Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.6.3.1
III.6.3.1 Ernstig gevaar op ongekende schaal: bewijsdimensie en terrorisme
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596278:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Van Veen, annotatie bij: HR 17 november 1992, NJ 1993, 267.
Zie voor een overzicht Van Sliedregt 2009, p. 7-8. In Nederland zorgde vooral de publicatie van de toenmalig minister van Justitie in een vaktijdschrift voor rumoer, zie Donner 2004. Opmerkelijk is wel dat hij in zijn aanval op het adagium niet aan het bewijsrecht refereerde en daarin juist uitdrukkelijk geen verandering wenste aan te brengen. De titel van zijn bijdrage is daarom misleidend en wat provocatief. In de Nederlandse strafrechtsliteratuur was overigens ook een duidelijk tegengeluid hoorbaar. Vgl. de reacties op het artikel van Donner door De Roos 2004; Fokkens 2004 en indirect ook Corstens 2005.
Het citaat komt uit een krantenartikel van P. Belluck, ‘Hue and murmur over curbed rights’, New York Times 17 november 2001, p. B8 en ontleende ik aan Waldron 2009, p. 372.
Constitutioneel Hof van Zuid-Afrika 6 maart 1997, [1997] ZACC 2 (S/Coetzee e.a.). Zie ook House of Lords 23 mei 1935, [1935] UKHL 1 (Woolmington/DPP): “No matter what the charge or where the trial, the principle that the prosecution must prove the guilt of the prisoner is part of the common law of England and no attempt to whittle it down can be entertained.”
Hirsch Ballin (2012) bepleit een scherp onderscheid tussen strafrechtelijke informatievergaring ten behoeve van een strafproces en ten behoeve van preventie. Of dat onderscheid steeds op voorhand moet worden gemaakt kan hier in het midden blijven. Van belang is vooral het besef dat diverse opsporingsmethoden en -mogelijkheden bestaan die er primair op zijn gericht toekomstige ernstige delicten te voorkomen. Dat kan effectief gebeuren zonder dat strafrechtelijke veroordeling noodzakelijk is. Dat besef zet het problematische karakter van het met het citaat van Dorf naar voren gebrachte dilemma onder druk.
Ashworth (2006, p. 83-86 en p. 89) zet dat punt nog iets sterker aan: “The whole significance of the presumption [...] is that it should operate as a restraint on the pursuit of ‘public interest’ arguments.” Vgl. voorts Ashworth 2007, p. 218-219. Ook volgens Van Sliedregt (2009, p. 43) is de onschuldpresumptie als bewijs- en beslisregel uiteindelijk bestand tegen de dreiging van terrorisme.
Kunnen delicten van een zodanige aard en ernst zijn dat zij tot een andere balans tussen valspositieve en valsnegatieve bewijsbeslissingen aanleiding moeten geven? Buitengewoon ernstige en beangstigende delicten als (de dreiging van) terroristische aanslagen zijn een reële zorg. Zij zetten de verhouding tussen de rechten van de verdachte en het veiligheidsbelang op scherp. Naarmate de delicten waarop een verdenking zich toespitst maatschappij ontwrichtender zijn, is de roep om een reactie groter en vinden de belangen van het mogelijk ten onrechte verdachte individu daarin een zwaarder tegenwicht. Zeker in tijden van grote maatschappelijke onrust is de samenleving gebaat bij een doeltreffend overheidsoptreden ter ontmoediging van oproer en ter bescherming van burgers.1 Dat bleek het duidelijkst toen Europa zich geconfronteerd zag met de dreiging van terroristische aanslagen na 11 september 2001. Verschillende – ook Nederlandse – politici stelden dat een afweging als ingegeven door de Trajanusregel in geval van terrorisme niet opgaat.2 De Amerikaanse staatsrechtgeleerde Michael Dorf verwoordde het als volgt:
“The traditional way we balance these things is with the maxim, ‘it’s better that 10 guilty men go free than one innocent man be in jail’. I think people are a little nervous about applying that maxim where the 10 guilty men who are going to go free could have biological weapons.”3
Die gedachte spreekt op het eerste gezicht aan. Zij lijkt vrucht van een redelijke belangenafweging tussen de vrijheid van een individu en het leven van vele onschuldige burgers. Toch bestaan tegen een dergelijke redenering bezwaren, die logischerwijs overlappen met de bezwaren tegen een afweging van het recht op een eerlijk proces in het algemeen tegen de ernst van het feit. Sachs, rechter in het Zuid-Afrikaanse Constitutioneel Hof, heeft die bezwaren eloquent geformuleerd:
“There is a paradox at the heart of all criminal procedure, in that the more serious the crime and the greater the public interest in securing convictions of the guilty, the more important do constitutional protections of the accused become. The starting point of any balancing enquiry where constitutional rights are concerned must be that the public interest in ensuring that innocent people are not convicted and subjected to ignominy and heavy sentences, massively outweighs the public interest in ensuring that a particular criminal is brought to book. Hence the presumption of innocence, which serves not only to protect a particular individual on trial, but to maintain public confidence in the enduring integrity and security of the legal system. Reference to the prevalence and severity of a certain crime therefore does not add anything new or special to the balancing exercise. The perniciousness of the offence is one of the givens, against which the presumption of innocence is pitted from the begin-ning, not a new element to be put into the scales as part of a justificatory balancing exercise. If this were not so, the ubiquity and ugliness argument could be used in relation to murder, rape, car-jacking, housebreaking, drug-smuggling, corruption ... the list is unfortunately almost endless, and nothing would be left of the presumption of innocence, save, perhaps, for its relic status as a doughty defender of rights in the most trivial of cases.”4
In het betoog van Sachs herken ik vier argumenten tegen de vermindering van de op de bewijsdimensie gebaseerde rechtsbescherming vanwege de grote ernst van het feit. De bewijsdimensie is 1) belangrijker en urgenter waar de – mogelijk onterechte – veroordeling en bestraffing plaatsvinden voor een ernstiger delict; 2) De bewijsdimensie is het resultaat van een belangenafweging waarin de ernst van het delict reeds is verdisconteerd. Een ernstig delict voegt daaraan weinig nieuws toe; 3) de door de bewijsdimensie beschermde rechtszekerheid en het vertrouwen in de juistheid van strafrechtelijke veroordelingen worden bij een ernstig feit niet gerelativeerd, maar blijven even belangrijk; en 4) door de ernst van het delict als een relevante factor te herkennen, ontstaat het risico van een hellend vlak.
Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de ernst van het delict de consequentialistische rechtvaardiging voor de grote bescherming van onschuldige verdachten bestrijdt, maar de non-consequentialistische buiten schot laat. De op de handelen/omissie-doctrine gebaseerde redenering dat het recht niet gedood te worden door een terrorist niet op één lijn te plaatsen valt met het recht van de vermeende terrorist niet onschuldig te worden veroordeeld, blijft bijvoorbeeld even goed verdedigbaar als bij een minder ernstig delict, juist omdat de morele (on)juistheid niet van de gevolgen afhankelijk wordt gesteld.
Het dilemma is bovendien niet helemaal zuiver gesteld. Doorgaans impliceert men daarbij namelijk dat veroordeling van verdachten ondanks twijfel over hun schuld een effectieve bijdrage levert aan de veiligheid en dat die bijdrage niet op een andere wijze kan worden geleverd. Nog daargelaten dat de veroordeling van onschuldigen aan die veiligheid geen bijdrage levert, is het ook niet zo dat geen alternatieve methoden bestaan die toekomstige ernstige misdrijven van die persoon kunnen voorkomen zonder het risico op valspositieve veroordelingen te vergroten. Binnen het strafrecht is vaak vervolging (en veroordeling) voor een ander, lichter delict mogelijk waaromtrent wel voldoende zekerheid bestaat. Denk aan voorbereidingshandelingen of verboden wapenbezit. Het huidige scala aan strafbaarstellingen biedt daartoe in de meeste Europese landen veel ruimte. Daarnaast kan de doeltreffende inzet van opsporingsmiddelen bijdragen aan preventie van ernstige delicten, ook zonder dat strafrechtelijke veroordeling daarvan een noodzakelijk uitvloeisel is. Wanneer strafrechtelijke veroordeling voor ernstige delicten van begin af aan niet haalbaar blijkt, hoeft dit de inspanningen van veiligheidsdiensten terrorisme te voorkomen niet te beletten.5 Ten slotte bieden allerlei bestuurlijke veiligheidsmaatregelen mogelijk uitkomst zonder dat daarvoor bestraffing nodig is. Er bestaat al met al dus geen alternatiefloze keuze tussen de vrijheid van een terrorismeverdachte en de levens van de slachtoffers van een mogelijke aanslag. Zelfs de ernstigste delicten zijn der- halve op zichzelf niet zonder meer overtuigende grond om tot relativering van de bewijsdimensie te komen.6