Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.4.2.2
8.4.2.2 Te baseren op de 'algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging'
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS580681:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie §4.4.3.2.
Zie § 4.4.4.2.
Zie § 4.4.5.
Zie § 7.5.2.4.
Vgl. § 3.2.3.
Vgl. Brenninkmeijer 2001b, p. 57-58.
Zie over deze 'rechtseenheidsfunctie' van de rechtspraak ook § 7.5.2.3.
In deze zin Asser-Vranken 1995, nr. 186, die hieruit echter afleidt dat op het niveau van de lagere rechters geen sprake zou kunnen zijn van onderlinge gebondenheid aan precedenten (zie hierover ook § 7.5.2.3).
Vgl. § 7.5.2.4.
Vgl. hetgeen aan het slot van § 8.4.2.1 is opgemerkt ten aanzien van de gebondenheid aan 'vaste rechtspraak'.
Zie § 4.4.6.
Zie hierover Konijnenbelt & Van Male 2002, p. 226; De Haan, Drupsteen & Fernhout 1998, p. 65.
Zie voor een geval waarin uitdrukkelijk een beroep werd gedaan op 'vast beleid' van de kantonrechters inzake de mogelijkheid tot ontbinding van een huurovereenkomst bij een huurschuld van tenminste 3 maanden Rb. Middelburg 8 augustus 2001, Prg. 2001, 5786. Door de rechtbank werd dit beroep verworpen, met de overweging dat een dergelijk beleid in een concrete zaak 'immers' niet bindend is. Gezien hetgeen in deze paragraaf is besproken, is m.i. de vraag of deze overweging in zoverre juist is te achten.
Zie bijv. de overzichten van Scholtens 2003a en b en 2004a en b; zie voorts Van der Meer 2003, p. 3.
Vgl. § 8.2.3.
Zie over de mogelijkheid tot afwijking van dergelijke 'vaste rechtspraak' hierna § 8.4.3.
Zie hierover Scholtens 2002; zie voorts Van der Meer 2003, p. 6-7.
Zie over (ontoereikende) publicatie van rechterlijke uitspraken ook § 8.5.4.
Zie bijvoorbeeld: Rb. 's-Hertogenbosch 23 juni 2004, LJN-nr. AP 5823; Ktr. Gouda 17 juni 2004, LJN-nr. AP 5007; Rb. Zutphen 12 mei 2004, LJN-nr. AP 4568; Ktr. Haarlem 11 februari 2004, LJN-nr. AO 7599; Rb. Haarlem 24 maart 2004, LJN-nr. AO 8130; Rb. Arnhem 22 december 2003, LJN-nr. AO 4955; Rb. Maastricht 21 mei 2003, LJN-nr. AF 9038; Rb. Leeuwarden 19 februari 2003, LJN-nr. AF 5089; Ktr. Maastricht 12 februari 2003, LJN-nr. AF 4144; Rb. Zwolle 22 januari 2003, LJN-nr. AF 6175; Rb. Utrecht 3 september 2002, LJN-nr. AE 7119; Rb. Almelo 13 juni 2001, LJN-nr. AB 2180; Rb. Middelburg 11 april 2001, LJN-nr. AB 1815.
Hof 's-Hertogenbosch 6 april 2004, LJN-nr. AO 9790 en Hof Arnhem 10 februari 2004, N/F 2004,176; zie voorts Hof 's-Hertogenbosch 1 december 1999, NJ 2000,618 m.b.t. de eerste versie van het rapport Voor-werk.
Hof Amsterdam 26 februari 2004, Prg. 2004, 6215 en Hof Leeuwarden 27 februari 2002, NJkort 2002, 21.
Zie § 8.3.3.
Zie § 7.5.2.3.
Een betere onderbouwing voor de gedachte dat lagere rechters ook onderling tot op zekere hoogte aan eikaars uitspraken betekenis dienen toe te kennen, kan gevonden worden in de 'algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging'.
Eerder is al vastgesteld dat algemene rechtsbeginselen als het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel onder de noemer 'algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging' ook een belangrijk normadef kader vormen voor het handelen van rechters.1 De rol van deze beginselen kwam al tot uitdrukking op een drietal punten. Zo is betoogd dat een bevoegdheid tot vaststelling van rechtersregelingen kan worden afgeleid uit de toekenning van beslissingsruimte aan de rechter, in combinatie met de verplichting van rechters om gelijke gevallen gelijk te behandelen en om meer in het algemeen op consistente wijze met de hun toekomende beslissingsruimte om te gaan.2 Voorts bleek de (voorafgaande) binding die toekomt aan een rechtersregeling die voldoet aan de criteria uit het rolrichtlijnen-arrest gebaseerd te kunnen worden op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.3 Ook bij de fundering van de gebondenheid aan precedenten spelen het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel (overigens naast andere factoren als de rechtsontwildcelings- en rechtseenheidsfuncde van de rechtspraak) een belangrijke rol.4
Voor de hier besproken vraag - welke betekenis hebben uitspraken van lagere rechters voor andere lagere rechters? - kan bij deze algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging eveneens aansluiting worden gezocht. Het meest in het oog springend lijkt hierbij het gelijkheidsbeginsel te zijn. De eis dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden geldt immers niet slechts binnen de afzonderlijke arrondissementen, maar kan ook voor de rechtspraak als geheel worden gesteld. Hoewel lagere rechters niet in een bepaalde hiërarchische verhouding tot elkaar staan en zij ook overigens onafhankelijk van elkaar zijn, kan het gelijkheidsbeginsel aan deze vrijheid bepaalde grenzen stellen.5 Dit alles kan tevens worden gezien als een uitvloeisel van de rechts-eenheidsgedachte,6 die onder meer in het instituut van cassatie tot uitdrukking komt: in het gehele land dient ten aanzien van hetzelfde onderwerp hetzelfde recht te gelden.7 Hoewel de zorg voor de rechtseenheid in de eerste plaats een taak voor de cassatierechter is,8 ligt hier - zeker op die gebieden waar de cassatierechter verstek moet laten gaan - mijns inziens ook een eigen verantwoordelijkheid bij de lagere rechters.
Het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel spelen in dit verband wellicht een wat minder prominente rol: betoogd zou immers kunnen worden dat een justitiabele niet gerechtvaardigd kan vertrouwen op de uitspraak van een rechter die in casu niet eens (relatief) bevoegd is. Daar staat echter tegenover dat iedere rechterlijke uitspraak uit de aard der zaak in zekere mate het vertrouwen wekt dat deze ook in latere gevallen gevolgd zal worden. Naarmate de rechtspraak meer gevestigd is, spreekt dit vertrouwen nog des te sterker.9
De algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging wijzen daarmee ook op het niveau van de lagere rechters in de richting van erkenning van een zekere onderlinge gebondenheid aan precedenten. Precedentwerking op dit niveau zou daarom onderbouwd kunnen worden via de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en in iets mindere mate het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep op deze beginselen wint aan kracht naarmate in meer (vergelijkbare) gevallen eenzelfde rechtsoordeel is gegeven. Dan is immers sprake van een toenemend aantal gelijke of althans vergelijkbare gevallen; daarnaast zal een sterker gerechtvaardigd vertrouwen bestaan dat de eerdere uitspraken ook door (andere) latere rechters gevolgd zullen worden. Aldus valt te verklaren hoe de bindende werking van gelijkluidende uitspraken gradueel in sterkte kan toenemen, zonder dat op enig moment gesproken kan worden van een 'omslagpunt' tussen wel of geen binding.10
Terzijde kan nog worden opgemerkt dat ook op dit punt een parallel met het bestuursrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur valt te trekken. Eerder werd een dergelijke parallel al getrokken tussen bestuurlijke beleidsregels en de categorie rechtersregelingen die voldoet aan de criteria om te gelden als 'recht' in de zin van art. 79 RO: in beide gevallen leidt de vaststelling van een dergelijke regeling tot een bepaalde, 'voorafgaande', zelfbinding van het bestuur, respectievelijk de rechter, dit op grond van beginselen als het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel.11
In gevallen waarin een bestuursorgaan geen beleidsregel heeft vastgesteld, maar wél een bepaald 'beleid' (in de zin van een vaste gedragslijn) volgt, kan het bestuur daaraan eveneens gebonden zijn. Ook dit wordt gebaseerd op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.12 Naar analogie hiermee kan een beroep op vaste rechtspraak in de hier beschreven vorm daarom, zo men wil, ook worden beschouwd als een beroep op 'vast beleid' van rechters.13
De hier uiteengezette redenering inzake de betekenis van (vaste) lagere rechtspraak kan worden doorgetrokken naar de situatie waarin in die rechtspraak een bepaalde rechtersregeling wordt toegepast. Een goed voorbeeld hiervan biedt de kantonrechtersformule: deze formule wordt inmiddels (vrijwel) unaniem door de kantonrechters toegepast.14 Weliswaar moet hierbij aangetekend worden dat door 'terugrekenen' via de C-factor in theorie élke ontbindingsvergoeding als toepassing van de kantonrechtersformule beschouwd zou kunnen worden, maar zelfs indien met deze omstandigheid rekening wordt gehouden kan geconstateerd worden dat inmiddels de overgrote meerderheid van de kantonrechters uitdrukkelijk de kantonrechtersformule toepast bij de berekening van ontbindingsvergoedingen. Daarmee is de in die formule neergelegde rechtsopvatting - inhoudend dat de factoren 'loon' en 'duur van de arbeidsovereenkomst' in beginsel bepalend behoren te zijn voor de toe te kennen ontbmdingsvergoeding15 - in een groot aantal uitspraken van kantonrechters als eigen rechtsopvatting overgenomen. Gegeven deze stand van zaken kan nu verdedigd worden dat, op basis van het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, kantonrechters in toekomstige gevallen in sterke mate aan deze formule gebonden zijn te achten. Gezien het grote aantal gevallen dat inmiddels onder de formule is gebracht zal zich immers niet spoedig meer een 'ongelijk' geval voordoen, terwijl voorts gezegd kan worden dat een sterke mate van gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan ten aanzien van de toepassing van deze rechtersregeling. Een rechter die de kantonrechtersformule in een volgend geval buiten toepassing zou willen laten, zal daarvoor dan ook met sterke argumenten moeten komen.16
De zaken liggen echter niet altijd zo duidelijk als in dit voorbeeld. Het kan immers ook gebeuren dat door lagere rechters juist tegenstrijdige of tegengestelde uitspraken worden gedaan. Deze situatie doet zich thans bijvoorbeeld voor bij de toepassing van de kantonrechtersformule bij kennelijk onredelijk ontslag. Door verschillende kantonrechters en rechtbanken is inmiddels geoordeeld dat de kantonrechtersformule niet alleen bij de bepaling van ontbindingsvergoedingen, maar ook bij de bepaling van vergoedingen voor kennelijk onredelijk ontslag dient te worden toegepast. De meningen over deze rechtsvraag zijn echter verdeeld; de opvattingen lijken elkaar getalsmatig ongeveer in evenwicht te houden.17 Ik meen dat een dergelijke stand van zaken eraan in de weg staat, zich met succes erop te beroepen dat op grond van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging een volgende kantonrechter eveneens de kantonrechtersformule bij kennelijk onredelijk ontslag behoort toe te passen. Het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel hebben hier ten aanzien van beide standpunten immers ongeveer hetzelfde gewicht, zodat daaruit geen keuze voor één van de twee mogelijke antwoorden is af te leiden.
Iets soortgelijks geldt voor het rapport Voor-werk II. Voorzover rechtspraak met betrekking tot deze rechtersregeling is gepubliceerd,18 lijkt daaruit te kunnen worden afgeleid dat de aanbevelingen uit dit rapport op het niveau van de rechtspraak in eerste aanleg breed ingang hebben gevonden.19 Op het niveau van de hoven zijn de opvattingen daarentegen verdeeld: Voor-werk II wordt zowel toegepast20 als (soms impliciet) verworpen.21
Een belangrijk verschil met de § 8.3 besproken precedentwerking in verticale verhoudingen is dat laatstgenoemde variant reeds kan ontstaan op grond van één enkele uitspraak, hetgeen zich met name zal voordoen bij (principiële) uitspraken van de Hoge Raad.22 De hier bedoelde precedentwerking op horizontaal niveau vormt zich daarentegen pas na verloop van djd, en neemt eerst toe in kracht naarmate meerdere uitspraken in dezelfde richting zijn gedaan. De binding aan een dergelijke reeks van uitspraken zal echter juist weer verzwakt kunnen worden indien ook tegengestelde uitspraken worden gedaan door rechters.
Deze wijze van redeneren ten aanzien van precedenten op horizontaal niveau biedt aldus het voordeel dat de (eventuele) bindende werking daarvan inderdaad niet als een kwesde van 'alles of niets' wordt gezien, maar als iets dat in sterkte kan toenemen. Deze vorm van precedentwerking - met aanvankelijk een (zeer) zwakke en eerst later een sterkere betekenis - strookt daardoor ook beter met de argumenten die met recht tegen een 'echte' precedentbinding op horizontaal niveau kunnen worden aangevoerd: het ontbreken van hiërarchische verhoudingen tussen lagere rechters onderling, alsmede het feit dat de rechtsontwikkeling soms erbij gebaat kan zijn wanneer lagere rechters (in elk geval gedurende een zekere djd) komen tot verschillende oordelen omtrent hetgeen rechtens geldt.23