Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.4.1:8.4.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.4.1
8.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS574750:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 1.2.
Vgl. § 7.5.2.3.
Zie §7.5.2.3.
Ktr. Sittard 27 maart 2000, Prg. 2000, 5467.
Zie ook hierna § 8.4.2.2.
Zo ook Snijders 2001, p. 30.
HR 17 november 2000, NJ 2001, 215 m.nt. ARB.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf is de naar Nederlands recht meest geaccepteerde vorm van precedentwerking - welke loopt via uitspraken van hogere rechters - besproken en verder uitgewerkt voor de situatie waarin in zodanige uitspraken een rechtersregeling wordt toegepast. Bij rechtersregelingen zal deze verticale precedentwerking zich echter niet zeer frequent voordoen omdat dit soort regelingen juist veelal wordt vastgesteld in die gevallen waarin rechtsmiddelen in het geheel niet openstaan of althans niet voldoende uitkomst bieden.1 Het gaat dus daarnaast - en vooral - om de vraag naar de eventuele binding op horizontaal niveau: in hoeverre zijn lagere rechters gebonden aan de precedenten van andere lagere rechters waarin een rechtersregeling wordt toegepast?
Deze vraag is minder eenvoudig te beantwoorden dan de vraag naar verticale binding. In § 7.5.3 werd reeds geconstateerd dat precedentwerking op horizontaal niveau, tussen rechters van gelijke rang onderling, nog vrij onontgonnen terrein is. Naar huidige rechtsopvatting worden lagere rechters onderling in het algemeen niet gebonden geacht (en achten zij zich, naar het zich laat aanzien, in de praktijk ook niet gebonden) aan eikaars uitspraken. Tot op zekere hoogte is dit ook terecht: aangezien op horizontaal niveau geen sprake is van een hiërarchische verhouding tussen de verschillende rechters, speelt het 'autoriteitsargument', dat een factor vormt bij het aannemen van binding aan precedenten, hier geen rol.2 Precedentbinding op horizontaal niveau in dezelfde vorm als op verticaal niveau (waarbij ook één enkele uitspraak een bindend precedent kan opleveren) zou voorts vanuit het oogpunt van rechtsontwikkeling minder gewenst zijn. Het is immers niet de bedoeling dat reeds de eerste, wellicht nog enigszins experimentele, uitspraak van een rechtbank over een bepaalde nieuwe rechtsvraag voor alle andere rechtbanken bindend zou zijn, zelfs niet als deze binding slechts 'voorwaardelijk' zou zijn.3
Anderzijds is het, in het licht van algemene rechtsbeginselen als (met name) het gelijkheidsbeginsel, alsmede uit oogpunt van rechtseenheid, niet wenselijk wanneer rechters van gelijke rang zich in het geheel niets aan eikaars uitspraken gelegen laten liggen. Deze stelling kan geïllustreerd worden aan de hand van een uitspraak van de kantonrechter te Sittard.4 In deze zaak ging het om een verzoek van werkneemster Keileners tot ontbinding van haar arbeidsovereenkomst, onder toekenning van een vergoeding conform de kantonrechtersformule. De Sittardse kantonrechter overwoog daaromtrent onder meer:
"(-) dat Kelleners zich beroept op een aanbeveling. Deze aanbeveling is echter geen recht in de zin van art. 99 RO en voorzover relevant: evenmin is gesteld of gebleken dat de kantonrechters c.q. de kantonrechter te Sittard zich aan deze richtlijn hebben gebonden."
Gegeven het feit dat de kantonrechtersformule, ook ten tijde van deze uitspraak, al geruime tijd door (vrijwel) alle kantonrechters werd gehanteerd in ontbindingszaken,5 is het niet aanvaardbaar dat de kantonrechter te Sittard deze formule zonder enige adequate motivering naast zich neer zou mogen leggen.6 Het feit dat deze kantonrechter zich wellicht niet aan deze rechtersregeling heeft 'gebonden' doet hieraan mijns inziens niet af.
Dat rechters van gelijke rang, ook al staan zij niet in een hiërarchische relatie tot elkaar, in elk geval tot op zekere hoogte betekenis dienen te hechten aan precedenten over en weer valt ook af te leiden uit het arrest Druijff/ Bouw.7 De Hoge Raad overwoog in deze uitspraak ten aanzien van de begroting van het smartengeld onder meer:
"De rechter dient bij zijn begroting tevens te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen (-)" [mijn cursivering - KT]
Deze overweging lijkt naar haar strekking niet beperkt tot de begroting van smartengeld, maar heeft in meer algemene zin betekenis voor de verhouding van lagere rechters onderling, met name in die gevallen waarin de hoogste rechter zich afzijdig houdt. Dit zijn nu juist de gevallen waarop rechtersregelingen veelal betrekking hebben.
De stand van zaken op horizontaal niveau kan hiermee als volgt worden samengevat: enerzijds is op dit gebied tot dusver geen sprake van 'echte' precedentwerking; anderzijds kan echter verdedigd worden dat de uitspraken van lagere rechters wel degelijk een bepaalde betekenis voor andere lagere rechters dienen te hebben. In het vervolg van deze paragraaf zal getracht worden deze betekenis verder te onderbouwen.