Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht
Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.6.1:6.3.6.1 Inleiding
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/6.3.6.1
6.3.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS574751:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over een en ander Veegens/Korthals Altes & Groen 1989, nrs. 153-161 resp. nrs. 126-131.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de bespreking van de vraag op welke wijze de controle op uitleg en toepassing van rechtersregelingen in cassatie gestalte kan krijgen, is in de voorgaande paragrafen noodzakelijkerwijs uitgegaan van een enigszins gesimplificeerde voorstelling van zaken. In de praktijk ligt het meestal iets minder eenvoudig en zal de beschreven wijze van controle niet in alle gevallen mogelijk zijn. Van de mogelijke cassatietechnische beperkingen kunnen worden genoemd het feit dat (a) de Hoge Raad bij de beoordeling van de bestreden uitspraak gebonden is aan de door de cassatiemiddelen aangevoerde klachten (art. 419 lid 1 Rv); (b) de feitelijke grondslag voor de middelen slechts in de gedingstukken gevonden kan worden (art. 419 lid 2 Rv); en (c) voor nieuwe stellingen ('nova') in cassatie in beginsel geen plaats is. Gezien de opzet van dit onderzoek kunnen deze specifieke aspecten van de cassatieprocedure hier niet nader worden besproken.1
Een tweetal andere belangrijke beperkingen aan de mogelijkheid de toepassing van een 'art. 79 RO-rechtersregeling' in cassatie ter discussie te stellen, dient thans wél aan de orde te komen, aangezien het hierbij gaat om beperkingen van een meer substantiële aard. Ik doel hierbij ten eerste op het feit dat in bepaalde gevallen geen rechtsmiddelen openstaan tegen beslissingen van de lagere rechter waarbij hij een rechtersregeling toepast (§ 6.3.6.2). In dat kader rijst bovendien de vraag of de onjuiste toepassing van een rechtersregeling kan leiden tot doorbreking van een dergelijk rechtsmiddelenverbod (§ 6.3.6.3). Een tweede complicatie wordt veroorzaakt door de positie die de appèlrechter inneemt ten opzichte van rechtersregelingen die afkomstig zijn van de rechter(s) in eerste aanleg (§6.3.6.4).