Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82; inwerkingtredingsbesluit van 18 december 2019, Stb. 2019, 507.
HR, 23-11-2021, nr. 19/05632
ECLI:NL:HR:2021:1743
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-11-2021
- Zaaknummer
19/05632
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1743, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑11‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2019:10663
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1075
ECLI:NL:PHR:2021:1075, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑10‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1743
Uitspraak 23‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.1 Sr) en verduistering, meermalen gepleegd (art. 321 Sr). Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Maximale duur van gijzeling. Kon hof totale duur van gijzeling op 365 dagen bepalen? HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van ten hoogste 1 jaar kan worden toegepast, waarbij in deze zaak geldt dat onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2021:812). Samenhang met 19/05633 P.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/05632
Datum 23 november 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 december 2019, nummer 21/003081-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast en tot het bepalen door de Hoge Raad dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van ten hoogste een jaar kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast voor de duur van 365 dagen.
2.2
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis.
2.3
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914. De Hoge Raad zal zelf bepalen dat ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel gijzeling kan worden toegepast voor de duur van ten hoogste een jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812).
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling voor de duur van ten hoogste een jaar kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2021.
Conclusie 05‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Valsheid in geschrift (art. 225 Sr) en verduistering (art. 321 Sr). Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van een jaar kan worden toegepast, waarbij in deze zaak geldt dat onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2021:812). Samenhang met 19/05633.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/05632
Zitting 5 oktober 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 11 december 2019 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens ‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ en ‘verduistering, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, alsmede 180 uren taakstraf, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Er bestaat samenhang met de ontnemingszaak tegen de verdachte met nr. 19/05633. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Gesteld wordt dat deze zal moeten worden vervangen door gijzeling voor de (maximale) duur van 360 dagen.
Het hof heeft bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis van 365 dagen wordt toegepast. Op 1 januari 2020, en dus nadat het hof arrest heeft gewezen, is de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB) in werking getreden, die ertoe heeft geleid dat de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel plaats heeft gemaakt voor gijzeling. Gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, NJ 2020/409 m.nt. Ten Voorde kan Uw Raad bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling kan worden toegepast.1.
6. De steller van het middel gaat ook in op de (maximale) duur van de gijzeling. Op grond van art. 36f, vijfde lid, Sr beloopt de duur van de gijzeling ten hoogste één jaar. Die maximale duur gold tot 1 januari 2020 ingevolge art. 36f, achtste lid, (oud) Sr in verbinding met art. 24c, derde lid, Sr ook voor de vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel. Bij de inwerkingtreding van de Wet USB is art. 88 Sr evenwel gewijzigd. In dat artikel wordt een omschrijving van enkele in het wetboek voorkomende tijdseenheden gegeven die onder meer van belang is voor de berekening van de duur van een sanctie. Tot 1 januari 2020 luidde de bepaling als volgt:
“Onder maand wordt verstaan een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”
Vanaf 1 januari 2020 luidde art. 88 Sr:
“Onder jaar wordt verstaan een tijd van twaalf maanden, onder maand een tijd van dertig dagen, onder dag, behoudens voor de toepassing van de Algemene termijnenwet, een tijd van vierentwintig uren.”
7. Door deze toevoeging van de omschrijving van de duur van een jaar werd één jaar in het materiële strafrecht 360 dagen (12 keer dertig dagen).
8. Op 25 juli 2020 trad de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen in werking.2.Op grond van art. II, onderdeel G, van deze wet is art. 88 Sr komen te luiden zoals het vóór 1 januari 2020 luidde. Daarmee is de definitie van ‘jaar’ komen te vervallen.
9. De wijziging van art. 88 Sr per 1 januari 2020 is in de onderhavige zaak mede bepalend voor de toepasselijke maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden gijzeling. Derhalve behelst deze wijziging een verandering van regels van sanctierecht. Daaromtrent heeft Uw Raad in het genoemde arrest van 26 mei 2020 – onder verwijzing naar HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878, NJ 2012/78, m.nt. Keijzer – het volgende overwogen:
‘Vooropgesteld dient te worden dat voor regels van sanctierecht, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, geldt dat een sinds het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang - en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten - moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt, alsmede dat eventueel door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 15 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en - voor zover van toepassing - artikel 49 lid 1 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Indien dat laatste niet het geval is, zal de rechter deze bepalingen buiten toepassing moeten laten (...).’
10. In de onderhavige zaak doet zich de bijzondere situatie voor dat een regel van sanctierecht na het begaan van het feit ten gunste van de verdachte is gewijzigd, maar die wijziging in de loop van de procedure weer is teruggedraaid.
11. Een vergelijkbare gang van zaken deed zich voor in HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812. Ook in die zaak had het hof vóór 1 januari 2020 uitspraak gedaan en werd nadien in cassatie geklaagd over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Uit het arrest kan worden afgeleid dat in zo’n geval art. 88 Sr zoals dat van 1 januari 2020 tot en met 24 juli 2020 van kracht is geweest van toepassing is, omdat deze bepaling voor de verdachte ‘of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment’ de meest gunstige is.3.Uw Raad overwoog dat ‘als de duur van de vervangende hechtenis meer dan 360 dagen bedraagt, de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast moet worden bepaald op een jaar en dat in dit verband – in aanmerking genomen dat de bestreden uitspraak voor 1 januari 2020 is gewezen – onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan’.
12. Dat betekent dat Uw Raad op grond van het voorgaande kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis voor de duur van 365 dagen gijzeling van ten hoogste een jaar kan worden toegepast.
13. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast en tot het bepalen door Uw Raad dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van ten hoogste een jaar kan worden toegepast en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 05‑10‑2021
Wet van 24 juni 2020, Stb. 2020, 225; inwerkingtredingsbesluit van 16 juli 2020, Stb. 2020, 286.