Einde inhoudsopgave
Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht (BPP nr. II) 2004/8.2.2
8.2.2 Relatie tot de feiten van een concreet geval noodzakelijk?
K. Teuben, datum 02-12-2004
- Datum
02-12-2004
- Auteur
K. Teuben
- JCDI
JCDI:ADS579479:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover § 7.4.5.
Zie § 7.4.5.3.
Hierbij moet echter worden aangetekend dat obiter dicta wel 'persuasive authorities', vormen, waaraan de rechter in een later geval veelal niet zonder meer voorbij zal mogen gaan. Dit wordt in Engeland niet beschouwd als 'echte' binding, maar kan hier soms wel verdacht veel op lijken (zie hierover § 7.4.6).
Zie § 7.4.5.3.
Vgl. § 4.4.4.3.
Zie §3.3.3.2.
HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566 m.nt. CJHB, waarover ook § 3.3.3.2.
Vgl. §7.5.5.
Zie § 7.5.5.
Iets soortgelijks doet zich voor bij rechtersregelingen waaraan reeds 'voorafgaand' binding toekomt: daarbij kan (en moet) de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden steeds leiden tot een afwijking van de regeling in het concrete geval (zie hierover § 6.2.2).
Hetzelfde geldt uiteraard voor de gewone regels van jurisprudentierecht (zie § 7.5.5).
Vgl. § 4.4.4.3.
In deze zin bijv. Ktr. Nijmegen 8 december 2000, N] 2001,244; Ktr. Amsterdam 8 februari 2001, Prg. 2001, 5729; Ktr. Rotterdam 31 mei 2001, JAR 2001, 165; Ktr. Hoorn 13 februari 2004, JAR 2004, 60 en Ktr. Lelystad 1 maart 2004, JAR 2004, 91.
In beschouwingen over precedenten wordt doorgaans uitgegaan van de gedachte dat de in een precedent neergelegde rechtsregel in relade staat (en ook moet staan) tot de feiten die zich in de desbetreffende zaak voordeden. Zo wordt in Engeland een scherp onderscheid gemaakt tussen 'de ratio decidendi' en 'obiter dicta' van een uitspraak.1 Aan de ratio decidendi, een min of meer op het concrete geval toegesneden rechtsnorm waarin de voor de beslissing relevant te achten feiten ('material facts') zijn geïncorporeerd, zijn rechters in latere gevallen strikt gebonden.2 Obiter dicta binden de latere rechter niet op deze wijze,3 onder meer omdat dergelijke onderdelen van de uitspraak niet noodzakelijk waren voor de uiteindelijke beslissing en dus niet per definitie zijn gebaseerd op de relevante feiten.4 Hiermee rijst de vraag of een koppeling aan (de feiten van) een concreet geval noodzakelijk is, wil sprake kunnen zijn van een rechtsregel waaraan precedentbinding kan toekomen.
In § 3.3.3.2 bleek reeds dat de rechtsopvattingen die in rechtersregelingen te vinden zijn, in het algemeen niet op concreet omschreven feitelijke situaties zien. In zekere zin ligt dit ook voor de hand: met betrekking tot zeer specifieke situaties zal niet snel een rechtersregeling worden vastgesteld, aangezien de groep gevallen waarop de regeling van toepassing is dan te klein wordt om de vaststelling van een regeling nog de moeite waard te doen zijn. Een rechtersregeling dient juist ertoe om - waar dat mogelijk is - een algemeen toepasselijke regel te geven voor een min of meer grote groep 'normale' gevallen.5
Ik meen dat dit gegeven echter geen principieel beletsel vormt om - na toepassing van de regeling in een of meer rechterlijke uitspraken - precedentbinding aan die regeling te kunnen aannemen. In de eerste plaats geldt ook voor de rechtsregels die in jurisprudentie worden gevormd dat deze in sommige gevallen zeer algemeen van aard zijn en niet met een specifieke feitenconstellatie zijn verbonden,6 zoals bijvoorbeeld de '50%-regel' die de Hoge Raad introduceerde in het arrest IZA/Vrerink.7 Niettemin kan ook een dergelijke regel als precedent gelden, waarschijnlijk zelfs als precedent met een (zeer) ruim toepassingsbereik.8 Voorts lijkt voor ons recht, anders dan in het Engelse recht het geval is, te kunnen worden aangenomen dat ook aan obiter dicta (met name indien deze van de hoogste rechter afkomsdg zijn) precedentbinding kan toekomen.9 Ook hieruit blijkt dat in precedenten rechtsregels kunnen worden gevormd die met noodzakelijkerwijze verbonden zijn met het feitencomplex dat zich in een bepaalde zaak voordeed.
Tot slot moet bedacht worden dat de hier bedoelde precedentbinding aan een rechtersregeling eerst ontstaat na toepassing daarvan in een of meer rechterlijke uitspraken. De bijzonderheden van het geval kunnen hierbij steeds aanleiding zijn, de in een rechtersregeling neergelegde regel alsnog aan te vullen of juist te verfijnen.10 Voorts kan het toepassingsbereik van een rechtersregeling op deze wijze (nader) worden gedefinieerd.11 Een rechtersregeling vooronderstelt immers een bepaalde 'standaard' casus.12 Welke feiten hiervan werkelijk onderdeel vormen, kan bij toepassing van de regeling in een rechterlijke uitspraak nader worden bepaald. Zo kan bijvoorbeeld de rechter beslissen dat de kantonrechtersformule met van toepassing is op gevallen waarin slechts een zeer kort dienstverband heeft bestaan,13 omdat dit niet situatie is waarvan bij het opstellen van de formule is uitgegaan.