot 1 januari 2020 werd in het strafrecht met ‘een jaar’ een kalenderjaar bedoeld. De wetgever is voornemens dat aan te passen door zowel in art. 88 Sr, als in art. 136, eerste lid, Sv op te nemen dat met een jaar een termijn van 12 maanden van 30 dagen (en dus 360 dagen) wordt bedoeld. Vóór de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen op 1 januari 2020 werd reeds beslist deze wijziging voor art. 136 Sv uit te stellen. De wijziging van art. 88 Sr is echter wél doorgevoerd. Dat veroorzaakte de onwenselijke situatie dat in het Wetboek van Strafrecht (via art. 88 Sr) vanaf 1 januari 2020 een andere definitie van een jaar gold, dan in het Wetboek van Strafvordering (via art. 136 Sv). Met de inwerkingtreding van de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is deze wijziging per 25 juli 2020 tijdelijk teruggedraaid. Tijdelijk, omdat op het moment dat de wijziging van art. 136 Sv in werking treedt, bij de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel I, van de Wet USB — het specifieke artikel waarin art. 136 Sv wordt gewijzigd —, art. 88 Sr eveneens weer (terug) wordt gewijzigd. Vanaf dat moment zal voor zowel het Wetboek van Strafrecht, als het Wetboek van Strafvordering te gelden hebben dat met een jaar — kort gezegd — 360 dagen wordt bedoeld. Tot die tijd wordt met een jaar, een kalenderjaar bedoeld.4.
3.5
Nu de wet na het bewezenverklaarde maar voor de terechtzitting in hoger beroep in voor verdachte gunstiger zin is gewijzigd op 1 januari 2020 en verdachte hierop een beroep doet is verdachte van mening dat het arrest niet in stand kan blijven, althans dat de Hoge Raad het arrest van het hof zal dienen te vernietigen voor zover daarbij schadevergoedingsmaatregelen zijn opgelegd en daarbij de duur van gijzeling is bepaald die bij elkaar opgeteld meer dan 360 dagen beloopt. Hieraan doet niet af dat na de inwerkingtreding van de spoedreparatiewet op 25 juli 2020 de maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden gijzeling thans weer 365 dagen is. In de onderhavige zaak blijft art. 88 Sr, zoals dat van 1 januari 2020 tot en met 24 juli 2020 van kracht is geweest, van toepassing, omdat deze bepaling voor de verdachte ‘of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment’ de meest gunstige is.5.
Middel IV
Op 9 mei 2022 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Het hof heeft het verkorte arrest pas op 21 augustus 2023, derhalve niet tijdig binnen de door de wet aangegeven termijn met de bewijsmiddelen aangevuld. Hoewel op dit verzuim geen nietigheid is gesteld houdt het wel in dat het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden. De Hoge Raad heeft de stukken immers pas op 2 oktober 2023 ontvangen, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden. Dit dient te leiden tot strafverlaging.
Toelichting
4.1
Op 9 mei 2022 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. Het hof heeft het verkorte arrest pas op 21 augustus 2023, derhalve niet tijdig binnen de door de wet aangegeven termijn met de bewijsmiddelen aangevuld. Hoewel op dit verzuim geen nietigheid is gesteld houdt het wel in dat het hof de stukken van het geding niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden. De Hoge Raad heeft de stukken immers pas op 2 oktober 2023 ontvangen, zodat de redelijke termijn van de berechting is geschonden. Dit dient te leiden tot strafverlaging.6.
4.2
Aan de verdachte zal niet kunnen worden tegengeworpen dat hij onvoldoende belang heeft bij zijn klacht nu hij zelf de oorzaak zou zijn geweest van de schending van de redelijke termijn door het instellen van het beroep in cassatie. Verdachte kon en kan zich niet verenigen met het arrest van het hof zodat hij daartegen cassatie heeft ingesteld. De raadslieden van verdachte zijn immers in staat geweest de stukken van de zaak te bestuderen teneinde na te gaan of cassatiemiddelen konden worden aangevoerd nadat hen de stukken waren toegezonden. De raadslieden zijn pas in staat geweest een cassatieschriftuur in te dienen nadat de aanzegging van de Hoge Raad was betekend. De Hoge Raad is daartoe pas in staat geweest nadat het hof de stukken van het geding naar de Hoge Raad had gezonden. Dit houdt in dat de schending van de redelijke termijn te wijten is aan de te late inzending van het dossier door het hof. Gelet hierop dient dan ook de Hoge Raad in geval van schending van de redelijke termijn in de cassatiefase een matiging toe te passen, zelfs indien in de Hoge Raad van oordeel zou zijn dat de overige klachten kunnen worden afgedaan d.m.v. toepassing van art. 80a RO.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 29 december 2023
Advocaten
R.J. Baumgardt
M.J. van Berlo
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑12‑2024
HR 12 maart 2019, NJ 2019/229, m.nt. W.H. Vellinga, ECLI:NL:HR:2019:338.
HR 26 mei 2020, NJ 2020/409, m.nt. J.M. ten Voorde, ECLI:NL:HR:2020:914.
Zie in dit verband CAG Spronken 19 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:37.
CAG Bleichrodt behorende bij HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, par. 25–27 (conclusie gevolgd door de HR). Zie daarnaast voorts CAG Keulen behorende bij HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1743, par. 8–12 (conclusie gevolgd door de HR) CPG Vegter behorende bij HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1708, par. 18–22 (conclusie gevolgd door de HR) en tot slot CAG Paridaens behorende bij 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1477, par. 18–22 (conclusie gevolgd door de HR).
HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. J. de Hullu, alsmede HR 14 juni 2008, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis.
Uitspraak 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Ontucht door als masseur en heler/behandelaar van vrouwen met (seksuele) trauma’s tijdens behandelsessies/massages ongevraagd en ongewenst seksuele handelingen bij hen te verrichten, art. 249.2.3 Sr. 1. Discrepantie tussen strafoplegging en strafmotivering, duur van ontzetting van recht tot uitoefening van beroep (art. 31.1.2 Sr). Strafoplegging onbegrijpelijk, nu volgens dictum beroepsverbod van 5 jaren is opgelegd, terwijl hof blijkens strafmotivering heeft bedoeld beroepsverbod van 3 jaren op te leggen? 2. Duur vrijheidsbeperkende maatregel, art. 38v.3 Sr. Kon hof gelet op art. 1.1 Sr contactverbod van 3 jaren opleggen? 3. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. Hof heeft verdachte een ontzetting van recht tot uitoefening van beroep voor 5 jaren opgelegd en daarbij acht geslagen op art. 31 Sr. Art. 31.1.2 Sr houdt in dat (bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf) duur van ontzetting van recht de duur van hoofdstraf minimaal 2 en maximaal 5 jaren te boven gaat. In het licht van wetsgeschiedenis van art. 31 Sr moet rechter daarbij uitgaan van onvoorwaardelijk deel van opgelegde gevangenisstraf. Gelet daarop en op de door hof opgelegde gevangenisstraf (van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk), berust vermelding “voor termijn van 3 jaren” (in strafmotivering) op kennelijke verschrijving. Onvoorwaardelijk deel van de door hof opgelegde gevangenisstraf beloopt immers 28 maanden, zodat in strafmotivering genoemde “termijn van 3 jaren” (anders dan in dictum van hof bepaalde termijn van 5 jaren) niet voldoet aan de in art. 31.1.2 Sr bepaalde minimale duur van ontzetting van recht tot uitoefening van beroep. Ad 2. Hof heeft verdachte voor het jegens A op 30-6-2015 gepleegde feit o.m. veroordeeld tot vrijheidsbeperkende maatregel van 3 jaren die inhoudt dat verdachte op geen enkele wijze (direct of indirect) contact zal opnemen, zoeken of hebben met A. Op gronden vermeld in HR:2024:835 is middel terecht voorgesteld. HR zal zaak in dit opzicht zelf afdoen en door hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel t.a.v. A bepalen op de t.t.v. bewezenverklaard feit maximale duur van 2 jaren. Ad 3. Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:714). HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 60, 60, 120, 60 en 60 dagen kan worden toegepast. CAG: anders t.a.v. duur van ontzetting van recht tot uitoefening van beroep.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01724
Datum 15 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 april 2022, nummer 22-000242-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft F.J.M. Hamers, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad verstaat dat de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut voor de duur van 3 jaren is opgelegd; het bestreden arrest vernietigt, maar uitsluitend wat betreft de duur van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, met vermindering van die duur aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, wat betreft de duur van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor zover inhoudende dat de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 2] , met bepaling van deze duur op twee jaren, en wat betreft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast bij één of meer schadevergoedingsmaatregelen, met vermindering van die duur tot een totaal van 360 dagen; en het beroep voor het overige verwerpt.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk is, omdat de opgelegde bijkomende straf van ontzetting van het recht van de verdachte tot de uitoefening van het beroep van masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut voor vijf jaren niet overeenkomt met de in de strafmotivering bedoelde ontzetting van het recht tot uitoefening van dit beroep voor drie jaren.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte voor het meermalen plegen van ontucht met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp en zorg had toevertrouwd, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk. Volgens het dictum heeft het hof daarnaast de bijkomende straf van ontzetting van het recht van de verdachte tot de uitoefening van het beroep van masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut voor vijf jaren opgelegd.
2.2.2
De strafmotivering houdt onder meer in:
“De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten begaan in de uitoefening van zijn beroep. Gelet op de houding van de verdachte ter zitting ten aanzien van hetgeen hem wordt verweten en zijn (consistente) visie op zijn kwaliteiten als helend therapeut, zal het hof om het gevaar in te perken dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke feiten en ter bescherming van een kwetsbare groep mensen in onze samenleving, tevens een beroepsverbod aan de verdachte opleggen tot het uitoefenen van een beroep als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut. Deze bijkomende straf wordt eveneens opgelegd voor een termijn van 3 jaren.”
2.3
Artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) luidt:
“1. Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter de duur als volgt:1° bij veroordeling tot levenslange gevangenisstraf, voor het leven;2° bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis, voor een tijd de duur van de hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande;3° bij veroordeling tot geldboete, voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren;4° bij afzonderlijke oplegging, voor een tijd van ten minste twee en ten hoogste vijf jaren.”
2.4
De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 31 Sr houdt over de duur van de ontzetting van rechten in:
“Deze bijkomende straf is eene aanvulling der hoofdstraf. Zij gaat dus niet in, voordat het vonnis voorzooveel betreft de hoofdstraf kan worden ten uitvoer gelegd. Om dezelfde reden eindigt zij in geen geval vroeger dan de hoofdstraf en duurt zij dus bij levenslange straffen ook levenslang, bij tijdelijke straffen voor zoo langen tijd als deze worden opgelegd met een minimum van twee en een maximum van vijf jaren daarboven.”
(H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, 1891, p. 353.)
2.5
Het hof heeft de verdachte een ontzetting van het recht tot uitoefening van een beroep voor 5 jaren opgelegd en daarbij acht geslagen op artikel 31 Sr. Artikel 31 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr houdt in dat – bij veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf – de duur van de ontzetting van een recht de duur van de hoofdstraf minimaal 2 en maximaal 5 jaren te boven gaat. In het licht van de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis moet de rechter daarbij uitgaan van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.Gelet daarop en op de door het hof opgelegde gevangenisstraf, berust de onder 2.2.2 weergegeven vermelding “voor een termijn van 3 jaren” op een kennelijke verschrijving. Het onvoorwaardelijk deel van de door het hof opgelegde gevangenisstraf beloopt immers 28 maanden, zodat de in de strafmotivering genoemde “termijn van 3 jaren” – anders dan de in het dictum van het hof bepaalde termijn van 5 jaren – niet voldoet aan de in artikel 31 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr bepaalde minimale duur van een ontzetting van het recht tot uitoefening van een beroep. Het cassatiemiddel kan daarom niet tot cassatie leiden.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk is, omdat het hof ten aanzien van [benadeelde 2] ten onrechte een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van drie jaren heeft opgelegd.
3.2
Het hof heeft de verdachte voor het jegens [benadeelde 2] op 30 juni 2015 gepleegde feit (feit 2) onder meer veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende maatregel van drie jaren die inhoudt dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 2] .
3.3
Op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:835, rechtsoverweging 4.1.2 en 4.1.3 is het cassatiemiddel terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de zaak in dit opzicht zelf afdoen en de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel ten aanzien van [benadeelde 2] bepalen op de ten tijde van het onder 2 bewezenverklaarde feit maximale duur van twee jaren.
4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat met betrekking tot de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de duur van de gijzeling is bepaald op in totaal 365 dagen.
4.2
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 60, 60, 122, 63 en 60 dagen gijzeling.
4.3
Op grond van artikel 36f lid 5 Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop als bedoeld in artikel 57 en 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).
4.4
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.
5. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgesteld
5.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
5.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
6. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens de benadeelde partij [benadeelde 3] is voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof wat betreft de duur van de met betrekking tot [benadeelde 2] opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel en de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- vermindert de duur van de met betrekking tot [benadeelde 2] opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in die zin dat deze 2 jaren beloopt;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] gijzeling van 60 dagen kan worden toegepast, ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] gijzeling van 60 dagen kan worden toegepast, ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] gijzeling van 120 dagen kan worden toegepast, ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] gijzeling van 60 dagen kan worden toegepast en ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 5] gijzeling van 60 dagen kan worden toegepast;
- vernietigt de uitspraak van het hof wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 34 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2024.
Conclusie 09‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Middelen verdachte. 1. Kennelijke misslag in strafoplegging. 2. Duur vrijheidsbeperkende maatregel bij onder 2 bewezenverklaard feit. 3. Totale duur gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen. 4. Klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in de cassatiefase. Middel benadeelde partij. Klacht over niet-ontvankelijkverklaring benadeelde partij in het deel van de vordering tot schadevergoeding dat betrekking heeft op verlies aan verdienvermogen. Conclusie strekt tot aanpassing beslissingen in bestreden arrest in verband met slagen middelen verdachte en overschrijding redelijke termijn in cassatiefase tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01724
Zitting 9 juli 2024
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 28 april 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens het bewezenverklaarde onder 1, 2 en 5, telkens opleverend ‘werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd’ en het bewezenverklaarde onder 3 en 4, telkens opleverend ‘werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft de verdachte voorts ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van masseur en/of natuurgeneeskundige dan wel natuurgeneestherapeut voor de duur van 5 jaren. Daarnaast is aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd, inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ), [benadeelde 2] (geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ), [benadeelde 3] (geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ), [benadeelde 4] (geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ), en [benadeelde 5] (geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ); het hof heeft bevolen dat vervangende hechtenis van 2 weken zal worden toegepast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden, en bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Voorts heeft het hof op de vorderingen van de benadeelde partijen beslist en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander als in het arrest omschreven. En het hof heeft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, advocaten te Rotterdam, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [benadeelde 3] is door F.J.M. Hamers, advocaat te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld met betrekking tot de beslissing van het hof op de vordering van deze benadeelde partij. Ik bespreek eerst de middelen van de verdachte en vervolgens het middel van de benadeelde partij.
Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel
3. Het eerste middel bevat de klacht dat het bestreden arrest innerlijk tegenstrijdig is, nu het hof (in de strafmotivering) heeft overwogen dat aan de verdachte een verbod zal worden opgelegd tot het uitoefenen van een beroep als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut voor de duur van 3 jaren en vervolgens (in het dictum) een verbod tot het uitoefenen van een beroep als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut voor de duur van 5 jaren oplegt.1.
4. Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje ‘Strafmotivering’ met betrekking tot de bijkomende straf van de ontzetting van het recht tot uitoefening van een beroep het volgende overwogen:
‘De verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten begaan in de uitoefening van zijn beroep. Gelet op de houding van de verdachte ter zitting ten aanzien van hetgeen hem wordt verweten en zijn (consistente) visie op zijn kwaliteiten als helend therapeut, zal het hof om het gevaar in te perken dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke feiten en ter bescherming van een kwetsbare groep mensen in onze samenleving, tevens een beroepsverbod aan de verdachte opleggen tot het uitoefenen van een beroep als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut. Deze bijkomende straf wordt eveneens opgelegd voor een termijn van 3 jaren.’
5. Het dictum van het arrest houdt in, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
‘BESLISSING
Het hof:
(…)
Ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut voor de duur van 5 (vijf) jaren.’
6. Met de stellers van het middel kan worden vastgesteld dat de duur van de ontzetting uit het beroep in het dictum niet verenigbaar is met de duur van de ontzetting uit het beroep waar het hof in de strafmotivering over spreekt.2.Uit de formulering van de overweging in de strafmotivering blijkt voorts dat de daarin vermelde duur geen misslag betreft. Het hof spreekt in de laatste zin over een bijkomende straf die ‘eveneens’ wordt opgelegd voor een termijn van 3 jaren; in de beide voorafgaande alinea’s overweegt het hof dat het aan de verdachte ‘een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 3 jaren’ zal opleggen.3.Uw Raad kan de zaak naar het mij voorkomt zelf afdoen, nu de duur van de opgelegde bijkomende straf die in het dictum is vermeld een kennelijke misslag betreft.
7. Het eerste middel is terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Uw Raad kan het arrest aldus verstaan dat de aan de verdachte opgelegde ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut drie jaren beloopt.
Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel
8. Het tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, bevat de klacht dat het hof de duur van de opgelegde maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid (hierna: vrijheidsbeperkende maatregel) als bedoeld in art. 38v Sr in strijd met het derde lid van het voornoemd artikel, heeft bepaald op, naar ik begrijp, drie jaren.4.
9. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
‘hij, op 30 juni 2015, te [plaats] , terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg, te weten als masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut, met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en/of zorg heeft toevertrouwd, te weten [benadeelde 2] , ontucht heeft gepleegd, namelijk het: brengen en houden van zijn, verdachte, penis in de vagina van die [benadeelde 2] ;’
10. Het bestreden arrest houdt inzake de vrijheidsbeperkende maatregel het volgende in:
‘Strafmotivering
(...)
Daarnaast zal het hof ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van verdere strafbare feiten aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 3 jaren opleggen, inhoudende een contactverbod met de slachtoffers op straffe van hechtenis voor de duur van 2 weken voor elke overtreding van deze maatregel.
(…)
BESLISSING
Het hof:
(…)
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur 3 (drie) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
- [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] );
- [benadeelde 2] (geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] );
- [benadeelde 3] (geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] );
- [benadeelde 4] (geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] );
- [benadeelde 5] (geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ).
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.’
11. Uw Raad heeft in een arrest van 12 maart 2019 het volgende overwogen:5.
‘3.2.Art. 38v Sr is gewijzigd bij wet van 30 juni 2015 tot wijziging van de Gemeentewet en het Wetboek van Strafrecht ter aanscherping van de maatregelen ter bestrijding van voetbalvandalisme en ernstige overlast, Stb. 2015, 255. Daarbij is in het derde lid de maximale duur van de op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel verhoogd van twee jaren naar vijf jaren. Deze wet is in werking getreden op 1 juli 2015 (Stb. 2015, 256).
3.3.
De wijziging van deze bepaling houdt, in het licht van art. 1, eerste lid, Sr, een wijziging in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Gelet hierop is de oplegging van de maatregel voor de duur van vijf jaren in strijd met het te dezen toepasselijke art. 38v, derde lid, Sr, zoals dat luidde tot 1 juli 2015.’
12. In aanmerking genomen dat het onder 2 bewezenverklaarde feit voor 1 juli 2015 is begaan, is de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van drie jaren voor zover deze een contactverbod met het slachtoffer [benadeelde 2] (geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] ) inhoudt, in strijd met het in dezen toepasselijke art. 38v, derde lid, Sr zoals dat luidde tot 1 juli 2015. Uw Raad kan de zaak naar het mij voorkomt zelf afdoen.6.
13. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
Het derde namens de verdachte voorgestelde middel
14. Het derde middel bevat de klacht dat het hof bij de schadevergoedingsmaatregelen de (totale) duur van de gijzeling ten onrechte op meer dan 360 dagen heeft bepaald.
15. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:
‘BESLISSING:
Het hof:
(…)
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
(…)
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
(…)
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 51.940,80 (eenenvijftigduizend negenhonderdveertig euro en tachtig cent) bestaande uit € 41.940,80 (eenenveertigduizend negenhonderdveertig euro en tachtig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 122 (honderdtweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
(…)
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.712,52 (vijfduizend zevenhonderdtwaalf euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 212,52 (tweehonderdtwaalf euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 63 (drieënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
(…)
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.135,00 (vijfduizend honderdvijfendertig euro) bestaande uit € 135,00 (honderdvijfendertig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.’
16. Het hof heeft de verdachte aldus voor feiten die begaan zijn op 22 augustus 2017 (feit 1), op 30 juni 2015 (feit 2), in de periode van 23 december 2015 tot en met 19 september 2016 (feit 3), op 30 januari 2017 en 16 februari 2017 (feit 4) en in de periode van 15 september 2017 tot en met 17 september 2017 (feit 5) verplichtingen opgelegd om, kort gezegd, aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door opgeteld in totaal 365 dagen gijzeling.
17. Op grond van art. 36f, vijfde lid, Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar. Met betrekking tot de maximale duur van gijzeling bij meer dan één opgelegde schadevergoedingsmaatregel heeft Uw Raad in een arrest van 24 mei 2022 overwogen dat redelijke wetsuitleg van art. 60a Sr met zich brengt ‘dat in geval van samenloop zoals bedoeld in art. 57 en 58 Sr, de totale duur van de gijzeling voor de schadevergoedingsmaatregelen het in art. 24c lid 3 Sr bepaalde maximum van één jaar niet mag overschrijden.’7.
18. Bij de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB) op 1 januari 2020, en dus na begaan van de bewezenverklaarde feiten, is art. 88 Sr gewijzigd.8.Tot 1 januari 2020 luidde de bepaling als volgt:
‘Onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.’
Na die datum luidde art. 88 Sr:
‘Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.’
19. Op 25 juli 2020 trad de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking.9.Daardoor is art. 88 Sr komen te luiden zoals het vóór 1 januari 2020 luidde. Daarmee is de definitie van ‘jaar’ komen te vervallen. Uit rechtspraak van Uw Raad kan evenwel worden afgeleid dat – in verband met art. 1, tweede lid, Sr en art. 7 EVRM – in zaken waarin art. 88 Sr zoals dat van 1 januari 2020 tot en met 24 juli 2020 luidde van kracht is geweest, de totale duur van de gijzeling maximaal 360 dagen bedraagt.10.
20. Het voorgaande brengt in deze zaak mee dat de gijzeling voor de vijf betalingsverplichtingen als bedoeld in art. 36f Sr gezamenlijk ten hoogste 360 dagen kan bedragen.
21. Het middel klaagt daar terecht over. Uw Raad kan de duur van de gijzeling aldus verminderen dat deze in totaal 360 dagen bedraagt.
Het vierde namens de verdachte voorgestelde middel
22. Het vierde middel bevat de klacht dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn is geschonden, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie.
23. Op 9 mei 2022 is namens de verdachte cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 2 oktober 2023 bij de Hoge Raad ingekomen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn van acht maanden met bijna negen maanden is overschreden. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad meer dan twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. Een en ander dient te leiden tot strafvermindering.
24. Het vierde middel slaagt.
Het namens de benadeelde partij [benadeelde 3] voorgestelde middel
25. Het namens de benadeelde partij [benadeelde 3] voorgestelde middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat behandeling van het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op het verlies aan verdienvermogen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
26. Bij de stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ dat namens de benadeelde partij [benadeelde 3] is ingediend. Onder het kopje ‘materiële schade’ is als bedrag € 61.029,36 vermeld; daarbij wordt verwezen naar een bijgevoegde toelichting. Dit formulier houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
‘Materiële schade:
Verder vraagt [benadeelde 3] eveneens een voorschot op de vergoeding van materiële schade een bedrag van € 61.029,36 of zoveel de Rechtbank in goede justitie redelijk acht vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het plegen van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende kosten.
Verlies aan verdienvermogen
- als zelfstandige € 15.300,00
- opgenomen verlofuren € 3.740,00
(…)
Verlies aan verdienvermogen:
Als zelfstandige:
[benadeelde 3] werkte als sporttherapeut (natuurgeneeskundige therapeut). Sinds het misdrijf heeft [benadeelde 3] getracht haar werkzaamheden als therapeut voort te zetten. Het probleem was dat [benadeelde 3] elk jaar opleidingspunten moet halen en daar ging het mee fout. Naast haar loonvormende arbeid werkte zij dus als zelfstandige en daarnaast moest zij haar opleidingspunten halen. Dit is jaren goed gegaan, maar door het misdrijf kon [benadeelde 3] dat niet meer opbrengen. Haar laatste declaratie aan een zorgverzekering dateert van 12-10-2019. [benadeelde 3] stopt met haar bedrijf per 01-01-2020.
[benadeelde 3] heeft haar boekhouder opdracht gegeven om financiële stukken op te maken. [benadeelde 3] zal haar aangiften over de jaren 2015 tot en met 2019 inbrengen. Uit deze stukken blijkt dat [benadeelde 3] gemiddeld een brutowinst heeft van € 2.524,00 per jaar. Als er gerekend wordt met een belastingdruk van 33%, dan is haar netto inkomen gemiddeld € 1.700,00 per jaar.
Normaal had [benadeelde 3] doorgegaan met haar bedrijf tot haar 65e levensjaar. Dat betekent dat [benadeelde 3] 09 jaar een verlies aan verdienvermogen heeft.
Het verlies aan verdienvermogen is 09 x € 1.700,00 is € 15.300,00 (Productie 2: Bewijsstukken inkomsten).
Opgenomen vrije uren:
In verband met het bezoeken van diverse instanties onder werktijd heeft [benadeelde 3] enkele keren verlofuren moeten opnemen. Het gaat om bezoeken naar de psycholoog, fysiotherapeut en de trainingen van de hulphond.
Het netto uurloon van [benadeelde 3] is € 17,00. Dit is berekend aan de hand van de loonstrook van januari 2019 (€ 2.653,17: 156 uren). Het totaal opgenomen aantal verlofuren is 220, waardoor de schade aan verlies aan verdienvermogen is 220 x € 17,00 is € 3.740,00 (Productie 3: Loonstroken)’
27. Bij de stukken van het geding bevindt zich een ‘aanvullende toelichting voeging benadeelde partij’ die namens deze benadeelde partij (in hoger beroep) is ingediend, gedateerd 8 april 2022. Deze aanvullende toelichting houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘Verlies aan verdienvermogen (…)
Zoals de benadeelde partij opmaakt uit de bewoording “van de hierboven beschreven redenen”, doelt de rechtbank op de grond dat voor toewijzing van deze schadeposten nader onderzoek noodzakelijk is wat betreft de vraag of de schadeposten voldoende samenhangen met het bewezen verklaarde feit.
Gelet op voorgaande is evident dat deze schadeposten als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt.
Dat bij [benadeelde 3] sprake is van een belast verleden betekent niet dat (…) het verlies aan verdienvermogen niet zijn ontstaan door het handelen van de verdachte. Immers van belang is dat [benadeelde 3] (eventueel met een belast verleden) vóór het misdrijf zo kon functioneren dat zij in staat was om arbeid te verrichten (…).
Evident is dat deze schade ongeacht haar belaste verleden is ontstaan. Dat de schade - mogelijkerwijs door haar belaste verleden - anders/meer is dan het gemiddelde dan dat van de gemiddelde mens maakt dat niet anders. De verdachte heeft de benadeelde partij te nemen zoals hij haar aantreft “take the victim as you find him”.
Kortom, tenminste een deel van deze schade is door de verdachte ontstaan. Dat het deel niet nauwkeurig kan worden vastgesteld is niet relevant. De rechtbank heeft voor het verlies aan verdienvermogen (…) gebruik moeten maken van haar schattingsbevoegdheid.
Indien uw hof tot een ander oordeel komt dan de benadeelde partij en concludeert dat niet de volledige schade ontstaan is door het handelen van de verdachte, dient u in ieder geval de schade naar proportionaliteit vast te stellen. In het kader van een laagdrempelige verhaalsmogelijkheid doet u de benadeelde partij door haar voor het volledige deel niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren echt te kort.
(…)
Aanvullende stukken: verlies aan verdienvermogen
Als werknemer
Ter onderbouwing wordt een overzicht van [benadeelde 3] ziekteverzuim overgelegd. Hieruit blijkt dat [benadeelde 3] voor het misdrijf goed functioneerde en zich zelden heeft moeten ziekmelden bij haar werkgever. Over de periode van 2010 t/m 2016 heeft zij zich in circa 13 dagen ziekgemeld. De in eerste aanleg gevorderde uren ziekteverzuim zijn zodoende gerelateerd aan de strafzaak. Na komst van Turbo en de behandeling in eerste aanleg is [benadeelde 3] weer het werk gaan opbouwen. [benadeelde 3] is vanaf februari 2020 weer volledig aan het werk gegaan.
Als zzp
Ter onderbouwing wordt een overzicht van wijziging van KvK overgelegd. Hieruit blijkt dat [benadeelde 3] 1 januari 2009 de onderneming heeft gevestigd en per 31-12-2019 is uitgeschreven.’
28. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2022 houdt onder meer het volgende in:
‘De benadeelde partijen [benadeelde 3] (…) zijn tevens, tezamen met raadsman mr. F.J.M. Hamers, ter terechtzitting verschenen.
(…)
Voorts wordt de advocaat van de benadeelde partijen in de gelegenheid gesteld de ingediende vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] nader toe te lichten en voert het woord overeenkomstig de overlegde aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities.
(…)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota.
Vervolgens krijgt de advocaat van de benadeelde partijen het woord en deelt mede:
Hetgeen de rechtbank heeft toegewezen, doet geen recht aan wat er is gebeurd.’
29. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen houdt de door de raadsvrouw van de verdachte overgelegde pleitnota het volgende in:
‘Primair NO want vrijspraak Subsidiair biedt de wet de benadeelde partij niet de mogelijkheid haar vordering in hoger beroep te verhogen of nieuwe schadeposten op te voeren.’
30. Het bestreden arrest suggereert, zo zal nog blijken, dat de raadsvrouw tijdens het onderzoek ter terechtzitting van deze tekst is afgeweken. Nu daarvan niet blijkt uit het proces-verbaal van de zitting is de tekst van de overgelegde pleitnota naar het mij voorkomt doorslaggevend.11.Voor de beoordeling van het middel maakt dat – meen ik –niet uit.
31. De pleitnota die door de advocaat van de benadeelde partij is overgelegd houdt inzake de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] onder meer het volgende in:
‘Materiële schadevergoeding
3.1
Wat betreft de materiële schadeposten verwijs ik naar de schriftelijke toelichtingen op de vorderingen. Zowel [benadeelde 3] als (…) hebben hun vorderingen in eerste aanleg verhoogd met enkele materiële schadeposten althans nader gespecificeerd.’
32. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van de materiële schade het volgende in:
‘Vordering tot schadevergoeding [benadeelde 3]
In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 71.029,36 (bestaande uit € 61.029,36 materiële schade en € 10.000,00 immateriële schade).
(…)
In hoger beroep is deze vordering (…) aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 52.989,36, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair is verzocht de vordering toe te wijzen zoals door de rechtbank in haar vonnis is geoordeeld en meer subsidiair is verzocht de vordering niet ontvankelijk te verklaren voor zover dit de verhoging daarvan in hoger beroep betreft.
(…)
Om vast te kunnen stellen welk deel van de vordering betreffende het verlies aan verdienvermogen rechtstreeks samenhangt met de bewezenverklaarde feiten is een nadere onderbouwing en aansluitende standpuntwisseling in een nadere behandeling van de vordering nodig. Een dergelijke nadere behandeling zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Om die reden zal de benadeelde partij in dit deel van haar vordering ter zake van materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het hof zal tegen die achtergrond geen gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek, zoals door de advocaat van de benadeelde partij nadrukkelijk is verzocht. Hoewel aannemelijk is dat de benadeelde partij schade door verlies van verdienvermogen heeft geleden, past het niet om bij een dergelijk complexe vordering met gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot schatten, op basis van de thans aanwezige (beperkte) informatie, de mogelijkheden van een procedure voor de burgerlijke rechter te begrenzen. Het oordeel van het hof aangaande de vordering in het strafproces heeft immers te gelden als een eindoordeel in een civiele bodemprocedure.
(…)
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 51.940,80 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] . Het hof ziet in hetgeen door de raadsman van de benadeelde partij is aangevoerd geen reden het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel te verhogen. Het hof zal dit verzoek dan ook niet honoreren.
(…)
BESLISSING
Het hof:
(…)
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 51.940,80 (eenenvijftigduizend negenhonderdveertig euro en tachtig cent) bestaande uit € 41.940,80 (eenenveertigduizend negenhonderdveertig euro en tachtig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 51.940,80 (eenenvijftigduizend negenhonderdveertig euro en tachtig cent) bestaande uit € 41.940,80 (eenenveertigduizend negenhonderdveertig euro en tachtig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 122 (honderdtweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 december 2015.’
33. In het overzichtsarrest inzake de vordering van de benadeelde partij van 28 mei 2019 heeft Uw Raad onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):12.
‘Inleiding
2.1
Art. 51f Sv bepaalt dat diegene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Op die vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht van toepassing. Los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering kan de rechter ambtshalve de in art. 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. (…)
Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (art. 361, derde lid, Sv).
De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 Sv slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.
(…)
2.8.3
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen.
2.8.4
Het staat de rechter vrij in zijn oordeel over een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Een dergelijke splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. Het voorgaande betekent echter niet dat de strafrechter op grond van zijn voorlopig oordeel een gevorderd (schade)bedrag geheel of gedeeltelijk kan toewijzen bij wege van voorschot, in afwachting van een definitief oordeel van de civiele rechter.’
34. Ingevolge art. 361, derde lid, Sv, in hoger beroep van toepassing op grond van art. 415, eerste lid, Sv kan het hof, indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, ambtshalve bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering (voor dat deel) slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
35. Het hof heeft geoordeeld dat om vast te kunnen stellen welk deel van de vordering betreffende het verlies aan verdienvermogen rechtstreeks met de bewezenverklaarde feiten samenhangt een nadere onderbouwing en aansluitende standpuntwisseling in een nadere behandeling van de vordering nodig is. En dat een dergelijk nader onderzoek een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf toegepast.
36. Het oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Uw Raad heeft dat feitelijk oordeel in veel gevallen niet onbegrijpelijk geacht.13.Uit rechtspraak van de civiele kamer van Uw Raad kan worden afgeleid dat de vraag of de benadeelde partij schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid moet worden beantwoord door de feitelijke inkomenssituatie na het delict te vergelijken met de hypothetische situatie bij wegdenken van het delict.14.Een dergelijke vergelijking is veelal een complexe aangelegenheid.15.
37. De steller van het middel keert zich in de eerste plaats tegen het oordeel van het hof dat het vaststellen van het verlies aan verdienvermogen dat rechtstreeks samenhangt met de bewezenverklaarde feiten een nadere onderbouwing en aansluitende standpuntbepaling in een nadere behandeling van de vordering vergt. De benadeelde partij zou genoegzaam hebben onderbouwd dat de gevorderde schade in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde.
38. Uit de stukken die door de benadeelde partij zijn overgelegd kan worden afgeleid dat het gestelde verlies aan verdienvermogen rechtstreeks is veroorzaakt doordat de benadeelde partij niet meer de vereiste opleidingspunten behaalde. Daaruit volgt voorts dat het verlies aan verdienvermogen is berekend op basis van de brutowinst over de jaren 2015 tot en met 2019, en dat ervan is uitgegaan dat de benadeelde partij tot haar 65e zou blijven werken. Tenslotte wordt in de toelichting melding gemaakt van een ‘belast verleden’ van de benadeelde partij. Alleen al tegen de achtergrond van deze bij de onderbouwing van de vordering betrokken gegevens heeft het hof naar het mij voorkomt kunnen oordelen dat een nadere behandeling van de vordering noodzakelijk is. Ik merk daarbij op dat Uw Raad in het arrest van 23 april 2024 waarin een vordering wegens gederfd levensonderhoud aan de orde was het belang van rechtsbijstand die gespecialiseerd is in de begroting en behandeling van die aanspraak heeft benadrukt. Dat belang speelt ook in deze zaak.
39. De steller van het middel meent voorts dat het hof ‘in de fout’ gaat door te overwegen dat het geen gebruik zal maken van zijn schattingsbevoegdheid bij een ‘dergelijk complexe vordering’ hoewel ‘aannemelijk is dat de benadeelde partij schade door verlies van verdienvermogen heeft geleden’. Hij wijst op de ‘onderliggende stukken bij de vordering’ en op de schriftelijke toelichting in eerste aanleg waarin is uiteengezet ‘welk bedrag als zelfstandige en welk bedrag in loondienst aan verlies aan verdienvermogen is geleden’. Ook wijst de steller van het middel erop dat ‘belastingaanslagen van de jaren daarvoor’ zijn ingediend, en ‘loonstroken en verlofadministratie’ van de benadeelde partij. Het oordeel dat er te beperkte informatie aanwezig is om gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid zou onbegrijpelijk zijn.
40. Naar het mij voorkomt ziet de steller van het middel eraan voorbij dat een oordeel over verlies aan verdienvermogen niet alleen een vaststelling van eerdere verdiensten vergt. Vereist is ook een oordeel over (onder meer) het causaal verband tussen het verlies aan verdienvermogen en het misdrijf, en het aantal jaren dat de benadeelde partij nog zou hebben gewerkt als het misdrijf niet zou zijn gepleegd. Dat het hof overweegt dat het aannemelijk acht dat schade is geleden brengt voorts niet mee dat het hof gehouden is die schade te schatten. Uw Raad overweegt in het overzichtsarrest nadrukkelijk dat het de rechter vrij staat ‘in zijn oordeel over een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren’.
41. De steller van het middel wijst er tenslotte op dat de verdediging geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering en de vordering niet heeft betwist. Volgens de steller van het middel had het hof gelet hierop moeten uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten en de vordering ook wat betreft het verlies aan verdienvermogen moeten toewijzen.
42. Uit het overzichtsarrest van 28 mei 2019 volgt dat deze klacht op een onjuiste rechtsopvatting berust. Toewijzing van de vordering dient ook als de vordering niet (gemotiveerd) is betwist achterwege te blijven indien de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt dan wel zich het geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen (rov. 2.8.3).16.En ook als één van deze gronden voor het niet toewijzen van de vordering zich niet voordoet, geeft het criterium van art. 361, derde lid, Sv de rechter ruimte om een vordering die niet (gemotiveerd) is betwist onder omstandigheden (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk te verklaren (rov. 2.8.4).17.
43. Al met al getuigt de beslissing van het hof om de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering voor zover deze ziet op verlies aan verdienvermogen niet van een onjuiste rechtsopvatting en is deze beslissing toereikend gemotiveerd.
44. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel is tevergeefs voorgesteld.
Slotsom
45. Het eerste, tweede, derde en vierde namens de verdachte voorgestelde middel zijn terecht voorgesteld. Het namens de benadeelde partij [benadeelde 3] voorgestelde middel faalt. Ambtshalve heb ik, behoudens hetgeen ik over het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn heb opgemerkt, geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
46. Deze conclusie strekt ertoe dat Uw Raad:
- verstaat dat de ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van masseur en/of natuurgeneeskundige en/of natuurgeneestherapeut voor de duur van 3 jaren is opgelegd;
- het bestreden arrest vernietigt, maar uitsluitend wat betreft de duur van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, met vermindering van die duur aan de hand van de gebruikelijke maatstaf; de duur van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor zover inhoudende dat de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde 2] , met bepaling van deze duur op twee jaren; en de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast bij één of meer schadevergoedingsmaatregelen, met vermindering van die duur tot een totaal van 360 dagen;
- en het beroep voor het overige verwerpt.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑07‑2024
De tekst van het middel spreekt kennelijk abusievelijk over een termijn van 3 jaren; in de toelichting wordt het dictum geciteerd waarin wordt gesproken over een ontzetting voor de duur van 5 jaren.
Zie eerder HR 3 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:579 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:175. In deze zaken vernietigde Uw Raad de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging en wees de zaak in zoverre terug.
Ik merk daarbij nog op dat het hof in de alinea’s die daaraan vooraf gaan 36 maanden gevangenisstraf (waarvan 8 maanden voorwaardelijk) met een proeftijd van 3 jaren oplegt. Zie eerder HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9191 en HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:577. In beide zaken nam Uw Raad in het licht van hetgeen het hof had overwogen aan dat het dictum een misslag bevatte.
De toelichting op het tweede middel spreekt onder 2.4 kennelijk abusievelijk over een termijn van 5 jaren. Uit de strafmotivering en het dictum blijkt dat het hof de vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 3 jaren heeft opgelegd.
HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:338, NJ 2019/229 m.nt. Vellinga.
Vgl. HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:338, NJ 2019/229, m.nt. Vellinga, rov. 3.4 en HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:445, NJ 2020/128, rov. 6.4.
HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714, NJ 2022/199, rov. 2.3. Voor de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen op 1 januari 2020 (zie de volgende noot) werd art. 24c Sr in art. 36f, achtste lid, (oud) Sr van overeenkomstige toepassing verklaard. Uit art. 24c, derde lid, Sr volgde dat de vervangende hechtenis ook bij de schadevergoedingsmaatregel ingeval van samenloop maximaal een jaar bedroeg, vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1226.
Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82; inwerkingtredingsbesluit van 18 december 2019, Stb. 2019, 507.
Wet van 24 juni 2020, Stb. 2020, 225; inwerkingtredingsbesluit van 16 juli 2020, Stb. 2020, 286.
Vgl. onder meer HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, rov. 3.3; HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:498, rov. 4.2; HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714, NJ 2022/199, rov. 2.3.
Vgl. HR 22 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU1993, NJ 2006/219 m.nt. Schalken, rov. 3.3.
HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga.
Zie onder meer HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751, NJ 2012/451; HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349, NJ 2012/520 m.nt. Keulen; HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, NJ 2014/281 m.nt. Schalken; HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:177, NJ 2016/104; HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:221, NJ 2017/140 m.nt. Lindenbergh; HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:305; HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:933, NJ 2020/284 m.nt. Vellinga. Anders oordeelde Uw Raad in HR 31 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1495.
HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654, NJ 1998/924, rov. 3.5.1; HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590, NJ 2022/172, rov. 3.1.1.
Vgl. in dit verband de overwegingen van Uw Raad in HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, rov. 3.3.3-3.4, waarin een vordering wegens gederfd levensonderhoud aan de orde was.
Vgl. ook HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465, NJ 2019/468, rov. 2.4.2, m.nt. W.H. Vellinga.
Vgl. HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:934.