Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/14.3.2.4
14.3.2.4 De rekkelijke benadering bij oneigenlijke vermenging
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90851:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/516; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/124, 178; Van Hoof 2015, par. 10.2.4; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/58; Snijders/Rank-Berenschot 2017/287.
Hoofdstuk 10, paragrafen 10.3.1, 10.4.1 en 10.5.1.
Vriesendorp, TvI 1999/1, p. 8-9; Fikkers 1999, nr. 69; Loesberg 2001, p. 242; Verstijlen 2002, p. 457-478; Van der Wiel, WPNR 2002/6480, p. 222-223; Verstijlen, WPNR 2008/6742, p. 130; Steneker 2012, nr. 32; Koops, AA 2015/12, p. 964; Verheul & Verstijlen 2016, p. 117-124; Snijders/Rank-Berenschot 2017/287; Verheul 2018, p. 254.
Zie de verwijzingen in de vorige voetnoot en Rb. Amsterdam 8 oktober 2017, JOR 2018/52.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 387;MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1197. Zie ook hoofdstuk 2, paragraaf 2.2.1.2 en hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.1.3.
Hoofdstuk 10, paragraaf 10.2.3.
Koops, AA 2015/12, p. 964.
Verstijlen 2002, p. 457-478; Verheul 2018, p. 257-260. Voorzichtig Vriesendorp, TvI 1999/1, p. 9.
Verheul 2018, p. 261-262.
Vriesendorp, TvI 1999/1, p. 8-9; Fikkers 1999, nr. 69; Loesberg 2001, p. 242; Smelt, AA 2003, p. 348-354; Steneker 2012, nr. 32; Koops, AA 2015/12, p. 964. Verheul & Verstijlen 2016, p. 117-124 zijn voorstander van deze uitkomst als wenselijk recht. Kritisch: Wichers 2002, p. 153.
Dit is uiteengezet in hoofdstuk 10, paragraaf 10.2.2.
HR 12 januari 1968, NJ 1968, 274 (Teixeirade Mattos).
In de vorige paragrafen is oneigenlijke vermenging niet aan bod gekomen. Oneigenlijke vermenging wordt in het Nederlandse recht gezien als een bewijsprobleem; oorspronkelijke eigenaren en beperkt gerechtigden kunnen niet bewijzen van welke specifieke zaken zij eigenaar of beperkt gerechtigde zijn en kunnen derhalve hun rechten niet uitoefenen.1
In het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht leidt dit bewijsprobleem niet tot het verlies van eigendom of beperkte recht. De voorrangspositie van de leverancier zet zich bij oneigenlijke vermenging voort op de oneigenlijk vermengde hoeveelheid zaken, ook al kan de leverancier door oneigenlijke vermenging niet bewijzen op welke specifieke zaken hij een eigendoms- of zekerheidsrecht heeft. Op grond van de regels die ook van toepassing zijn bij eigenlijke vermenging verkrijgt de leverancier een aandeel in de mede-eigendom (Duits recht), kan hij een bepaalde hoeveelheid zaken revindiceren (Belgisch recht) of verkrijgt een zekerheidsrecht op de eenheidszaak die is ontstaan door vermenging (Amerikaans recht).2
Dit resultaat is een rechtspolitieke keuze van de Duitse, Belgische en Amerikaanse wetgever. Beoogd is om de leverancier te beschermen tegen het verlies van zekerheid als zijn zaken door elkaar raken met zaken van derden én om te voorkomen dat de leverancier gedwongen wordt om maatregelen te nemen die hoge kosten of administratieve lasten met zich brengen ter vermijding van oneigenlijke vermenging. Het wordt onbillijk geacht dat de leverancier zijn zekerheid verliest als hij niet precies de door hem zaken kan aanwijzen, maar wel aannemelijk kan maken dat een bepaalde hoeveelheid van zijn zaken bij de koper aanwezig is. Het betreft soortgelijke zaken, zodat het voor de leverancier ook niet uitmaakt ten aanzien van welke zaken hij precies een voorrangspositie heeft.
In het Nederlandse recht wordt een rekkelijke benadering van het leerstuk van oneigenlijke vermenging verdedigd op vergelijkbare gronden door verschillende auteurs.3 Zij menen dat het niet billijk is dat door de leverancier onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken in de failliete boedel van de koper vallen, slechts vanwege een bewijsprobleem.
Deze rekkelijke benadering krijgt steeds meer aanhangers in de literatuur en is ook in de lagere rechtspraak toegepast.4Ik meen dat tevens voorzichtige aanwijzingen te vinden zijn dat ook de Nederlandse wetgever deze benadering wenselijk acht. Ten eerste heeft de wetgever het in art. 3:92 lid 2 BW mogelijk gemaakt voor leveranciers om een kredieteigendomsvoorbehoud te bedingen. Hiermee beoogt de wetgever om het verlies van voorbehouden eigendom als gevolg van oneigenlijke vermenging te voorkomen en te bereiken dat de leverancier geen andere (oneconomische) maatregelen hoeft te treffen ter voorkoming van dit verlies.5 Een steunargument kan worden gevonden in de invoering van de Wet giraal effectenverkeer. Naar aanleiding van het Teixeira de Mattos-arrest besloot de wetgever om de Wge in te voeren, zodat het risico van oneigenlijke vermenging bij effectenbewaring wordt ondervangen.6 Ten tweede heeft de wetgever gekozen voor de rekkelijke benadering bij de regeling van het recht van reclame. In lid 2, tweede zin van art. 7:39 BW heeft de leverancier het recht om een gedeelte van de geleverde zaken te reclameren, indien een gedeelte van de koopprijs is betaald. De leverancier hoeft niet precies aan te wijzen welke zaken onbetaald zijn. Hij kan een ‘evenredig deel’ reclameren.7
Tot slot vormt het Zalco-arrest wederom een argument dat de rekkelijke benadering het geldende recht is.8 De Hoge Raad overweegt dat eigenaren en beperkt gerechtigden hun rechten niet te snel mogen verliezen. Zij verdienen bescherming tegen het verlies van recht. Dit vormt een aanwijzing dat het Nederlandse recht zich ontwikkelt in de richting van meer bescherming van oorspronkelijke gerechtigden tegen het verlies van hun recht. Dit is in lijn met de gedachte achter de rekkelijke benadering bij oneigenlijke vermenging.
In de literatuur zijn verschillende mogelijkheden bepleit om het in de vorige alinea beschreven resultaat te bereiken. Ten eerste is verdedigd dat de leverancier zijn eigendomsvoorbehoud kan uitoefenen door zijn krachten te bundelen met andere eigenaren en beperkt gerechtigden.9 Een tweede methode is een soepelere invulling van het individualiseringsvereiste, zoals in art. 7:39 lid 2 tweede zin BW staat, op grond waarvan de leverancier zijn recht kan uitoefenen met betrekking tot een bepaalde hoeveelheid zaken als hij aantoont dat een bepaalde hoeveelheid zaken van hem aanwezig is bij de koper, zonder precies te hoeven aanwijzen op welke zaken zijn rechten precies betrekking hebben.10 Ten derde wordt mede-eigendom tussen de oorspronkelijke eigenaren bepleit.11 Op al deze wijzen zet de voorrangspositie van de leverancier zich voort op eenzelfde hoeveelheid zaken (of op een aandeel in de mede-eigendom). Zowel dit resultaat als de verschillende wijzen waarop dit wordt bereikt, vertonen veel overeenkomsten met het Duitse, Belgische en Amerikaanse recht.12
Het is kortom verdedigbaar dat het huidige Nederlandse recht leidt tot een met de drie rechtsstelsels vergelijkbare uitkomst. Het leerstuk van oneigenlijke vermenging en het eigendomsverlies blijft dan beperkt tot gevallen waarin er sprake is van een wisselende voorraad zonder deugdelijke administratie waardoor onduidelijk is of de aanwezige zaken eigendom zijn van degenen die de revindicatievordering instellen.13