Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/14.3.2.1
14.3.2.1 Een pandrecht met superprioriteit – een uitzondering op art. 3:97lid 2 BW
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90780:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Met het Duitse recht, waar de leverancier een zekerheidsoverdracht overeenkomt met de koper bij zaaksvorming (Verarbeitungsklausel) en doorverkoop (Vorausabtretungsklausel). Het BGH kent voorrang toe aan deze overdracht aan de leverancier voor een eerdere overdracht aan een andere schuldeiser. Zie hoofdstuk 11, paragraaf 11.3.2 en hoofdstuk 12, paragraaf 12.3.3.
Hoofdstuk 2.
Hoofdstuk 2, paragrafen 2.3.2, 2.4.4, 2.5.4, 2.6.2 en 2.7.2.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 403.
Verstijlen, TPR 2006/2, p. 1190-1191; Verheul 2018, p. 235-237.
Hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.3 en 5.3.4.
Hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.2.2.
Hoofdstuk 8, paragraaf 8.3.2; hoofdstuk 11, paragraaf 11.3.2 en hoofdstuk 12, paragraaf 12.3.2.
Hoofdstuk 8, paragraaf 8.3.1.2 en 8.5.1; hoofdstuk 9, paragraaf 9.3.1 en 9.5.2; hoofdstuk 10, paragraaf 10.3.1 en 10.5.1; hoofdstuk 11, paragraaf 11.5.1.
In het huidige Nederlandse recht kan de leverancier zijn voorrangspositie proberen te verlengen tot het surrogaat van de geleverde zaken door middel van de vestiging van een pandrecht (bij voorbaat). De voorrangspositie kan evenwel niet worden gecontinueerd als de koper – zoals niet ongebruikelijk is – eerder een pandrecht bij voorbaat vestigt op dit goed ten gunste van een andere schuldeiser zoals de bank. De leverancier verkrijgt dan een tweede pandrecht op grond van de prioriteitsregel in art. 3:97 lid 2 BW.
Om de voorrangspositie van de leverancier voort te zetten op het surrogaat ongeacht een eerdere verpanding bij voorbaat, kan een uitzondering worden aangenomen op art. 3:97 lid 2 BW.1 In het Duitse recht geschiedt dit bijvoorbeeld in het kader van zaaksvorming en doorverkoop op grond van rechtspraak van het BGH. In het Belgische en Amerikaanse recht wordt door de wet in afwijking van de prioriteitsregel superprioriteit toegekend aan het zekerheidsrecht van de leverancier op de geleverde zaak en diens surrogaat.
In navolging van deze drie rechtsstelsels is in het Nederlandse recht wettelijk of rechterlijk ingrijpen vereist om dit resultaat te bewerkstelligen. De rechtvaardiging van de uitzondering op art. 3:97 lid 2 BW zal de Nederlandse wetgever of rechter kunnen gronden op drie argumenten die in de andere rechtsstelsels en modelwetten worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de voorrangspositie op het surrogaat.2 Met name zal hier het nauwe band-argument van belang zijn, inhoudende dat het billijk is om de leverancier een voorrangspositie te geven op de geleverde zaak, en ook op diens surrogaat omdat daar (de waarde van) deze geleverde zaak ‘in’ zit.3
Een uitzondering op art. 3:97 lid 2 BW lijkt redelijk eenvoudig inpasbaar te zijn in het huidige Nederlandse recht. De leverancier kan onder het huidige recht al een pandrecht vestigen op het surrogaat, evenals andere schuldeisers van de koper. Aan dit pandrecht wordt alleen in afwijking van art. 3:97 lid 2 BW voorrang toegekend. Er wordt niet gesleuteld aan de regels van eigendomstoewijzing bij natrekking, vermenging, zaaksvorming en bij eigendomsoverdracht. De leverancier wordt geen eigenaar van de verwerkte zaak of rechthebbende van de vordering uit doorverkoop, maar hij verkrijgt een pandrecht. Dit is in lijn met het beoogde doel, namelijk het verkrijgen van zekerheid op het surrogaat van de geleverde zaken. Andere schuldeisers kunnen zodoende ook een zekerheidsrecht verkrijgen op het surrogaat.
Daarnaast is deze uitzondering niet in strijd met de strekking van art. 3:97 lid 2 BW. Deze bepaling heeft een ordenende functie. Zij geeft een oplossing voor het probleem dat ontstaat door een dubbele verpanding (of levering) bij voorbaat.4 Aan de regeling ligt geen belangenafweging tussen verschillende zekerheidsnemers door de wetgever ten grondslag. Beoogd is bijvoorbeeld niet om de bank die de eerste vestigingshandeling verricht te beschermen. Een uitzondering op deze bepaling leidt dus niet tot een doorkruising van een belangenafweging van de wetgever.
Er bestaan evenwel ook argumenten tegen de inpassing van deze methode in het Nederlandse recht en diens gevolgen. Ten eerste geeft art. 3:97 lid 2 BW een oplossing voor conflicterende verpandingen (of leveringen) bij voorbaat. De bepaling biedt een duidelijke regel en schept daarmee rechtszekerheid voor de betrokken partijen.5 Deze rechtszekerheid kan teniet worden gedaan door een uitzondering op art. 3:97 lid 2 BW te introduceren. Dit is naar mijn mening echter niet steeds het geval. Een wettelijke uitzondering op art. 3:97 lid 2 BW geeft namelijk eveneens een oplossing voor twee conflicterende verpandingen en zal kenbaar zijn voor de betrokken partijen uit de wet of rechtspraak, evenals de huidige regeling in art. 3:97 lid 2 BW.
Een tweede argument tegen een uitzondering op art. 3:97 lid 2 BW is dat het leidt tot een inperking van de huidige zekerhedenpositie van de bank. Deze verkrijgt een tweede pandrecht op het goed. Dit is inderdaad het gevolg van deze uitzondering. Deze zal echter het resultaat zijn van de rechtspolitieke keuze door de wetgever of rechter die de belangenafweging laat uitvallen ten gunste van de leverancier en ten koste van de zekerhedenpositie van de bank. De in hoofdstuk 2 opgesomde argumenten vormen de rechtvaardiging.
Een derde argument is dat de bank de productie of de aankoop van andere zaken die gebruikt zijn bij de vorming van de eenheidszaak of nieuwe zaak mede heeft gefinancierd. Het pandrecht van de bank strekt dan tot zekerheid van krediet dat heeft bijgedragen aan de eenheidszaak of nieuwe zaak. Het hoeft echter niet problematisch te zijn dat de bank een tweede pandrecht verkrijgt, mits het eerste pandrecht van de leverancier beperkt wordt. Het pandrecht van de leverancier dient te strekken tot zekerheid van zijn koopprijsvordering op de koper met betrekking tot de geleverde zaak die ‘aanwezig’ is in het surrogaat.6 De prestatie van de leverancier – de levering van de zaak – vormt de rechtvaardiging voor het eersterangs pandrecht, maar dient tegelijkertijd als een begrenzing van de omvang van het pandrecht. Op deze wijze komt de ‘overige’ waarde van het goed, zijnde de waarde van andere oorspronkelijke zaken en/of de arbeid van de koper vertegenwoordigt, ten goede aan de tweede pandhouder.
Deze begrenzing van de verlengde voorrangspositie is in lijn met de andere drie rechtsstelsels. In het Belgische en Amerikaanse recht is deze begrenzing het ‘automatische’ gevolg van de beperkte reikwijdte van het eigendomsvoorbehoud of de purchase-money security interest. Deze rechtsfiguren strekken tot zekerheid van de vordering die de tegenprestatie van de geleverde zaak vormt. Zowel de voorrangspositie op de oorspronkelijke zaak als op het surrogaat wordt slechts gerechtvaardigd geacht voor zover deze strekt tot zekerheid van de tegenprestatie. Het zekerheidsrecht op het surrogaat in deze rechtsstelsels strekt tot zekerheid van de oorspronkelijke koopprijsvordering.7 In het Duitse recht wordt de voorrangspositie voor leverancierskrediet op het surrogaat begrensd door het leerstuk van Übersicherung.8 Dit leerstuk verbiedt een disproportionele verhouding tussen de gesecureerde vordering en het onderpand. Bestaat er een wanverhouding door de verlenging van zekerheid, dan is de zekerheid nietig. Deze sanctie vormt een prikkel voor de leverancier om te zorgen dat de waarde van het onderpand beperkt is tot de hoogte van zijn vordering op de koper. Daarom rust het zekerheidsrecht van de leverancier in het Duitse recht doorgaans op een gedeelte van de eenheidszaak, nieuwe zaak of vordering uit doorverkoop.9
Voor de leverancier bestaat een tweetal mogelijke nadelen bij deze verlengingsmethode in het Nederlandse recht. Ten eerste vestigt de koper een pandrecht bij voorbaat ten gunste van de leverancier. De leverancier is afhankelijk van de medewerking van de koper en verkrijgt geen pandrecht meer als de koper failliet is verklaard. Ten tweede kunnen meerdere leveranciers op grond van art. 3:97 lid 2 BW een eerste pandrecht verkrijgen op hetzelfde goed. De eenheidszaak kan bijvoorbeeld bestaan uit meerdere onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken. Op deze eenheidszaak komen dan meerdere pandrechten van gelijke rang te rusten. Dit leidt mogelijk tot complexe situaties. Dit laatste nadeel is reëel, maar verdient wel enige nuancering. In het Duitse en Amerikaanse recht kunnen ook meerdere zekerheidsrechten van gelijke rang op één zaak (of de afzonderlijke bestanddelen) komen te rusten. Deze rechtsstelsels laten zien dat dit niet problematisch hoeft te zijn.10 Het Belgische recht neemt een tussenpositie in. Bij vermenging zetten alle zekerheidsrechten zich voort op (een aandeel in) het vermengde geheel. Bij natrekking en zaaksvorming heeft de wetgever echter gekozen om alleen het zekerheidsrecht op de oorspronkelijke hoofdzaak te continueren op de eenheidszaak of nieuwe zaak. Niet alle zekerheidsrechten zetten zich dus voort. De wetgever sluit aan bij de regels en ratio van eigendomstoewijzing in het BBW. Ook hierbij lijkt de gedachte te bestaan dat complexe situaties voorkomen moeten worden.