Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/5.2.2
5.2.2 Verschillen tussen het deskundigenonderzoek en het enquêteonderzoek
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS457882:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Timmerman & Thierry 2004, p. 217-220; Van den Blink 2010, p. 60; Van Hassel 2010, p. 144.
HR 27 september 2000, NJ 2000/653, JOR 2000/217, m.nt. M. Brink (Gucci). Zie § 1.4.2.
Dat kan een reden zijn om geen onderzoek te bevelen. In de Gucci-beschikking overwoog de Hoge Raad in r.o. 4.2 dat “(i)ndien er geen aanleiding bestaat voor het instellen van een onderzoek als hier bedoeld en behoefte bestaat aan voorzieningen (…) de gewone procedure bij de burgerlijke rechter, met alle daaraan verbonden waarborgen, open(staat).”
Zie hierover § 2.9.5 (aanvullend onderzoek) en § 5.5.2 (verschijnen ter terechtzitting).
Er is een aantal verschillen tussen het deskundigenonderzoek en het enquêteonderzoek.1 Een van die verschillen is dat in de enquêteprocedure de onderzoekers schriftelijk moeten rapporteren, terwijl in de gewone civiele procedure de rechter de keuze heeft om de deskundigen mondeling, op een zitting, dan wel schriftelijk te laten rapporteren. Dat verschil is echter meer theoretisch dan praktisch omdat het, zoals reeds opgemerkt, in civiele handelszaken maar weinig voorkomt dat de rechter de deskundige opdraagt mondeling te rapporteren. Een veel belangrijker verschil tussen het deskundigenonderzoek in de civiele procedure en het onderzoek in de enquêteprocedure is dat de functie van het onderzoek in de procedure verschilt. De Ondernemingskamer moet een onderzoek gelasten om wanbeleid te kunnen vaststellen en voorzieningen te treffen.2 Dat is ook het geval als de feiten waarop de verzoeker zijn bezwaren tegen het door de rechtspersoon gevoerde beleid baseert, niet in geschil zijn.3 In een gewone civiele procedure zal de rechter alleen een deskundigenbericht kunnen gelasten als de feiten of rechten die de eiser aan zijn vordering of verzoek ten grondslag legt, door de wederpartij voldoende gemotiveerd worden betwist, tenzij het om rechten of feiten gaat die niet ter vrije bepaling van partijen staan (artikel 149 lid 1 Rv). De rechter zal daartoe bovendien alleen overgaan als de feitenvaststelling bijzondere of specialistische kennis vergt waarover hij niet beschikt. Een ander verschil is dat bij het deskundigenbericht in artikel 194 lid 5 Rv wettelijk is geregeld dat de rechter aan de deskundigen het geven van een nadere mondelinge of schriftelijke toelichting of aanvulling kan bevelen, terwijl dit in de enquêteprocedure niet wettelijk is geregeld, maar ten dele in de jurisprudentie is ontwikkeld.4