Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.6.4:6.3.6.4 Positie van de appèlrechter
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.6.4
6.3.6.4 Positie van de appèlrechter
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579482:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een tweede belangrijke begrenzing vloeit voort uit het 'relatieve' karakter dat de binding aan de hier besproken rechtersregelingen kenmerkt. De hogere rechter is, zo bleek in § 6.2.3.3, immers niet op dezelfde wijze gebonden aan een rechtersregeling als de rechters die de regeling hebben vastgesteld. Ten hoogste kan in bepaalde gevallen een 'indirecte' binding daaraan bestaan, die inhoudt dat de hogere rechter de beslissing van de lagere rechter aan diens rechtersregeling dient te toetsen. Voor de appèlrechter bestaat deze indirecte binding echter alleen wanneer het gaat om rechtersregelingen die behoren tot de categorie 'rolreglementen'. In overige gevallen brengt de devolutieve werking van het appèl met zich dat de appèlrechter de zaak volledig opnieuw moet behandelen, zonder daarbij op enigerlei wijze aan een rechtersregeling van de lagere rechter gebonden te zijn.
Het probleem dat zich nu voordoet, kan geïllustreerd worden aan de hand van het in § 6.2.3.3 gegeven (fictieve) voorbeeld waarin een rechtbank een rechtersregeling heeft vastgesteld met betrekking tot de hoogte van smartengelden. Wanneer de rechtbank bijvoorbeeld een smartengeld vaststelt dat volgens deze rechtersregeling te laag is, kan tegen deze beslissing uiteraard hoger beroep worden ingesteld. Het hof dient in dat geval echter zelfstandig te onderzoeken welk bedrag aan smartengeld in casu moet worden toegekend, zonder daarbij op enig moment gehouden te zijn de rechtersregeling van de rechtbank in zijn beoordeling te betrekken. Indien het hof (bijvoorbeeld) de beslissing van de rechtbank bekrachtigt, is het de vraag wat voor rol de desbetreffende rechtersregeling bij een eventueel cassatieberoep nog kan spelen. Een zodanig beroep wordt immers ingesteld tegen de beslissing van het hof. En aangezien het hof niet aan de rechtersregeling van de rechtbank gebonden was, zal dit betekenen dat in cassatie niet met succes ertegen opgekomen kan worden dat het hof deze regeling niet of onjuist heeft toegepast.
Het gevolg van een en ander is dat partijen er - ook wanneer wél rechtsmiddelen openstaan - uiteindelijk slechts in een klein aantal situaties met succes in cassatie over kunnen klagen dat de rechter een hem bindende rechtersregeling niet (correct) heeft toegepast. Concreet gezegd is dit slechts mogelijk in gevallen waarin (a) voor de rechter in laatste feitelijke aanleg (doorgaans zal dit een appèlrechter zijn, maar dit behoeft niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn) een eigen rechtersregeling geldt; dan wel (b) de appèlrechter indirect gebonden was aan een rechtersregeling van de rechter in eerste aanleg, zodat hij diens beslissing aan die regeling diende te toetsen.
De onder (b) genoemde situatie doet zich globaal genomen voorbij 'procedurele' beslissingen van de lagere rechter zoals die met name op grond van een rolreglement genomen plegen te worden (uiteraard slechts voor zover deze als tussenvonnis te kwalificeren zijn).1 Uit het onder (a) gestelde blijkt wederom dat een rechtersregeling die door de appèlrechter(s) wordt vastgesteld, zeker vanuit het perspectief van partijen bezien, zinvoller is dan een rechtersregeling die slechts voor de rechters in eerste aanleg geldt.2