In de bewijsoverwegingen spreekt het hof over “het kruispunt met de N279”, maar dat is een kennelijke verschrijving.
HR, 15-10-2024, nr. 23/00809
ECLI:NL:HR:2024:1405
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-10-2024
- Zaaknummer
23/00809
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1405, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:743
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1771
ECLI:NL:PHR:2024:743, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1405
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑12‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0242
PS-Updates.nl 2024-0493
NJB 2024/2153
NJ 2025/73 met annotatie van P.H.P.H.M.C. van Kempen
NTS 2024/52
Uitspraak 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Zwaar lichamelijk letsel door schuld (roekeloosheid) in verkeer door als bestuurder van auto met snelheid van 175 tot 184 km/u te rijden op weg waar maximumsnelheid van 80 km/u geldt en te proberen op eenbaansweg links in te halen als gevolg waarvan ernstig ongeval plaatsvindt, waarbij bestuurder van andere auto breuken aan heup, oogkas en sleutelbeen oploopt, art. 5a.1 jo. 6 en 175.2 WVW 1994. Is sprake van schuld in de zin van roekeloosheid? HR wijdt, onder verwijzing naar Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten (art. 5a WVW 1994), algemene beschouwingen aan roekeloosheid a.b.i. art. 175.2 WVW 1994. Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan buitengewoon onvoorzichtige gedraging van verdachte waardoor zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid a.b.i. art. 175.2 jo. 6 WVW 1994 is in elk geval sprake als gedrag ook als overtreding van art. 5a.1 WVW 1994 kan worden aangemerkt. Art. 5a.1 WVW 1994 beschrijft (niet uitputtend) reeks gedragingen. Als verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in verkeer gedraagt dat verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor ander te duchten is. Bij bewijs van opzettelijk in ernstige mate overtreden van verkeersregels komt het o.m. aan op f&o die zicht bieden op “algehele instelling van verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft”. Hof heeft vastgesteld dat verdachte als bestuurder van personenauto op N297 met gierende banden aantal korte cirkels (‘donuts’) draaide. Nadat 2 verbalisanten die dit zagen optische signalen van hun dienstvoertuig in werking hadden gesteld, sloeg verdachte op de vlucht en reed hij weg over N297, waar maximumsnelheid van 80 km/u geldt. Verdachte was daar “alleen maar gas aan het geven” en bereikte over afstand van 1.600 meter snelheden tussen 157 en 278 km/u. Hij nam afrit richting kruising met N276. Die afrit is eenbaansweg en bij die kruising staan verkeerslichten. Verdachte reed op die afrit met snelheid tussen 175 en 184 km/u. Vervolgens botste hij tegen linker-achterzijde van voor hem rijdende personenauto. Verdachte heeft daarover verklaard: “Ik dacht dat ik er links voorbij kon. Ik reed er tegenop.”. Verder heeft hof in aanmerking genomen dat verdachte die dag veel stress had, boos was en stoom wilde afblazen, en dat hij bij eerdere ritten op die avond (ruim half uur voor bewezenverklaard verkeersongeval) snelheden van meer dan 200 km/u bereikte. O.g.v. deze vaststellingen heeft hof (niet onbegrijpelijk) geoordeeld dat verdachte opzettelijk maximumsnelheid over grotere afstand zeer fors heeft overschreden en dat hij heeft geprobeerd op eenbaansweg links in te halen. Hierop gebaseerd oordeel van hof dat verdachte verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden en dat verdachte roekeloos heeft gereden, als voorzienbaar gevolg waarvan verdachte verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, getuigt in het licht van wat is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00809
Datum 15 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2023, nummer 20-001521-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde voor zover het hof heeft bewezenverklaard dat de gedragingen van de verdachte roekeloos waren.
De uitspraak van het hof
2.2.1
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 14 september 2021 te Born, in de gemeente Sittard-Geleen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, het Gelders Eind (N297) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, welke gedragingen roekeloos waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, heeft gereden met een snelheid tussen ongeveer 175 en 184 kilometer per uur, en (daarbij) een in dezelfde richting als hem, verdachte, rijdend motorrijtuig van achter is genaderd en daarbij niet heeft gelet op de weg voor hem en (vervolgens) de snelheid van het door hem bestuurde motorrijtuig niet tijdig heeft verminderd en niet behoorlijk is uitgeweken om een aanrijding met eerder genoemd motorrijtuig, met als bestuurder voornoemde [slachtoffer], te voorkomen, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen verdachtes motorrijtuig en dat andere motorrijtuig.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 14 februari 2023, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 14 september 2021 te Born op de N297 veel te hard heb gereden, terwijl je daar maximaal 80 kilometer per uur mag rijden. Ik weet dat ik te hard reed. Ik dacht dat ik ongeveer 150 tot 160 kilometer per uur reed. Het klopt ook dat ik daar in botsing ben gekomen met een ander motorrijtuig waarvan [slachtoffer] de bestuurder was. Ik had op die dag veel stress en ik was boos. Ik wilde stoom afblazen. Ik dacht niet na en ik heb toen op de weg vóór de N297 meerdere donuts gedraaid. Daarna ben ik de N297 op gereden. De weg ging over naar een eenbaansweg. Toen zag ik ineens de achterlichten van de Daihatsu. Ik dacht dat ik er links voorbij kon. Ik reed er tegenop. De 1600 meter tussen de plaats waar ik de donuts heb gedraaid tot de plaats van het ongeval heb ik opgetrokken. Het klopt dat ik bij mijn verhoor bij de politie heb verklaard dat ik alleen maar gas aan het geven was.
2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2021 (...), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1]:
(...)
Op 14 september 2021 omstreeks 23:15 uur was ik, [verbalisant 1], samen met mijn Duitse collega [verbalisant 2] gezamenlijk op patrouille, op de N297 (Gelders Eind) te Born. Wij, verbalisanten, stonden op het fietspad gelegen aan de kruising van de N297 (Gelders Eind) en de Doctor Hub van Doorneweg ter hoogte van hectometerpaal 11.0R. Ter plaatse geldt een maximale snelheid van 80 kilometer per uur.
Op 15 september 2021 [het hof begrijpt: 14 september 2021] omstreeks 23:45 uur zien wij, verbalisanten, een personenauto, type Mercedes-Benz AMG C 63, zwart van kleur en voorzien van Nederlands [kenteken 1] rijden op de Doctor Hub van Doorneweg en rijden in de richting van de kruising aan de N297 (Gelders Eind). Ongeveer 30 meter voordat voornoemd voertuig bij de kruising arriveert zien wij dat deze personenauto op de plek om zijn as begint te draaien, zijnde zogenaamde “donuts”. Ik bedoel hiermee dat de bestuurder de motor hoog in de toeren jaagt en met volle kracht de frictie van de achterwielen met het asfalt verbreekt waardoor de wielen doordraaien en spinnen. Door het frictieverlies en de wrijving van de banden op het asfalt rookten de achterbanden heftig. Doordat de bestuurder zijn stuur instuurde en de achterwielen naar grip zochten en rookten, draaide deze rondjes op het asfalt wat ook wel “donuts” genoemd wordt. Na een aantal “donuts” zien wij dat voornoemde bestuurder met zijn voertuig richting het midden van de kruising gelegen aan de N297 (Gelders Eind) en de Doctor Hub van Doorneweg rijden. Hier zien wij, verbalisanten, dat voornoemd voertuig wederom “donuts” begint te draaien midden op de kruising gelegen op de N297 (Gelders Eind) ter hoogte (...) van het Esso tankstation. Op 14 september 2021 te 23:46 heb ik, [verbalisant 1], in verband met voornoemde waarnemingen en de daarbij behorende gevaarszettingen (“donuts”) mijn optische signalen inwerking gesteld van mijn onopvallend dienstvoertuig. Op het moment zien wij dat de bestuurder van de voornoemde Mercedes-Benz AMG het vermogen van zijn motorvoertuig begint te verhogen. Doordat de bestuurder vol gas geeft verliezen de achterbanden wederom frictie en beginnen te roken. Hierbij hoorden wij de banden piepen. Tevens zagen wij dat de achterzijde van het voertuig uitbrak van links naar rechts. Hierbij maakte de Mercedes zijdelingse bewegingen met de achterzijde van 1 meter naar (de Hoge Raad begrijpt: rechts en) 1 meter naar links en krachtig accelereerde.
(...)
Vanwege het direct wegrijden was het voor ons, verbalisanten, niet mogelijk om een stopteken te geven aan voornoemd bestuurder van het voertuig. Daar het voertuig ongeveer 200 meter voor ons reed hebben wij onze snelheid verhoogd om dichter bij het voertuig te komen. Hierbij zagen wij dat het voertuig zeer snel bij ons weg reed en de afstand vergrootte tot ongeveer 500 meter. Gezien de snelheid van de voornoemde Mercedes was het voor ons niet mogelijk om dichterbij te komen daar de Mercedes dusdanig krachtig accelereerde. Gedurende de rit heb ik alleen maar krachtig geaccelereerd. Ik bedoel hiermee dat ik maximaal snelheid heb opgebouwd over een afstand van 1,5 kilometer over de N297. Hierdoor schat ik dat mijn gereden snelheid op het piekmoment ongeveer 150 à 160 km/h was waar 80 km/h is toegestaan. Gezien het feit hoe snel de voornoemde Mercedes bij ons weg reed schat ik de door de bestuurder gereden snelheid op 200 km/h. Toen wij ongeveer ter hoogte van hectometerpaal 12.1R reden zagen wij ter hoogte van hectometerpaal 12.5A, zijnde de afrit Sittard, de remlichten helder rood oplichten. Direct hierna zagen wij stofwolken en brokstukken rond vliegen.
(...)
Eenmaal aangekomen ter hoogte van hectometerpaal 12.5A zien wij verscheidene brokstukken op de weg liggen. Boven aan de afrit Sittard, gelegen aan de N297, rijden wij naar rechts de N276 op. Hier zien wij direct aan onze rechterzijde dat voornoemde Mercedes-Benz AMG van de weg is geraakt en in een weiland terecht is gekomen. Hierbij is de bestuurder door een afrastering gereden. Aangekomen bij de personenauto zien wij dat de bestuurdersstoel leeg is. Op de bijrijdersstoel zit een voor ons onbekende manspersoon en links achterin zit een voor ons onbekende vrouw.
(...)
Ik, [verbalisant 1], zag verlichting schijnen vanaf de afrit Sittard gelegen aan de N297. Deze verlichting was waarschijnlijk afkomstig van een personenauto. Aangekomen zag ik een voor mij onbekende personenauto liggen op het fietspad, gelegen aan de afrit Sittard, gelegen aan de N297. Ik zag 3 manspersonen staan om het zwaar beschadigde voertuig. In dit zwaar beschadigde voertuig, type Daihatsu Cuore, rood van kleur en voorzien van Nederlands [kenteken 2] zit een voor mij onbekende manspersoon. Ik hoor de onbekende manspersoon op de bestuurdersstoel hard schreeuwen van pijn. Ik zie dat de onbekende manspersoon onder het bloed zit. Later blijkt in het voertuig een manspersoon te zitten die bekend is onder de personalia:
Naam: [slachtoffer]Voornaam: [slachtoffer]Geboortedatum: [geboortedatum] 2001
(...)
Tijdens het onderzoek naar de bestuurder van voornoemde Mercedes-Benz AMG is er een verdachte in beeld gekomen die mogelijk het voornoemde voertuig bestuurde tijdens de achtervolging.
Het zou hierbij gaan om:Naam: [verdachte]Voornaam: [verdachte]Geboortedatum: [geboortedatum] 1988Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Op de Grote Dries […] te Holtum is de verdachte [verdachte] op 15 september 2021 te 01:05 uur aangehouden. (...) Deze persoon [het hof begrijpt: de verdachte] probeerde zich bij het zien van de politie te verstoppen onder het voertuig. Tevens blijkt dat de verdachte:- een ontbloot bovenlijf had
(...)
- bezweet was- linker hand bebloed- broek en schoenen onder de modder
3. Een ander geschrift, inhoudende een vertaling proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2022 (...), voor zover inhoudende een vertaling van een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 september 2021 (...), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2]:
Op 14-09-2021 omstreeks 23:50 uur was de gezamenlijke civiele patrouille KMAR/Bundespolizei aanwezig bij tankstation Langerseg bij Born (Nederland). Daar zagen de betreffende ambtenaren op de tegenover gelegen parkeerplaats een DB Mercedes AMG C83, die daar “donuts” draaide. De patrouilledienst nam het besluit om het voertuig te controleren, maar op dat moment reed de DB [het hof begrijpt: Mercedes AMG C83] de N297 op (autoweg) en maakte “donuts” direct vóór het dienstvoertuig van de marechaussee. Ondergetekende heeft toen het zwaailicht op het dak van het civiele voertuig geplaatst. Meteen sloeg de Mercedes op de vlucht richting Sittard. Hierbij versnelde de chauffeur van de DB zo heftig, dat de achterklep voortdurend losraakte. De patrouilleauto zette de vervolging in. Op dat moment was de DB Mercedes al ca. 200 meter van de patrouilleauto verwijderd. Er waren alleen nog enigszins de achterlichten te zien van de personenauto. De patrouilledienst zag plotseling dat de remlichten van de DB gingen oplichten en van rechts naar links over de rijbaan switchten. Op dat moment was de Mercedes alweer veel verder weggereden en reed nu ca. 500 tot 600 meter vóór de patrouilleauto van de marechaussee. In het licht van het tegemoetkomende verkeer zag men plotseling dat vermoedelijk voertuigonderdelen door de lucht vlogen. Toen de betreffende patrouille de plaats bereikte, werden plastic onderdelen op de rijbaan gevonden. Pas nadat de afslag was genomen, zag ondergetekende de Mercedes AMG recht in het weiland. De patrouilleauto stopte en liep naar de personenauto. Het portier aan de chauffeurskant van de personenauto was open. In het voertuig zat een man op de bijrijdersstoel en achter links een vrouw. Ondergetekende bleef bij de beide personen en de Nederlandse collega zocht in het nabijgelegen terrein naar de chauffeur van de personenauto. Hierbij werd ca. 150 meter vóór de plaats van het ongeval een rode auto op het fietspad gezien. Blijkbaar was dit voertuig door de DB AMG aangereden en vervolgens over de rijbaan op het fietspad geslingerd.
4. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 20 november 2021 (...), voor zover inhoudende als verklaring van slachtoffer [slachtoffer]:
(...)
Ik kan u vertellen dat ik niks meer weet van de aanrijding. Ik weet dat ik weg gereden ben bij mijn vriend. Van de dag van de aanrijding 14 september 2021 tot 21 september 2021 ben ik in het ziekenhuis opgenomen geweest. Mijn letstel [het hof begrijpt: letsel] is: gebroken linker heup, gebroken linker oogkas, gebroken linker sleutelbeen en hersenschudding.Op 29 september ben ik nog eens geopereerd aan mijn oogkast [het hof begrijpt: oogkas]. Vanaf 30 september 2021 heb ik gekluisterd aan een rolstoel tot 15 oktober 2021. Ik heb 2x per week fysiotherapie. Ik ben fysiek beperkt. Volledig herstel is volgens de fysiotherapeut mogelijk, maar duurt minimaal een jaar.
5. Een aanvraagformulier medische informatie d.d. 9 november 2021 (...), voor zover inhoudende als verklaring van arts dr. J. Verbruggen:
Medische informatie betreffende:Achternaam: [slachtoffer]Voornamen: [slachtoffer]Geboortedatum: [geboortedatum] 2001Geslacht: man
(...)
I. Omschrijving van het letsel
B. Is er vermoeden van een niet uitwendig waarneembaar letsel?Bekkenbreuk, sleutelbeenbreuk, breuk van de oogkas.
6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse (VOA) met bijlagen, (...), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], afgesloten d.d. 25 oktober 2021 (...), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten:
(...)
2.2
WegsituatieHet verkeersincident heeft plaatsgevonden op de afrit van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Gelders Eind (N297) ter hoogte van hectometerpalen 12,5a en 12,6a, gelegen buiten de bebouwde kom van Born. De wettelijke toegestane maximumsnelheid betrof ter plaatse 80 km/h.
2.2.1
Afwijkende verkeersmaatregelenWij zagen geen afwijkende maatregelen die mogelijk een rol kunnen hebben gespeeld bij het ontstaan en de toedracht van het verkeersincident.
2.2.2
Onderhoud weg
Wij zagen geen bijzonderheden met betrekking tot het onderhoud van de weg die mogelijk een rol kunnen hebben gespeeld bij het ontstaan en de toedracht van het verkeersincident.
(...)
2.2.3
Tijdelijke omstandighedenWij zagen geen tijdelijke omstandigheden, die mogelijk een rol kunnen hebben gespeeld bij het ontstaan en de toedracht van het verkeersincident.
2.3
Aangetroffen situatie2.3.1 Situatie bij aankomstWij waren omstreeks 02:30 uur ter plaatse en constateerden het volgende:• wij zagen een roodkleurige personenauto van het merk Daihatsu type Cuore voorzien van het [kenteken 2] gezien vanuit de rijrichting Born richting de landsgrens met Duitsland, aan de rechterzijde van de weg op de ventweg staan;• wij zagen dat de linker achterzijde van de Daihatsu ernstig was gedeformeerd;• wij zagen over het gehele wegvlak een beeld van sporen en puin uitlopend over de weg, grasberm en ventweg, in de richting van een weiland nabij de kruising met de Provincialeweg N276;• wij zagen ter hoogte van de kruising met de Provincialeweg N276, aan de rechterzijde van de weg in een weiland, een zwartkleurige personenauto van het merk Mercedes Benz type AMG C63 voorzien van het [kenteken 1] staan;• wij zagen dat de Mercedes aan de rechtervoorzijde was beschadigd;• wij zagen op de rechtervoorzijde van de Mercedes roodkleurige lakresten;• wij zagen op het wegdek sporen die passen bij het eerste contact tussen beide voertuigen en hebben dit gebied aangemerkt als conflictzone;
(...)
4 Snelheidsbepaling4.1 Snelheid MercedesOm tot een vaststelling van de gereden snelheid van de Mercedes te komen, vóór en tijdens het verkeersincident, is door ons onderzoek gedaan naar eventueel opgeslagen GPS posities en gereden snelheden in het multimediasysteem.
4.1.1
Veiligstellen multimediasysteemOp 5 oktober 2021 werd het multimediasysteem uit de Mercedes gedemonteerd.
4.1.3
Snelheidsbepalingen verkeersincidentNadat de digitale gegevens uit het multimediasysteem waren veiliggesteld zijn deze door ons onderzocht. Wij zagen dat er meerdere GPSlogs met gereden snelheden aanwezig waren rond het tijdstip van het verkeersincident. De weergegeven gemiddeld gereden snelheden zijn bepaald op basis van de afstand tussen de GPS posities en de tijd waarin deze afstand is afgelegd. In de bijlage III is een overzicht te zien van de afgelegde route mét gereden snelheden kort vóór en tijdens de aanrijding met de Daihatsu.
(...)
4.1.4
Snelheidsbepaling avond van verkeersincidentOp verzoek van de verzoeker en in overleg met Officier van Justitie Rob VAN DARTEL hebben wij eveneens de gereden snelheden onderzocht van de laatste twee ritten vóór het verkeersincident. Dit betreft de rit tussen 21:20:37 uur en 21:35:30 uur, en de rit tussen 23:12:27 uur en 23:16:47 uur. Wij zagen hierbij dat de Mercedes tijdens deze ritten meermaals én langdurig snelheden heeft gereden van tussen de 150 en 270 km/h.
(...)
5.3
CamerabeeldenOp 20 september 2021 ontving ik, [verbalisant 3], de camerabeelden welke waren veilig gesteld bij het bedrijf VDL Nedcar. De beelden tonen een kruising gelegen op een afstand van ongeveer 1600 meter vóór de conflictzone. De beelden zijn, op basis van de systeemtijd van de camera, opgenomen op 14 september 2021 tussen 23:45:27 uur en 23:47:10 uur. De voor ons onderzoek relevante gegevens op de beelden zullen hieronder worden beschreven.
5.3.1.1 MercedesWij zien dat de Mercedes om 23:45:47 uur het beeld in komt rijden, remt en een drietal ‘donuts’ maakt. De bedoeling bij het maken van een donut is het laten uitbreken van een voertuig en daarbij in een zo kort mogelijke draaicirkel een ronde te draaien wat resulteert in een tekening op de weg gelijkend op een donut. Wij zien tijdens het maken van deze ‘donuts’ enkele vuurvonken ter hoogte van de achterbanden. Wij zien dat de dimverlichting brandt en dat de remverlichting bij het remmen wordt ingeschakeld.
5.3.1.2 DaihatsuWij zien dat de Daihatsu om 23:45:44 uur het beeld komt in rijden over de hoofdrijbaan en rijdt in de richting van de plaats delict. Wij herkennen de contouren en verlichting van de Daihatsu ambtshalve en zien dat de dimverlichting werkt en is ingeschakeld.
(...)
6.1
Toedracht verkeersincidentDe bestuurders van de Daihatsu en Mercedes naderde de plaats van het verkeersincident via de afrit van het Gelders Eind (N297), komende uit de richting Born en rijdende in de richting van de kruising met de Op De Baan (N276). De bestuurder van de Daihatsu rijdt met ingeschakelde dimverlichting en met een niet vast te stellen snelheid, in de richting van de verkeerslichten. De bestuurder van de Mercedes naderde de Daihatsu met snelheden tussen de 157 en 278 km/h. De Mercedes rijdt op het midden van de rijstrook, met een snelheid tussen de 175 en 184 km/h, in de linker achterzijde van de Daihatsu. Hierbij beschadigt de rechter voorband van de Mercedes en komt deze in een slip. De Mercedes gaat van links naar rechts over de voorsorteerstroken, gaat door een grasberm, komt in botsing met een lantaarnpaal, slipt over een ventweg en komt na circa 152 meter tot stilstand in een weiland met vee. De Daihatsu raakt tijdens de botsing zwaar beschadigd en wordt door de klap naar rechts gedrukt. Daarbij komt de Daihatsu in de grasberm ter hoogte van de bestuurderszijde in botsing met een lantaarnpaal. De Daihatsu gaat hierna over de kop en komt op de rechts gelegen ventweg tot stilstand. De bestuurder van Daihatsu raakt hierbij zwaar gewond.
Bijlage IV - Datagegevens multimediasysteem ongeval
A B
40 14-9-2021 23:46:51.017 97.3 mph (156.6 kph)
41 14-9-2021 23:46:54.217 288.5 mph (464.3 kph)
42 14-9-2021 23:46:56.117 110.7 mph (178.1 kph)
43 14-9-2021 23:47:01.116 116.4 mph (187.3 kph)
44 14-9-2021 23:47:04.017 98 mph (157.7 kph)
45 14-9-2021 23:47:06.017 148.8 mph (239.5 kph)
46 14-9-2021 23:47:08.517 172.8 mph (278.1 kph)
47 14-9-2021 23:47:09.817 151.5 mph (243.7 kph)
48 14-9-2021 23:47:15.017 114.1 mph (183.6 kph)
49 14-9-2021 23:47:16.717 109 mph (175.5 kph)
Bijlage V - Datagegevens multimediasysteem ritten vóór ongeval
A B
Rit twee
139 14-9-2021 23:13:26.203 89,4 mph (143,8 kph)
140 14-9-2021 23:13:27.203 41.9 mph (228.4 kph)
141 14-9-202123:13:28.603 5.6 mph (121.7 kph)
A B
Rit twee
151 14-9-2021 23:14:12.603 79.8 mph (128.4 kph)
152 14-9-2021 23:14:14.604 92.2 mph (148.4 kph)
153 14-9-2021 23:14:17.104 107.2 mph (172.5 kph)
154 14-9-2021 23:14:21.804 119.5 mph (192.3 kph)
155 14-9-2021 23:14:25.504 105.6 mph (170 kph)
156 14-9-2021 23:14:27.804 110.7 mph (178.1 kph)
157 14-9-2021 23:14:35.404 125.4 mph (201.8 kph)
158 14-9-2021 23:14:36.804 126.5 mph (203.6 kph)
159 14-9-2021 23:14:40.405 1193 mph (192 kph)
160 14-9-2021 23:14:42.105 117.3 mph (188.7 kph)
161 14-9-2021 23:14:47.105 1129.6 mph (208.5 kph)
162 14-9-2021 23:14:50.505 128.9 mph (207.4 kph)
163 14-9-2021 23:15:00.105 127.5 mph (205.2 kph)
164 14-9-2021 23:15:06.205 126 mph (202.8 kph)
165 14-9-2021 23:15:09.005 118.2 mph (190.2 kph)
166 14-9-2021 23:15:11.905 100.8 mph (162.3 kph)
167 14-9-2021 23:15:15.805 69.3 mph (111.6 kph)”
2.2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde verder overwogen:
“De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe heeft zij, op gronden zoals nader verwoord in de pleitnota, in de kern aangevoerd dat geen sprake is van roekeloosheid zijnde de hoogste graad van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Er kan namelijk alleen worden vastgesteld dat de verdachte te hard heeft gereden. Van andere feiten en omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat sprake is van roekeloosheid, zoals de Hoge Raad dat in de jurisprudentie heeft omschreven, is geen sprake. Ook is het onvoldoende om aan te merken als een zeer onvoorzichtige en/of oplettende gedraging, zodat de verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs daarvan dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 14 september 2021 om 23:45 uur als bestuurder van een personenauto, type Mercedes Benz AMG C 63, voorzien van [kenteken 1], reed op de Doctor Hub van Doorneweg te Born, gemeente Sittard-Geleen. Ter plaatse gold een snelheid van 80 kilometer per uur. Voordat de verdachte het kruispunt met de N297 naderde, heeft hij meerdere zogenoemde ‘donuts’ gedraaid. Na een aantal ‘donuts’ te hebben gedraaid, reed de verdachte verder en draaide hij ter hoogte van het Esso tankstation, gelegen aan de N297, opnieuw ‘donuts’. Naar aanleiding van deze waarnemingen en de daarbij behorende gevaarzetting stelden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de optische signalen van hun voertuig in werking. Op dat moment begon de verdachte het vermogen van zijn motorvoertuig te verhogen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reden achter de Mercedes aan, maar de snelheid van de Mercedes was zo hoog dat de afstand tussen de Mercedes en de verbalisanten opliep tot ongeveer 500 meter. [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat ter hoogte van hectometerpaal 12.5A, zijnde de afrit Sittard, de remlichten van de Mercedes helder rood oplichtten. Direct hierna zagen zij stofwolken en brokstukken rondvliegen. Aangekomen bij hectometerpaal 12.5A zagen de verbalisanten verscheidene brokstukken op de weg liggen. Boven aan de afrit Sittard, gelegen aan de N297, bleek de Mercedes van de weg te zijn geraakt en in een weiland terecht te zijn gekomen. Hierbij was de verdachte door een afrastering gereden. Aangekomen bij de Mercedes zagen de verbalisanten dat de bestuurdersstoel leeg was. De auto van het slachtoffer, [slachtoffer], werd in de buurt van de plek van het ongeval aangetroffen. Het slachtoffer werd door de hulpdiensten uit zijn auto gehaald.
Uit de camerabeelden van de kruising van de Doctor Hub van Doorneweg en de N297 volgt dat de verdachte om 23:45:37 uur in beeld komt rijden van de kruising. De verdachte remt en maakt een drietal ‘donuts’. De auto van het slachtoffer [slachtoffer], een Daihatsu, komt om 23:45:44 uur het beeld in rijden over de hoofdrijbaan van de N297 en rijdt in de richting van de plaats waar later het ongeval plaatsvindt.
Uit het proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse volgt dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de afrit van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Gelders Eind (N297), gelegen buiten de bebouwde kom van Born. De bestuurder van de Mercedes naderde de Daihatsu met snelheden tussen de 157 en 278 kilometer per uur. De Mercedes reed op het midden van de rijstrook, met een snelheid tussen de 175 en 184 kilometer per uur in de linker achterzijde van de Daihatsu. Bij nader onderzoek aan het multimediasysteem van de Mercedes is vastgesteld dat met de Mercedes in de twee ritten voorafgaand aan het verkeersincident op dezelfde avond tussen 21:20 uur en 21:35 uur en tussen 23:12 uur en 23:16 uur meerdere keren met snelheden is gereden van tussen de 150 en 270 kilometer per uur.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep telkens verklaard dat hij in de avond van 14 september 2021 erg boos was en veel stress had. Hij heeft verklaard dat hij stoom wilde afblazen en daarom zogenoemde ‘donuts’ draaide op de kruising. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij bekend is met de verkeerssituatie ter plaatse en veel harder heeft gereden dan de maximale toegestane snelheid van 80 kilometer per uur. Toen de Daihatsu voor hem opdoemde, heeft hij geprobeerd de auto te ontwijken door hem links in te halen, terwijl de weg al was overgegaan in een eenbaansweg. De verdachte meende dat hij links kon inhalen. Hij raakte hierbij de Daihatsu, waardoor het ongeluk plaatsvond.
Het hof dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval met letsel tot gevolg, zoals omschreven in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).
Schuld in de zin van dit wetsartikel houdt in dat er sprake is van aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of er sprake is van dergelijke schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer er sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.
Per 1 januari 2020 is de “Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten” in werking getreden (Stb. 2019, 413). Daarbij heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen uitbreiden. Daartoe is thans in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
Voor een bewezenverklaring van artikel 5a, eerste lid, WVW, moet het hof beoordelen of de verdachte met het uit de bewijsmiddelen blijkende rijgedrag (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. de verkeersregelsIn artikel 5a WVW zijn gedragingen benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Het betreft geen limitatieve opsomming. Het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid wordt uitdrukkelijk in het eerste lid van het artikel onder g genoemd. Uit de verklaring van de verdachte en de meetresultaten van de politie blijkt dat verdachte de maximumsnelheid van 80 km/u fors heeft overschreden. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte de verkeersregel met betrekking tot de maximumsnelheid heeft overtreden. Ook heeft hij geprobeerd op een eenbaansweg links in te halen, wat als gevaarlijk inhalen kan worden aangemerkt.
b. in ernstige mateHet in artikel 5a WVW vervatte verbod is beperkt tot gedragingen in het verkeer die bestaan in het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Uit de Memorie van Toelichting op dit wetsvoorstel leidt het hof af dat het gaat om een samenstel van gedragingen. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels. Dat het daarbij om één (type) gedraging zou kunnen gaan is dus niet uit te sluiten, maar ook dan zullen de aard en ernst van de overtreding (bij de vaststelling waarvan de herhaling of het voortduren ervan kunnen worden betrokken) in het licht van de overige feiten en omstandigheden in het concrete geval de conclusie moeten rechtvaardigen dat sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. In de memorie van toelichting bij artikel 5a WVW is opgenomen dat het voor een langere periode met een hoge snelheid rijden het schenden van een verkeersregel in ernstige mate kan opleveren.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de maximumsnelheid zeer fors heeft overschreden. De verdachte heeft verklaard dat hij boos en gestrest was en daarom stoom moest afblazen. Hij is de auto ingestapt en heeft eerst een aantal donuts gedraaid en daarna “alleen maar gas gegeven”. De verdachte heeft vervolgens over een afstand van 1600 meter telkens snelheden tussen de 157 en 278 kilometer per uur gereden. Dit betreft een dusdanig grove snelheidsoverschrijding over een langere afstand dat, mede in aanmerking genomen dat de verdachte ook daaraan voorafgaand meerdere malen telkens de toegestane maximumsnelheid aanzienlijk heeft overschreden zoals volgt uit de datagegevens van het multimediasysteem van de Mercedes. Ook heeft hij op een eenbaansweg getracht links in te halen. Het hof is van oordeel dat verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden.
c. opzetUit de Nota naar aanleiding van het verslag volgt met betrekking tot het opzet onder meer het volgende. Het opzet van de verdachte moet zowel zijn gericht op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn.
Het hof is van oordeel dat het in zeer ernstige mate overschrijden van de snelheid gedurende de afstand van 1600 meter (vanaf de kruising van de N297 tot aan het moment waarop het ongeluk plaatsvond) niet anders dan opzettelijk kan zijn gedaan. Immers, het is de verdachte geweest die voortdurend de forse overschrijding van de maximumsnelheid heeft gereden en de gehele rit heeft aangehouden. De verdachte heeft verklaard dat hij alleen maar gas aan het geven was. Verdachte heeft aldus willens en wetens het snelheidsvermogen van de auto opgevoerd door het gaspedaal in te drukken en daarmee opzet gehad op het schenden van de verkeersregels.
d. gevaar te duchtenOm vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
Het hof is van oordeel dat in dit geval het voorzienbaar was dat vanwege dit ernstig verkeersgevaarlijk gedrag zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar was te duchten.In zijn algemeenheid acht het hof het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan door het hiervoor beschreven rijgedrag op een autoweg met een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Het hof weegt hierin ook mee dat het ’s avonds laat was, het donker was, waardoor sprake was van verminderd zicht en extra oplettendheid was vereist ondanks de aanwezige straatverlichting. Dat maakt dat er extra risico ontstond voor de andere verkeersdeelnemers, die door slechter zicht mogelijk minder snel konden zien hoe hard de verdachte reed, waardoor ongelukken konden ontstaan. Er was naar het oordeel van het hof daardoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij de andere weggebruikers, maar ook bij de inzittenden van de auto van verdachte. Het [slachtoffer] heeft ook daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het door de verdachte gecreëerde gevaar is daarmee verwezenlijkt. Het hof acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere weggebruikers te duchten was.
ConclusieHet hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 5a WVW genoemde gedraging, namelijk het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid. Voorts heeft hij door links te willen inhalen op een eenbaansweg gevaarlijk ingehaald. Nu ook aan de overige bestanddelen van artikel 5a WVW is voldaan, is het verkeersgedrag van verdachte naar het oordeel van het hof aan te merken als roekeloos rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW.
Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde en het daarin opgenomen roekeloos rijgedrag bewezen en verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.”
Juridisch kader
2.3
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 6 in samenhang met artikel 175 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrip ‘roekeloos’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in artikel 175 lid 2 WVW 1994.
2.4
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 5a lid 1 WVW 1994:
“Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt:
a. onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen;
b. gevaarlijk inhalen;
c. negeren van een rood kruis;
d. over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan;
e. inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats;
f. niet verlenen van voorrang;
g. overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid;
h. zeer dicht achter een ander voertuig rijden;
i. door rood licht rijden;
j. tegen de verkeersrichting inrijden;
k. tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden;
l. niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen;
m. overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd.”
- Artikel 6 WVW 1994:
“Het is een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.”
- Artikel 175 lid 2 WVW 1994:
“Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt overtreding van artikel 6 gestraft met:
a. gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;
b. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Van roekeloosheid is in elk geval sprake als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, kan worden aangemerkt.”
- Artikel 176 lid 1 WVW 1994:
“Overtreding van artikel 5a wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
2.5
De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 6 november 2019 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en het Wetboek van Strafrecht in verband met strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag en verhoging van de strafmaxima van enkele ernstige verkeersdelicten met het oog op versterking van de verkeershandhaving (aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten), Stb. 2019, 413, houdt onder meer in:
- de memorie van toelichting:
“I. ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld:
(...)
• een strafbaarstelling te introduceren voor zeer gevaarlijk rijgedrag dat zonder gevolgen is gebleven met een nieuw artikel 5a WVW 1994;
• in de wet te expliciteren waar roekeloosheid bij zeer gevaarlijk rijgedrag met gevolgen (artikel 175 WVW 1994) in kan bestaan door een koppeling te maken met de voorgestelde strafbaarstelling van artikel 5a WVW 1994.
(...)
Daarnaast heeft het voorgestelde artikel 5a WVW 1994 een aanvullende functie doordat dit voorschrift op het niveau van de wet expliciteert welk gedrag in elk geval onder roekeloosheid wordt verstaan. Het voorschrift krijgt daarmee ook belangrijke betekenis voor de toepassing van artikel 6 WVW 1994 (zeer gevaarlijk rijgedrag met ernstige gevolgen). Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de breed gedragen wens om het begrip «roekeloosheid» in het verkeer nader in te vullen. Bij de introductie van het begrip roekeloosheid in het verkeersstrafrecht is toegelicht dat het doel van deze «meest ernstige vorm van schuld» is om een adequate bestraffing mogelijk te maken van alle gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Uit de eerdergenoemde wetenschappelijke onderzoeken blijkt evenwel dat de rechter eigenlijk maar in heel specifieke gevallen – bij enkele soorten gedragingen – bewezen verklaart dat van roekeloosheid sprake is. Hierdoor is het toepassingsbereik van roekeloosheid te beperkt en daarom beoogt dit wetsvoorstel dat bereik weer te verbreden in lijn met de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever. (...)
Voorts heb ik ervoor gekozen (...) de opsomming van de gedragingen in het voorgestelde artikel 5a WVW 1994 niet-limitatief te laten zijn. Ook andere, soortgelijke verkeersgedragingen dan de al opgesomde gedragingen kunnen immers leiden tot zeer gevaarlijk en strafwaardig rijgedrag.
(...)
2. Gevaarlijk en zeer gevaarlijk rijgedrag zonder en met gevolgen
(...)
2.3
Roekeloosheid bij zeer gevaarlijk rijgedrag met gevolgen (artikelen 5a, 6 en 175 WVW 1994)
Op grond van artikel 6 WVW 1994 is het een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Uit artikel 175 WVW 1994 kan worden afgeleid dat het wettelijk strafmaximum dat bij overtreding van artikel 6 WVW 1994 van toepassing is, sterk kan verschillen. Artikel 6 WVW 1994 komt alleen in beeld bij een ongeval met ernstige gevolgen en indien dit ongeval aan de schuld van de dader is te wijten. Het betreft een zogenoemd culpoos gevolgsdelict: de schuld (culpa) is betrokken op een gevolg.
Met de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima (Stb. 2006, 23) werden de wettelijke strafmaxima van een aantal culpoze delicten gewijzigd. Bij die gelegenheid is tevens het begrip «roekeloosheid» als wettelijke term geïntroduceerd. Binnen het bestaande bereik van schuld werd de zwaarste vorm van het culpoze delict – dat is die waarbij de schuld bestaat in roekeloosheid – zowel in het verkeersstrafrecht als in het commune strafrecht van een eigen strafmaximum voorzien met als gevolg een verdubbeling van de strafmaxima indien de schuld bestaat uit roekeloosheid. Bij dood door schuld (artikel 307, tweede lid, Sr) leidt dit tot een strafmaximum van vier jaren, terwijl roekeloosheid in de zin van de artikelen 6 en 175, tweede lid, WVW 1994, bij een dodelijk ongeval een strafmaximum van zes jaren kan opleveren. Dit past in de mate waarin de specifieke verkeerscontext hogere strafmaxima kan rechtvaardigen (Kamerstukken II, 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 12). Met de introductie van het begrip roekeloosheid in de Wegenverkeerswet 1994 is beoogd een adequate bestraffing mogelijk te maken in alle gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen (Kamerstukken II, 2001/02, 28 484, nr. 3).
De Hoge Raad heeft de eisen waaraan het bewijs van roekeloosheid moet voldoen in een aantal overwegingen uiteengezet (ECLI:NL:HR:2013:960). De overwegingen maken duidelijk dat de Hoge Raad strikte eisen stelt aan het bewijs van roekeloosheid. De rechter moet zich bij zijn oordeel dat van roekeloosheid sprake is volgens de Hoge Raad materieelrechtelijk op een tweetal punten baseren. Ten eerste de omschrijving van het begrip roekeloosheid. Voor de bewezenverklaring van roekeloosheid eist de Hoge Raad een «buitengewoon onvoorzichtige gedraging» die een «zeer ernstig gevaar» in het leven heeft geroepen. Ten tweede is de aanwezigheid van één of meer strafverzwaringsgronden uit het derde lid van artikel 175 WVW 1994 doorgaans niet voldoende om vast te stellen dat de verdachte zich roekeloos heeft gedragen.De door de Hoge Raad gestelde eisen aan het begrip roekeloosheid bij de afdoening van ernstige verkeersdelicten hebben ertoe geleid dat veroordelingen waarin de feitenrechter roekeloosheid – als zwaarste vorm van schuld – bewezen verklaarde, in veel gevallen zijn gecasseerd. In de eerste plaats heeft dit gevolgen voor de straf, na verwijzing is deze in sommige strafzaken aanzienlijk verlaagd. In de tweede plaats heeft deze rechtspraak tot gevolg dat de maximumstraf die de wetgever voor de ernstigste gevallen van dood door schuld op negen jaar heeft bepaald, feitelijk slechts in uitzonderingsituaties van toepassing is. Ook de onderzoekers van Intervict geven aan dat de analyse van rechtszaken toont dat de eisen waaraan het bewijs van roekeloosheid volgens de Hoge Raad moet voldoen een duidelijke weerslag heeft gehad op de lagere rechtspraak, en dat roekeloosheid slechts bij kat-en-muisspellen, snelheidswedstrijden of koste wat kost vluchten voor de politie bewezen wordt verklaard. Deze beperkte toepasselijkheid van het begrip roekeloosheid bij zeer gevaarlijk rijgedrag in het verkeer met ernstige gevolgen leidt vaak tot onbegrip en onvrede bij slachtoffers.
Naar de mening van de regering vormt de voormelde rechtspraak van de Hoge Raad een duidelijke aanwijzing dat het begrip roekeloosheid zich in de huidige rechtspraktijk onvoldoende laat afgrenzen. De Hoge Raad lijkt daarom tot een jurisprudentiële afgrenzing te zijn overgegaan die – in de woorden van de onderzoekers van de RUG – «in ieder geval betrekkelijk helder is, althans [tot] een afgrenzing die leidt tot een beperkt bereik van roekeloosheid». Tegelijkertijd komen daardoor de oorspronkelijke bedoelingen van de wetgever bij de introductie van het begrip roekeloosheid onvoldoende tot uitdrukking. Dit wetsvoorstel wil hierin in die zin een wijziging aanbrengen dat in de wet nader wordt geëxpliciteerd waarin de roekeloosheid bij ernstige verkeersdelicten bestaat. Daarmee wordt beoogd terug te grijpen op het bij de invoering bedoelde bereik van het begrip «roekeloosheid» – omvattend zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen – waardoor in duidelijk meer gevallen dan enkel bij kat-en-muisspellen, vlucht en snelheidswedstrijden roekeloosheid kan (en dient te) worden aangenomen. Het wetsvoorstel bewerkstelligt dit door de strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag zonder gevolgen (artikel 5a WVW 1994) te koppelen aan het bestaande begrip roekeloosheid in het tweede lid van artikel 175 WVW 1994. Concreet betekent dit dat zeer gevaarlijk rijgedrag dat de delictsomschrijving van artikel 5a WVW 1994 vervult, roekeloosheid in de zin van de wet oplevert. Hiermee bestrijkt het begrip roekeloosheid meer gevallen dan die welke thans in de huidige rechtspraktijk onder dit begrip worden geschaard. Verder geven de in artikel 5a WVW 1994 opgenomen gedragingen meer inzicht aan de rechter in het soort gedragingen dat de wetgever bij roekeloosheid in het verkeer voor ogen staat. Bijvoorbeeld wanneer iemand zonder rekening te houden met andere weggebruikers (veel) te hard rijdt bij gevaarlijke kruisingen, terwijl daarvan levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander is te duchten voor een ander. Of wanneer een automobilist onder invloed van ruim boven de toegestane hoeveelheid alcohol slingerend over de weg rijdt met een ruime overschrijding van de maximumsnelheid en daarbij onvoldoende rechts houdt. Blijft bij beide genoemde voorbeelden dit zeer gevaarlijk rijgedrag zonder gevolgen dan zou een veroordeling wegens artikel 5a (nieuw) WVW 1994 kunnen volgen. Maar als een aan deze gevallen van zeer gevaarlijk rijgedrag te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander wordt gedood of letsel wordt toegebracht, zou door de voorgestelde koppeling – net als voor de voorgestelde introductie van het nieuwe artikel 5a – een veroordeling wegens overtreding van roekeloosheid (artikel 6 WVW 1994 jo. artikel 175 WVW 1994) kunnen volgen.
(...)
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
ARTIKEL I
Onderdeel A (artikel 5a WVW 1994 (nieuw))
Het nieuwe artikel 5a WVW 1994 vervult een brugfunctie tussen de relatief lichte overtreding van artikel 5 WVW 1994 en het misdrijf van artikel 6 WVW 1994. Het artikel kent een aantal elementen. De kern wordt gevormd door de aanhef en de slotzin. In de aanhef staat dat het een ieder verboden is opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate te schenden. Uit de slotzin volgt dat, wil er sprake zijn van een volgens artikel 5a WVW 1994 strafbaar gestelde gedraging, de schending van de verkeersregels tot gevolg moet hebben dat daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is te duchten. De bedoeling is (...) dat het vereiste dat de verkeersregels «opzettelijk» en «in ernstige mate» geschonden moeten zijn, in combinatie met de gevaarzetting als gevolg, maakt dat het gaat om een zeer ernstig verkeersdelict. (...)
Ik onderschrijf de constatering (...) dat het opzet in de delictsomschrijving betrekking heeft op de schending van de verkeersregels en dat de verdachte ook het opzet had om deze verkeersregels in ernstige mate te schenden. Hiervoor is bewust gekozen. Te denken valt aan constructies als in artikel 282 Sr (het opzettelijk wederechtelijk), de ordeningswetgeving (opzettelijk in strijd handelen met vergunningsvoorschriften) of in het fiscale strafrecht. De bestanddelen uit de delictsomschrijving maken helder dat het om een ernstig strafbaar feit gaat. Hieraan mogen strenge eisen worden gesteld ten aanzien van de bewijsbaarheid. Het voorgestelde artikel ziet immers op gedrag waarbij iemand volstrekt onverantwoord deelneemt aan het verkeer zonder acht te slaan op de veiligheid en risico’s voor andere weggebruikers, terwijl de gevolgen verstrekkend waren geweest als er daadwerkelijk een ongeval had plaatsgevonden (...).
De gedachte achter de keuze voor in «in ernstige mate» is dat de bepaling beperkt moet zijn tot (voldoende) ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Bij het schenden van een verkeersregel in «ernstige mate» kan worden gedacht aan het meerdere malen negeren van een rood kruis, het meerdere keren rijden door rood licht, voor een langere periode met een hoge snelheid rijden, continu over een vluchtstrook blijven rijden, terwijl dat niet is toegestaan. Wanneer de verdachte meerdere van deze gedragingen in één rit begaat kan het niet anders zijn (en mag dit ook worden aangenomen) dan dat hij de verkeersregels opzettelijk schendt en dat zijn opzet was gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. De verdachte kan in dergelijke gevallen niet onder de werking uitkomen van het voorgestelde artikel 5a WVW 1994 door te verklaren dat hij desbetreffende verkeersborden niet heeft gezien. Een aantal van de genoemde gedragingen – overschrijding van de maximumsnelheid, zeer dicht achter een ander voertuig rijden of het vasthouden van een mobiele telefoon – kunnen bovendien niet anders dan opzettelijk worden gepleegd. Voor andere van de genoemde gedragingen heeft opzet wel een zelfstandige betekenis. In dat licht vraagt de NVvR aandacht voor de bewijsbaarheid van het opzet op de gedraging. Overtreding van artikel 5a WVW 1994 is een ernstig misdrijf, en dan mogen – over de band van de delictsomschrijving – ook stevige eisen aan het bewijs worden gesteld. Een verklaring van de verdachte dat hij de snelheidsborden niet heeft gezien, hoeft vanzelfsprekend niet aan het bewijs van het opzet in de weg te staan. Bij de gedragingen waar opzet wel een zelfstandige betekenis heeft komt de nadruk vooral te liggen op het volledige feitencomplex. Het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels zal dan met name moeten worden afgeleid uit de feiten en omstandigheden die zicht bieden op de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft.
Als is komen vast te staan dat verdachte een of meer verkeersovertredingen heeft begaan waardoor zeer gevaarlijke situaties zijn ontstaan en bijgevolg door de verdachte onaanvaardbare risico’s zijn genomen, levert dat gedrag welhaast per definitie het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels op. Voor een ernstige schending van verkeersregels is ook van belang dat de verdachte bij zijn gedragingen geen acht heeft geslagen op (mogelijke) andere verkeersdeelnemers. Het veroorzaken van het gevaar is opgenomen als een geobjectiveerd bestanddeel oftewel de eis van het «te duchten» van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen dan wel letsel volstaat. (...)
Naar aanleiding van het advies van de NOvA op artikel 5a WVW 1994 merk ik op dat het verrichten van één gedraging niet voldoende is voor een overtreding van artikel 5a WVW 1994. De dader moet door zo’n gedraging opzettelijk in ernstige mate de verkeersregels schenden terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Dat betekent dus niet dat met het verrichten van een of meer van de genoemde gedragingen al vaststaat dat opzettelijk in ernstige mate de verkeersregels zijn geschonden. (...)
Het gaat bij een overtreding van artikel 5a WVW 1994 immers om het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels (en gevaar is te duchten). De lijst met gedragingen is niet-limitatief. Dit geeft de handhavingspraktijk de ruimte om ook andere gedragingen – van een vergelijkbare zwaarte als de reeds opgesomde gedragingen – die kunnen ontaarden in zeer gevaarlijk rijgedrag onder de delictsomschrijving te laten vallen mits uiteraard voldaan wordt aan de bestandsdelen uit het voorgestelde artikel. De gedragingen zijn gevat in algemeentalige bewoordingen die telkens de niet-naleving van een voorschrift uit de verkeerswetgeving (regelgeving zoals vervat in onder meer het RVV 1990 daaronder begrepen) beschrijven. (...)
Onderdeel C (artikel 175 WVW 1994)
Aan het tweede lid wordt een begripsbepaling van roekeloosheid toegevoegd waarin wordt teruggegrepen op het nieuwe artikel 5a WVW 1994: «Van roekeloosheid is in elk geval sprake als dat gedrag tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a». Dit betekent in essentie dat bepaald welbewust zeer gevaarlijk rijgedrag in elk geval de zwaarste vorm van schuld (roekeloosheid) oplevert als die gedragingen het gevolg hebben veroorzaakt, terwijl de betrokkene zich bewust was van de mogelijkheid van het gevolg, maar ernstig verwijtbaar (en naar is gebleken ten onrechte) heeft geoordeeld dat het wel goed zou aflopen.
(...)
Het voorstel overtreding van artikel 5a WVW 1994 aan te merken als roekeloosheid betekent dat een schuldvorm (roekeloosheid) mede door opzet wordt gedefinieerd; artikel 5a WVW 1994 spreekt van opzettelijke schending van de verkeersregels. Daarin zit geen tegenstrijdigheid. Opzet is immers gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels en niet op de verder liggende gevaren of gevolgen. Met de voorgestelde wijziging blijft voorts de wettelijke term van roekeloosheid behouden als ook de structuur van de artikelen 6 en 175 WVW 1994. Indien het voorstel tot wet wordt verheven leidt dit ertoe dat zeer gevaarlijk rijgedrag dat de delictsomschrijving van artikel 5a WVW 1994 vervult, roekeloosheid in de zin van de wet kan opleveren. Voor een veroordeling ter zake van artikel 6 juncto 175, tweede lid, WVW 1994, is verder vereist dat een aan die roekeloosheid te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander wordt gedood of kort gezegd letsel wordt toegebracht. Dit vereiste van dubbele causaliteit blijf onverkort in stand. Wanneer iemand te hard rijdt bij een gevaarlijke kruising, zonder rekening te houden met andere weggebruikers, terwijl daarvan levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander is te duchten, kan met de voorgestelde omschrijving van roekeloosheid in de tenlastelegging op basis van artikel 5a WVW 1994 rekening worden gehouden, de omstandigheden van het geval kunnen daarin uitdrukkelijk worden meegewogen. Tegelijk behoeft het niet fataal te zijn als een element uit de omschrijving van artikel 5a WVW 1994 niet in de tenlastelegging is verwerkt. Het bestandsdeel roekeloosheid heeft ook een eigenstandige feitelijke betekenis. Roekeloosheid wordt immers niet beperkt tot overtreding van artikel 5a WVW 1994. Het voorstel laat onverlet dat sprake kan zijn van roekeloosheid terwijl artikel 5a WVW 1994 niet is overtreden, dus ook, onder omstandigheden, door niet-opzettelijke overtreding van verkeersregels. (...)
Voorgaande toelichting maakt duidelijk dat (...) de koppeling met artikel 5a WVW 1994 er niet toe leidt dat roekeloosheid de meerderheid van de gevallen omvat wanneer sprake is van zeer gevaarlijk rijgedrag met ernstige gevolgen en dat dus niet een grote hoeveelheid aan verkeersgedragingen als roekeloos zal worden bestempeld. In die zin blijft roekeloosheid in de zin van de wet een specifieke betekenis behouden die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat daaronder in het normale taalgebruik in de betekenis van «onberaden» moet worden verstaan. Het is echter ook niet zo (...) dat de voorgestelde koppeling zwaardere eisen stelt aan het bewijs van roekeloosheid dan nu het geval is. Naar huidig recht kan van roekeloosheid sprake zijn indien de verdachte – kort gezegd – zich bewust had moeten zijn van het ernstige gevaar; de Hoge Raad stelt niet de eis dat de verdachte zich van het gevaar bewust was. Dat is evenmin vereist voor de op overtreding van artikel 5a WVW 1994 gebaseerde roekeloosheid.”
(Kamerstukken II 2018/19, 35086, nr. 3, p. 1-8 en 10-15.)
- de nota naar aanleiding van het verslag:
“De leden van de VVD-fractie verzochten ook een overzicht te geven van de uitleg die tot op heden in de jurisprudentie is gegeven aan de term «roekeloosheid». Ik geef dit overzicht graag aan de hand van de jurisprudentie van de Hoge Raad. Hieruit komt naar voren dat deze zwaarste schuldvorm, die grenst aan opzet, alleen in uitzonderlijke gevallen aan de orde is. De Hoge Raad heeft overwogen dat het begrip «roekeloos» een specifieke betekenis heeft die niet zonder meer samenvalt met hetgeen in het dagelijkse spraakgebruik daarmee wordt bedoeld, zoals «lichtvaardig», «onbezonnen» of «doldriest». Om roekeloosheid aan te nemen volgens het huidige artikel 175 WVW 1994 moet volgens de Hoge Raad sprake zijn van a) een buitengewoon onvoorzichtige gedraging, b) waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en c) waarvan de verdachte zich bewust was of had moeten zijn (ECLI:NL:HR:2013:960). De nadruk ligt daarbij op de specifieke omstandigheden van het geval en de rechter moet heel goed motiveren waarom hij deze mate van schuld aanneemt. De gedragingen die in artikel 175, derde lid, WVW 1994 al zelfstandig als strafverzwarend gelden (kort gezegd: onder invloed rijden, veel te hard rijden, bumperkleven, geen voorrang verlenen en gevaarlijk inhalen) zijn op zichzelf in het algemeen niet voldoende om «dus» ook roekeloosheid aan te nemen (ECLI:NL:HR:2013:1554; NJ 2014, 30 m.n. Keijzer). Een voorbeeld van een zaak waarin de Hoge Raad om die reden casseerde betrof een geval waarin de rechter roekeloosheid had aangenomen omdat de verdachte onder invloed en te hard had gereden en geen ervaring had met het type auto (ECLI:NL:HR:2015:1772).In de zaken waarin de Hoge Raad de kwalificatie van het gedrag als «roekeloos» in stand liet, was sprake van een «samenstel van gedragingen» dat neer lijkt te komen op situaties die kunnen worden aangeduid als kat-en-muisspellen, snelheidswedstrijden of koste wat kost vluchten voor de politie. Volgens de hiervoor al aangehaalde annotatie bij NJ 2014, 220 lijkt in dat geval sprake te zijn van een verdachte die zich welbewust buiten de orde van het normale verkeer plaatst ten koste van extreme risico’s voor andere verkeersdeelnemers, terwijl het in andere zaken ging om verdachten die min of meer de bedoeling leken te hebben op normale wijze aan het verkeer deel te nemen en waarin geen specifieke omstandigheden werden benoemd die meebrachten dat niet sprake was van «gewone» schuld aan het ongeval zoals in het verkeersrecht pleegt te worden aangenomen (...). Deze – van de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever afwijkende – invulling van het wettelijke begrip «roekeloos» bij verkeerszaken in de rechtspraak wordt als onbevredigend ervaren en vormt, zo bleek ook uit het onderzoek, een knelpunt, waarvoor dit wetsvoorstel een oplossing beoogt te bieden.
(...)
Ter vermijding van misverstanden wil ik daarbij opmerken dat ik met de opmerking in de memorie van toelichting (p. 14) dat door het voorstel om overtreding van artikel 5a WVW 1994 aan te merken als roekeloosheid, een schuldvorm (roekeloosheid) mede door opzet wordt gedefinieerd, niet bedoeld heb te zeggen dat artikel 5a de definitie van roekeloosheid inhoudt. Het begrip roekeloosheid wordt door artikel 5a niet gedefinieerd; artikel 5a geeft alleen een omschrijving van gevallen waarin roekeloosheid in ieder geval kan worden vastgesteld. Maar ook op grond van andere gedragingen, feiten en omstandigheden kan schuld in de zin van roekeloosheid worden aangenomen. (...)
Onderdeel A (artikel 5a WVW 1994 (nieuw))
(...)
De plaats van het begrip opzettelijk in de zinsnede «opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden» brengt mee dat het opzet zowel gericht moet zijn op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn. (...)
Het opzet hoeft, zo kan in antwoord op een vraag van de CDA-fractie worden aangegeven, niet gericht te zijn op het omschreven gevolg, namelijk dat daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Dit betreft een geobjectiveerde omstandigheid, die ook in andere delictsomschrijvingen voorkomt. Om in rechte vast te stellen dat hiervan sprake was, moet uit de bewijsmiddelen wel volgen dat dit gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest.
Het juridische begrip opzet is ruimer dan «bedoeling» in het algemeen spraakgebruik en wordt doorgaans omschreven als «willen en weten» van de verdachte in het specifieke geval. Dit kan, in antwoord op een vraag van deze leden, volgens de in de jurisprudentie ontwikkelde toetsstenen ook zogenoemd «voorwaardelijk opzet» omvatten, hetgeen wordt gezien als ondergrens van dit type strafrechtelijke aansprakelijkheid. Dit opzet kan onder omstandigheden uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging worden afgeleid.
Bij de strafbaarstelling van artikel 5a WVW gaat het om gedragingen die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden. Volgens de letter van de wet zou het hierbij, zoals door de leden van de SGP-fractie werd opgemerkt, kunnen gaan om één gedraging die de overtreding van een verkeersregel inhoudt, maar om te kunnen vaststellen dat sprake is niet alleen van opzettelijk, maar ook van het in ernstige mate schenden van verkeersregels, is meer nodig dan de vaststelling van een enkele verkeersovertreding. Artikel 5a WVW beoogt zeer onverantwoordelijk rijgedrag strafbaar te stellen waarvan ernstige gevaren voor medeweggebruikers te duchten zijn. Dat het daarbij om één (type) gedraging zou kunnen gaan is niet uit te sluiten, maar ook dan zullen de aard en ernst van de overtreding (bij de vaststelling waarvan de herhaling of het voortduren ervan kunnen worden betrokken) in het licht van de overige feiten en omstandigheden in het concrete geval de conclusie moeten rechtvaardigen dat sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels en dat daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. In de memorie van toelichting worden als voorbeeld genoemd het meerdere malen negeren van een rood kruis, meerdere keren door rood licht rijden, gedurende een langere periode met een (veel) te hoge snelheid rijden, enzovoort. De vaststelling van dergelijk rijgedrag zal (...) ook op een samenstel van verschillende gedragingen kunnen berusten. Daarbij kan worden gedacht aan een combinatie van gedragingen zoals een aanzienlijke overschrijding van de maximumsnelheid, rode lichten negeren, zich op de verkeerde weghelft begeven en ook nog een mobiele telefoon vasthouden, terwijl zeer goed voorstelbaar was dat een (dodelijk) ongeval kon plaatsvinden.
(...)
Het voorgestelde artikel 5a is niet bedoeld voor de enkele (aanzienlijke) snelheidsovertreding maar voor de strafbaarstelling van de weggebruiker die zonder acht te slaan op de veiligheid en risico’s voor anderen, zich volstrekt onverantwoordelijk in het verkeer gedraagt.
(...)
Van veel te hard rijden vlak in de buurt van andere weggebruikers kan bovendien levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten zijn; ook die vaststelling kan aan de onderbouwing van een bewezenverklaring van overtreding van artikel 5a bijdragen. (...)
Graag antwoord ik deze leden dat de voorgestelde toevoeging aan artikel 175, tweede lid, WVW 1994 erin voorziet dat een overtreding van artikel 5a als roekeloosheid wordt aangemerkt. Daarmee is er praktisch gesproken en langs eenvoudige weg in voorzien dat het opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is, als de ernstigste schending van artikel 6 WVW 1994 kan worden bestraft indien dit gevaar zich realiseert.”
(Kamerstukken II 2018/19, 35086, nr. 6, p. 5-7 en 11-15.)
- de memorie van antwoord:
“Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn. Over het algemeen zal hierbij sprake zijn van gedragingen gedurende één rit. In hoeverre een onderbreking van de rit van zodanige (korte) duur was dat de opeenvolgende en/of gecombineerde opzettelijke schending van verkeersregels voor en na die onderbreking, tot hetzelfde tenlastegelegde feit (of complex van feiten) behoren, is een beoordeling die de rechter aan de hand van het concrete geval toekomt.”
(Kamerstukken I 2019/20, 35086, C, p. 5.)
2.6.1
In het algemeen geldt dat onder ‘schuld’ als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. (Vgl. HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, rechtsoverweging 2.6.1.)
2.6.2
In zijn arrest van 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1656 heeft de Hoge Raad over roekeloosheid als de “zwaarste vorm van schuld” onder meer overwogen:
“2.3.2. Ingevolge bestendige rechtspraak kan in cassatie slechts worden onderzocht of de schuld aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Voor de schuldvorm “roekeloosheid” geldt op zichzelf hetzelfde, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als “de zwaarste vorm van het culpose delict” wordt aangemerkt die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel moeten daarom aan de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid, dus de zwaarste vorm van schuld, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. Dat geldt ook in de gevallen waarin de roekeloosheid in de kern bestaat uit de in art. 175, derde lid, WVW 1994 omschreven gedragingen, nu die gedragingen grond vormen voor een verdere verhoging van het ingevolge het tweede lid van dat artikel voor roekeloosheid geldende strafmaximum.
Het voorgaande brengt mee dat de vraag of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994 een beoordeling vergt van de specifieke omstandigheden van dat geval. Bij de toetsing in cassatie van beslissingen in concrete gevallen kan een rol spelen of de rechter zijn oordeel dat sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, heeft voorzien van een nadere motivering die recht doet aan het bijzondere karakter van roekeloosheid. Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat “roekeloosheid” in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder “roekeloos” – in de betekenis van “onberaden” – wordt verstaan.
Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat in dit verband doorgaans niet volstaat de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in art. 175, derde lid, WVW 1994 genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen. (Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25.)”
2.7.1
Na het wijzen van het onder 2.6.2 genoemde arrest is op 1 januari 2020 de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten in werking getreden. Daarbij heeft de wetgever nader omschreven waarin de roekeloosheid bij ernstige verkeersdelicten kan bestaan. Daartoe is het bestaande begrip roekeloosheid in artikel 175 lid 2 WVW 1994 gekoppeld aan de strafbaarstelling van zeer gevaarlijk rijgedrag (zonder gevolgen) in het bij deze wet ingevoerde artikel 5a WVW 1994. Geen van de in artikel 5a lid 1 WVW 1994 genoemde gedragingen wordt in artikel 175 lid 3 WVW 1994 (meer) genoemd als (verder) strafverzwarende omstandigheden.
2.7.2
Uit de onder 2.5 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten kan onder meer worden afgeleid dat met de invoering van artikel 5a en 176 lid 1 WVW 1994 is beoogd om bepaalde vormen van roekeloos rijgedrag zelfstandig strafbaar te stellen, ook als dat niet heeft geleid tot een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Daarnaast is met het toevoegen van de slotzin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 5a WVW 1994 beoogd een nadere invulling te geven aan het begrip roekeloosheid voor die gevallen waarin een verdachte wordt vervolgd voor overtreding van artikel 6 WVW 1994 met een van de gevolgen als in die bepaling bedoeld en de schuld volgens de tenlastelegging bestaat in roekeloosheid. Als de betreffende tenlastelegging is toegesneden op een of meer van de in artikel 5a lid 1 WVW 1994 omschreven gedragingen, verdient bij zo’n vervolging aandacht dat niet alleen overtreding van artikel 5a WVW 1994 uit de bewijsvoering moet blijken, maar dat daaruit ook moet blijken dat – ten aanzien van de in artikel 6 WVW 1994 gestelde vereisten, in het bijzonder ten aanzien van de schuld aan het verkeersongeval en de gevolgen daarvan – ook de overige delictsbestanddelen van de overtreding van artikel 6 WVW 1994 zijn vervuld.
2.7.3
Verder kan uit die totstandkomingsgeschiedenis worden afgeleid dat ook na de inwerkingtreding van die wet ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft behouden die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat daaronder in het normale taalgebruik in de betekenis van ‘onberaden’ moet worden verstaan. De wetgever heeft niet een definitie van ‘roekeloosheid’ willen introduceren, maar heeft wel – via artikel 5a WVW 1994 – een omschrijving van gevallen willen geven waarin roekeloosheid in ieder geval kan worden vastgesteld als ook aan de overige in die bepaling gestelde eisen, waaronder opzet op de in die bepaling genoemde gedraging(en), is voldaan. Ook buiten die gevallen kan de rechter tot het oordeel komen dat sprake is van roekeloosheid. Daarbij heeft de wetgever onder meer voor ogen gestaan dat “in duidelijk meer gevallen dan enkel bij kat-en-muisspellen, vlucht en snelheidswedstrijden roekeloosheid kan (en dient te) worden aangenomen”.
2.7.4
Gelet op het voorgaande moet onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 WVW 1994 is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW 1994 beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft”.
Het oordeel van de Hoge Raad
2.8.1
Het hof heeft het volgende vastgesteld. Als bestuurder van een personenauto draaide de verdachte op de N297 met gierende banden een aantal korte cirkels, zogenoemde ‘donuts’. Nadat twee verbalisanten die dit zagen de optische signalen van hun dienstvoertuig in werking hadden gesteld, sloeg de verdachte op de vlucht en reed hij weg over de N297, waar een maximumsnelheid van 80 km/u geldt. De verdachte was daar “alleen maar gas aan het geven” en bereikte over een afstand van 1600 meter snelheden tussen 157 en 278 km/u. Hij nam de afrit richting de kruising met de N276. Die afrit is een eenbaansweg en bij die kruising staan verkeerslichten. De verdachte reed op die afrit met een snelheid tussen 175 en 184 km/u. Vervolgens botste hij tegen de linker-achterzijde van een voor hem rijdende personenauto. De verdachte heeft daarover verklaard: “Ik dacht dat ik er links voorbij kon. Ik reed er tegenop.” Verder heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte die dag veel stress had, boos was en stoom wilde afblazen, en dat hij bij eerdere ritten op die avond (ruim een half uur voor het bewezenverklaarde verkeersongeval) snelheden van meer dan 200 km/u bereikte.
2.8.2
Op grond van deze vaststellingen heeft het hof – niet onbegrijpelijk – geoordeeld dat de verdachte opzettelijk de maximumsnelheid over een grotere afstand zeer fors heeft overschreden en dat hij heeft geprobeerd op een eenbaansweg links in te halen. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden en dat de verdachte roekeloos heeft gereden, als voorzienbaar gevolg waarvan de verdachte het verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, getuigt in het licht van wat onder 2.5 tot en met 2.7 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.9
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering, M. Kuijer, C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2024.
Conclusie 09‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel (art. 6 WVW). Bewezenverklaring roekeloosheid via art. 5a WVW. Hoewel deelklacht terecht klaagt over de gebrekkige bewijsmotivering van het voor art. 5a vereiste opzet op 'gevaarlijk inhalen’, faalt het middel omdat roekeloosheid ook zonder het opzettelijk gevaarlijk inhalen voldoende is gemotiveerd. Enkele algemene opmerkingen over roekeloosheid i.d.z.v. art. 5a jo art. 175 lid 2 WVW. Conclusie strekt tot verwerping.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00809
Zitting 9 juli 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
1. Cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 28 februari 2023 door het gerechtshof Den Bosch wegens 1) het roekeloos veroorzaken van een verkeersongeval waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen (art. 6 jo art. 175 lid 2 WVW 1994) en 2) het verlaten van de plaats van het ongeval (art. 7 lid 1 WVW 1994) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk. Tevens is een rijontzegging voor de duur van drie jaren opgelegd, waarvan één jaar voorwaardelijk.
1.2
Het cassatieberoep is op 1 maart 2023 ingesteld namens de verdachte. E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel is gericht tegen de motivering van de bewezenverklaring van feit 1, meer in het bijzonder de bewezenverklaring van roekeloosheid.
1.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Gelet op het feit dat tot op heden geen arresten van de Hoge Raad zijn gewezen over de bewezenverklaring van roekeloosheid gebaseerd op overtreding van art. 5a Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), zie ik aanleiding enige beschouwingen te wijden aan de in art. 175 lid 2, laatste volzin, WVW gelegde koppeling tussen de overtreding van art. 5a WVW en de roekeloosheid als meest zware vorm van culpa als bedoeld in art. 6 WVW.
2. Waar het in deze zaak om gaat
2.1
De verdachte reed in de avond van 14 september 2021 in een Mercedes vanaf de Doktor Hub van Doorneweg te Born in de richting van het kruispunt met de N297.1.In de auto van de verdachte zaten twee passagiers, te weten een man op de bijrijdersstoel en een vrouw op de achterbank. Ongeveer 30 meter voor het kruispunt en midden op het kruispunt van de N297, ter hoogte van het daar gelegen Esso tankstation, heeft de verdachte zogenoemde ‘donuts’ gedraaid, te weten het tijdens het accelereren de auto om zijn as laten draaien. De donuts zijn waargenomen door twee verbalisanten die vlakbij de kruising in een niet als politievoertuig herkenbare auto stonden opgesteld. De verdachte is vervolgens de N279 in de richting van Sittard opgereden.
2.2
Nadat de twee verbalisanten een zwaailicht op het dak van hun (civiele) voertuig hadden geplaatst, begon de verdachte zijn snelheid te verhogen. De verbalisanten zagen de achterzijde van de Mercedes van links naar rechts bewegen. Over een afstand van 1,5 km hebben de verbalisanten getracht dichter bij de Mercedes te komen door krachtig te accelereren en met snelheden van ongeveer 150 à 160 km/h te rijden, maar de afstand tussen de verbalisanten en de Mercedes liep op tot ongeveer 500 meter. De Mercedes nam de afrit richting Sittard, een eenbaansweg, en naderde met snelheden tussen de 157 en 278 km/h de auto van het [slachtoffer] , een Daihatsu. Vervolgens reed de verdachte, met een snelheid tussen de 175 en 184 km/h, in de linker achterzijde van de Daihatsu. Als gevolg van de aanrijding, kwam de Mercedes in botsing met een lantaarnpaal, slipte over een rechts van de weg gelegen ventweg en kwam uiteindelijk tot stilstand in een weiland. De auto van het slachtoffer raakte tijdens de botsing zwaar beschadigd en werd naar rechts gedrukt. De Daihatsu kwam in de grasberm in botsing met een lantaarnpaal, ging over de kop en kwam op de rechts gelegen ventweg tot stilstand. Het [slachtoffer] heeft als gevolg van het verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De verdachte heeft verklaard dat hij weet dat hij veel harder heeft gereden dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 80 km/h en dat hij heeft gemeend dat hij links voorbij de Daihatsu kon.
2.3
Uit onderzoek aan het multimediasysteem van de Mercedes blijkt dat de Mercedes in de twee ritten voorafgaand aan het verkeersincident, op diezelfde avond, tussen 21:20 uur en 21:35 uur en tussen 23:12 en 23:16 uur meerdere keren met snelheden heeft gereden van tussen de 150 en 270 km/h. De verdachte heeft verklaard dat hij die avond erg boos en gestrest was en stoom wilde afblazen.
2.4
Het hof is van oordeel dat sprake is van het culpoos veroorzaken van een verkeersongeval waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht, terwijl de schuld bestaat uit roekeloosheid. Tot dat oordeel komt het hof door vast te stellen dat de gedragingen van de verdachte een overtreding van art. 5a lid 1 WVW opleveren. Per 1 januari 2020 is aan art. 175 lid 2 WVW toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van art. 5a lid 1 WVW kan worden aangemerkt.
3. De bewezenverklaring en de bewijsvoering
3.1
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:
“hij op 14 september 2021 te Born, in de gemeente Sittard-Geleen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, het Gelders Eind (N297) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, welke gedragingen roekeloos waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, heeft gereden met een snelheid tussen ongeveer 175 en 184 kilometer per uur, en (daarbij) een in dezelfde richting als hem, verdachte, rijdend motorrijtuig van achter is genaderd en daarbij niet heeft gelet op de weg voor hem en (vervolgens) de snelheid van het door hem bestuurde motorrijtuig niet tijdig heeft verminderd en niet behoorlijk is uitgeweken om een aanrijding met eerder genoemd motorrijtuig, met als bestuurder voornoemde [slachtoffer] , te voorkomen, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen verdachtes motorrijtuig en dat andere motorrijtuig;”
3.2
De bewezenverklaring van feit 1 steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof d.d. 14 februari 2023, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 14 september 2021 te Born op de N297 veel te hard heb gereden, terwijl je daar maximaal 80 kilometer per uur mag rijden. Ik weet dat ik te hard reed. Ik dacht dat ik ongeveer 150 tot 160 kilometer per uur reed. Het klopt ook dat ik daar in botsing ben gekomen met een ander motorrijtuig waarvan [slachtoffer] de bestuurder was. Ik had op die dag veel stress en ik was boos. Ik wilde stoom afblazen. Ik dacht niet na en ik heb toen op de weg vóór de N297 meerdere donuts gedraaid. Daarna ben ik de N297 op gereden. De weg ging over naar een eenbaansweg. Toen zag ik ineens de achterlichten van de Daihatsu. Ik dacht dat ik er links voorbij kon. Ik reed er tegenop. De 1600 meter tussen de plaats waar ik de donuts heb gedraaid tot de plaats van het ongeval heb ik opgetrokken. Het klopt dat ik bij mijn verhoor bij de politie heb verklaard dat ik alleen maar gas aan het geven was.
2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2021 (…), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :
(…)
Op 14 september 2021 omstreeks 23:15 uur was ik, [verbalisant 1] , samen met mijn Duitse collega [verbalisant 2] gezamenlijk op patrouille, op de N297 (Gelders Eind) te Born. Wij, verbalisanten, stonden op het fietspad gelegen aan de kruising van de N297 (Gelders Eind) en de Doctor Hub van Doorneweg ter hoogte van hectometerpaal 11.0R. Ter plaatse geldt een maximale snelheid van 80 kilometer per uur.
Op 15 september 2021 [het hof begrijpt: 14 september 2021] omstreeks 23:45 uur zien wij, verbalisanten, een personenauto, type Mercedes-Benz AMG C 63, zwart van kleur en voorzien van Nederlands kenteken [kenteken 1] rijden op de Doctor Hub van Doorneweg en rijden in de richting van de kruising aan de N297 (Gelders Eind). Ongeveer 30 meter voordat voornoemd voertuig bij de kruising arriveert zien wij dat deze personenauto op de plek om zijn as begint te draaien, zijnde zogenaamde "donuts”. Ik bedoel hiermee dat de bestuurder de motor hoog in de toeren jaagt en met volle kracht de frictie van de achterwielen met het asfalt verbreekt waardoor de wielen doordraaien en spinnen. Door het frictieverlies en de wrijving van de banden op het asfalt rookten de achterbanden heftig. Doordat de bestuurder zijn stuur instuurde en de achterwielen naar grip zochten en rookten, draaide deze rondjes op het asfalt wat ook wel "donuts" genoemd wordt. Na een aantal "donuts" zien wij dat voornoemde bestuurder met zijn voertuig richting het midden van de kruising gelegen aan de N297 (Gelders Eind) en de Doctor Hub van Doorneweg rijden. Hier zien wij, verbalisanten, dat voornoemd voertuig wederom "donuts" begint te draaien midden op de kruising gelegen op de N297 (Gelders Eind) ter hoogte
(…)
van het Esso tankstation. Op 14 september 2021 te 23:46 heb ik, [verbalisant 1] , in verband met voornoemde waarnemingen en de daarbij behorende gevaarszettingen ("donuts") mijn optische signalen inwerking gesteld van mijn onopvallend dienstvoertuig. Op het moment zien wij dat de bestuurder van de voornoemde Mercedes-Benz AMG het vermogen van zijn motorvoertuig begint te verhogen. Doordat de bestuurder vol gas geeft verliezen de achterbanden wederom frictie en beginnen te roken. Hierbij hoorden wij de banden piepen. Tevens zagen wij dat de achterzijde van het voertuig uitbrak van links naar rechts. Hierbij maakte de Mercedes zijdelingse bewegingen met de achterzijde van 1 meter naar [A-G: rechts en] 1 meter naar links en krachtig accelereerde.
(…)
Vanwege het direct wegrijden was het voor ons, verbalisanten, niet mogelijk om een stopteken te geven aan voornoemd bestuurder van het voertuig. Daar het voertuig ongeveer 200 meter voor ons reed hebben wij onze snelheid verhoogd om dichter bij het voertuig te komen. Hierbij zagen wij dat het voertuig zeer snel bij ons weg reed en de afstand vergrootte tot ongeveer 500 meter. Gezien de snelheid van de voornoemde Mercedes was het voor ons niet mogelijk om dichterbij te komen daar de Mercedes dusdanig krachtig accelereerde. Gedurende de rit heb ik alleen maar krachtig geaccelereerd. Ik bedoel hiermee dat ik maximaal snelheid heb opgebouwd over een afstand van 1,5 kilometer over de N297. Hierdoor schat ik dat mijn gereden snelheid op het piekmoment ongeveer 150 a 160 km/h was waar 80 km/h is toegestaan. Gezien het feit hoe snel de voornoemde Mercedes bij ons weg reed schat ik de door de bestuurder gereden snelheid op 200 km/h. Toen wij ongeveer ter hoogte van hectometerpaal 12.1R reden zagen wij ter hoogte van hectometerpaal 12.5A, zijnde de afrit Sittard, de remlichten helder rood oplichten. Direct hierna zagen wij stofwolken en brokstukken rond vliegen.
(…)
Eenmaal aangekomen ter hoogte van hectometerpaal 12.5A zien wij verscheidene brokstukken op de weg liggen. Boven aan de afrit Sittard, gelegen aan de N297, rijden wij naar rechts de N276 op. Hier zien wij direct aan onze rechterzijde dat voornoemde Mercedes-Benz AMG van de weg is geraakt en in een weiland terecht is gekomen. Hierbij is de bestuurder door een afrastering gereden. Aangekomen bij de personenauto zien wij dat de bestuurdersstoel leeg is. Op de bijrijdersstoel zit een voor ons onbekende manspersoon en links achterin zit een voor ons onbekende vrouw.
(…)
Ik, [verbalisant 1] , zag verlichting schijnen vanaf de afrit Sittard gelegen aan de N297. Deze verlichting was waarschijnlijk afkomstig van een personenauto. Aangekomen zag ik een voor mij onbekende personenauto liggen op het fietspad, gelegen aan de afrit Sittard, gelegen aan de N297. Ik zag 3 manspersonen staan om het zwaar beschadigde voertuig. In dit zwaar beschadigde voertuig, type Daihatsu Cuore, rood van kleur en voorzien van Nederlands kenteken [kenteken 2] , zit een voor mij onbekende manspersoon. Ik hoor de onbekende manspersoon op de bestuurdersstoel hard schreeuwen van pijn. Ik zie dat de onbekende manspersoon onder het bloed zit. Later blijkt in het voertuig een manspersoon te zitten die bekend is onder de personalia:
Naam: [slachtoffer]
Voornaam: [slachtoffer]
Geboortedatum: [geboortedatum] 2001
(…)
Tijdens het onderzoek naar de bestuurder van voornoemde Mercedes-Benz AMG is er een verdachte in beeld gekomen die mogelijk het voornoemde voertuig bestuurde tijdens de achtervolging.
Het zou hierbij gaan om:
Naam: [verdachte]
Voornaam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1988
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Op de Grote Dries 38 te Holtum is de verdachte [verdachte] op 15 september 2021 te 01:05 uur aangehouden. (…) Deze persoon [het hof begrijpt: de verdachte] probeerde zich bij het zien van de politie te verstoppen onder het voertuig. Tevens blijkt dat de verdachte:
- een ontbloot bovenlijf had
(…)
- bezweet was
- linker hand bebloed
- broek en schoenen onder de modder
3. Een ander geschrift, inhoudende een vertaling proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2022 (…), voor zover inhoudende een vertaling van een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 september 2021 (…), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] :
Op 14-0-2021 [A-G: ik begrijp 14-09-2021] omstreeks 23:50 uur was de gezamenlijke civiele patrouille KMAR/Bundespolizei aanwezig bij tankstation Langerseg bij Born (Nederland). Daar zagen de betreffende ambtenaren op de tegenover gelegen parkeerplaats een DB Mercedes AMG C83, die daar "donuts" draaide. De patrouilledienst nam het besluit om het voertuig te controleren, maar op dat moment reed de DB [het hof begrijpt: Mercedes AMG C83] de N297 op (autoweg) en maakte "donuts" direct vóór het dienstvoertuig van de marechaussee. Ondergetekende heeft toen het zwaailicht op het dak van het civiele voertuig geplaatst. Meteen sloeg de Mercedes op de vlucht richting Sittard. Hierbij versnelde de chauffeur van de DB zo heftig, dat de achterklep voortdurend losraakte. De patrouilleauto zette de vervolging in. Op dat moment was de DB Mercedes al ca. 200 meter van de patrouilleauto verwijderd. Er waren alleen nog enigszins de achterlichten te zien van de personenauto. De patrouilledienst zag plotseling dat de remlichten van de DB gingen oplichten en van rechts naar links over de rijbaan switchten. Op dat moment was de Mercedes alweer veel verder weggereden en reed nu ca. 500 tot 600 meter vóór de patrouilleauto van de marechaussee. In het licht van het tegemoetkomende verkeer zag men plotseling dat vermoedelijk voertuigonderdelen door de lucht vlogen. Toen de betreffende patrouille de plaats bereikte, werden plastic onderdelen op de rijbaan gevonden. Pas nadat de afslag was genomen, zag ondergetekende de Mercedes AMG recht in het weiland. De patrouilleauto stopte en liep naar de personenauto. Het portier aan de chauffeurskant van de personenauto was open. In het voertuig zat een man op de bijrijdersstoel en achter links een vrouw. Ondergetekende bleef bij de beide personen en de Nederlandse collega zocht in het nabijgelegen terrein naar de chauffeur van de personenauto. Hierbij werd ca. 150 meter vóór de plaats van het ongeval een rode ongeval auto op het fietspad gezien. Blijkbaar was dit voertuig door de DB AMG aangereden en vervolgens over de rijbaan op het fietspad geslingerd.
4. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 20 november 2021 (…), voor zover inhoudende als verklaring van slachtoffer [slachtoffer] :
(…)
Ik kan u vertellen dat ik niks meer weet van de aanrijding. Ik weet dat ik weg gereden ben bij mijn vriend. Van de dag van de aanrijding 14 september 2021 tot 21 september 2021 ben ik in het ziekenhuis opgenomen geweest. Mijn letstel [het hof begrijpt: letsel] is: gebroken linker heup, gebroken linker oogkas, gebroken linker sleutelbeen en hersenschudding. Op 29 september ben ik nog eens geopereerd aan mijn oogkast [het hof begrijpt: oogkas]. Vanaf 30 september 2021 heb ik gekluisterd aan een rolstoel tot 15 oktober 2021. Ik heb 2x per week fysiotherapie. Ik ben fysiek beperkt. Volledig herstel is volgens de fysiotherapeut mogelijk, maar duurt minimaal een jaar.
5. Een aanvraagformulier medische informatie d.d. 9 november 2021 (…), voor zover inhoudende als verklaring van arts dr. J. Verbruggen:
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Geboortedatum: [geboortedatum] 2001
Geslacht: man
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Adres: [a-straat 1]
Woonplaats: [postcode] [plaats]
I. Omschrijving van het letsel
B. Is er vermoeden van een niet uitwendig waarneembaar letsel?
Bekkenbreuk, sleutelbeenbreuk, breuk van de oogkas.
6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse (VOA) met bijlagen, (…), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , afgesloten d.d. 25 oktober 2021 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten:
(…)
1. Algemeen
Wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , werkzaam bij het team verkeersongevallen analyse van de Brigade Recherche van de Koninklijke Marechaussee, verklaren het volgende:
1.1
Verzoeker
Op 15 september 2021, omstreeks 00:00 uur, hebben wij van het aansturingsorgaan van de Koninklijke Marechaussee, melding ontvangen van een verkeersincident met zwaar lichamelijk letsel, op de Provincialeweg N297 gelegen in de gemeente Born.
(…)
2.2
Wegsituatie
Het verkeersincident heeft plaatsgevonden op de afrit van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Gelders Eind (N297) ter hoogte van hectometerpalen 12.5a en 12.6a, gelegen buiten de bebouwde kom van Born. De wettelijke toegestane maximumsnelheid betrof ter plaatse 80 km/h.
2.2.1
Afwijkende verkeersmaatregelen
Wij zagen geen afwijkende maatregelen die mogelijk een rol kunnen hebben gespeeld bij het ontstaan en de toedracht van het verkeersincident.
2.2.2
Onderhoud weg
Wij zagen geen bijzonderheden met betrekking tot het onderhoud van de weg die mogelijk een rol kunnen hebben gespeeld bij het ontstaan en de toedracht van het verkeersincident.
(…)
2.2.3
Tijdelijke omstandigheden
Wij zagen geen tijdelijke omstandigheden, die mogelijk een rol kunnen hebben gespeeld bij het ontstaan en de toedracht van het verkeersincident.
2.3
Aangetroffen situatie
2.3.1
Situatie bij aankomst
Wij waren omstreeks 02:30 uur ter plaatse en constateerden het volgende:
• wij zagen een roodkleurige personenauto van het merk Daihatsu type Cuore voorzien van het kenteken [kenteken 2] , gezien vanuit de rijrichting Born richting de landsgrens met Duitsland, aan de rechterzijde van de weg op de ventweg staan;
• wij zagen dat de linker achterzijde van de Daihatsu ernstig was gedeformeerd;
• wij zagen over het gehele wegvlak een beeld van sporen en puin uitlopend over de weg, grasberm en ventweg, in de richting van een weiland nabij de kruising met de Provincialeweg N276;
• wij zagen ter hoogte van de kruising met de Provincialeweg N276, aan de rechterzijde van de weg in een weiland, een zwartkleurige personenauto van het merk Mercedes Benz type AMG C63 voorzien van het kenteken [kenteken 1] staan;
• wij zagen dat de Mercedes aan de rechtervoorzijde was beschadigd;
• wij zagen op de rechtervoorzijde van de Mercedes roodkleurige lakresten;
• wij zagen op het wegdek sporen die passen bij het eerste contact tussen beide voertuigen en hebben dit gebied aangemerkt als conflictzone;
(…)
4 Snelheidsbepaling
4.1
Snelheid Mercedes
Om tot een vaststelling van de gereden snelheid van de Mercedes te komen, vóór en tijdens het verkeersincident, is door ons onderzoek gedaan naar eventueel opgeslagen GPS posities en gereden snelheden in het multimediasysteem.
4.1.1
Veiligstellen multimediasysteem
Op 5 oktober 2021 werd het multimediasysteem uit de Mercedes gedemonteerd.
4.1.3
Snelheidsbepalingen verkeersincident
Nadat de digitale gegevens uit het multimediasysteem waren veiliggesteld zijn deze door ons onderzocht. Wij zagen dat er meerdere GPSIogs met gereden snelheden aanwezig waren rond het tijdstip van het verkeersincident. De weergegeven gemiddeld gereden snelheden zijn bepaald op basis van de afstand tussen de GPS posities en de tijd waarin deze afstand is afgelegd. In de bijlage III is een overzicht te zien van de afgelegde route met gereden snelheden kort vóór en tijdens de aanrijding met de Daihatsu.
(…)
4.1.4
Snelheidsbepaling avond van verkeersincident
Op verzoek van de verzoeker en in overleg met Officier van Justitie Rob VAN DARTEL hebben wij eveneens de gereden snelheden onderzocht van de laatste twee ritten vóór het verkeersincident. Dit betreft de rit tussen 21:20:37 uur en 21:35:30 uur, en de rit tussen 23:12:27 uur en 23:16:47 uur. Wij zagen hierbij dat de Mercedes tijdens deze ritten meermaals én langdurig snelheden heeft gereden van tussen de 150 en 270 km/h.
(…)
5.3
Camerabeelden
Op 20 september 2021 ontving ik, [verbalisant 3] , de camerabeelden welke waren veilig gesteld bij het bedrijf VDL Nedcar. De beelden tonen een kruising gelegen op een afstand van ongeveer 1600 meter vóór de conflictzone. De beelden zijn, op basis van de systeemtijd van de camera, opgenomen op 14 september 2021 tussen 23:45:27 uur en 23:47:10 uur. De voor ons onderzoek relevante gegevens op de beelden zullen hieronder worden beschreven.
5.3.1.1 Mercedes
Wij zien dat de Mercedes om 23:45:47 uur het beeld in komt rijden, remt en een drietal ‘donuts’ maakt. De bedoeling bij het maken van een donut is het laten uitbreken van een voertuig en daarbij in een zo kort mogelijke draaicirkel een ronde te draaien wat resulteert in een tekening op de weg gelijkend op een donut. Wij zien tijdens het maken van deze ‘donuts’ enkele vuurvonken ter hoogte van de achterbanden. Wij zien dat de dimverlichting brandt en dat de remverlichting bij het remmen wordt ingeschakeld.
5.3.1.2 Daihatsu
Wij zien dat de Daihatsu om 23:45:44 uur het beeld komt in rijden over de hoofdrijbaan en rijdt in de richting van de plaats delict. Wij herkennen de contouren en verlichting van de Daihatsu ambtshalve en zien dat de dimverlichting werkt en is ingeschakeld.
(…)
6.1
Toedracht verkeersincident
De bestuurders van de Daihatsu en Mercedes naderde de plaats van het verkeersincident via de afrit van het Gelders Eind (N297), komende uit de richting Born en rijdende in de richting van de kruising met de Op De Baan (N276). De bestuurder van de Daihatsu rijdt met ingeschakelde dimverlichting en met een niet vast te stellen snelheid, in de richting van de verkeerslichten. De bestuurder van de Mercedes naderde de Daihatsu met snelheden tussen de 157 en 278 km/h. De Mercedes rijdt op het midden van de rijstrook, met een snelheid tussen de 175 en 184 km/h, in de linker achterzijde van de Daihatsu. Hierbij beschadigt de rechter voorband van de Mercedes en komt deze in een slip. De Mercedes gaat van links naar rechts over de voorsorteerstroken, gaat door een grasberm, komt in botsing met een lantaarnpaal, slipt over een ventweg en komt na circa 152 meter tot stilstand in een weiland met vee. De Daihatsu raakt tijdens de botsing zwaar beschadigd en wordt door de klap naar rechts gedrukt. Daarbij komt de Daihatsu in de grasberm ter hoogte van de bestuurderszijde in botsing met een lantaarnpaal. De Daihatsu gaat hierna over de kop en komt op de rechts gelegen ventweg tot stilstand. De bestuurder van Daihatsu raakt hierbij zwaar gewond.


3.3
Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 heeft het hof het volgende overwogen:
“De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe heeft zij, op gronden zoals nader verwoord in de pleitnota, in de kern aangevoerd dat geen sprake is van roekeloosheid zijnde de hoogste graad van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Er kan namelijk alleen worden vastgesteld dat de verdachte te hard heeft gereden. Van andere feiten en omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat sprake is van roekeloosheid, zoals de Hoge Raad dat in de jurisprudentie heeft omschreven, is geen sprake. Ook is het onvoldoende om aan te merken als een zeer onvoorzichtige en/of oplettende gedraging, zodat de verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs daarvan dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 14 september 2021 om 23:45 uur als bestuurder van een personenauto, type Mercedes Benz AMG C 63, voorzien van kenteken [kenteken 1] , reed op de Doctor Hub van Doorneweg te Born, gemeente Sittard-Geleen. Ter plaatse gold een snelheid van 80 kilometer per uur. Voordat de verdachte het kruispunt met de N279 naderde, heeft hij meerdere zogenoemde ‘donuts’ gedraaid. Na een aantal ‘donuts’ te hebben gedraaid, reed de verdachte verder en draaide hij ter hoogte van het Esso tankstation, gelegen aan de N297, opnieuw ‘donuts’. Naar aanleiding van deze waarnemingen en de daarbij behorende gevaarzetting stelden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de optische signalen van hun voertuig in werking. Op dat moment begon de verdachte het vermogen [A-G: ik begrijp de snelheid] van zijn motorvoertuig te verhogen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reden achter de Mercedes aan, maar de snelheid van de Mercedes was zo hoog dat de afstand tussen de Mercedes en de verbalisanten opliep tot ongeveer 500 meter. [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat ter hoogte van hectometerpaal 12.5A, zijnde de afrit Sittard, de remlichten van de Mercedes helder rood oplichtten. Direct hierna zagen zij stofwolken en brokstukken rondvliegen. Aangekomen bij hectometerpaal 12.5A zagen de verbalisanten verscheidene brokstukken op de weg liggen. Boven aan de afrit Sittard, gelegen aan de N297, bleek de Mercedes van de weg te zijn geraakt en in een weiland terecht te zijn gekomen. Hierbij was de verdachte door een afrastering gereden. Aangekomen bij de Mercedes zagen de verbalisanten dat de bestuurdersstoel leeg was. De auto van het slachtoffer, [slachtoffer] , werd in de buurt van de plek van het ongeval aangetroffen. Het slachtoffer werd door de hulpdiensten uit zijn auto gehaald.
Uit de camerabeelden van de kruising van de Doctor Hub van Doorneweg en de N297 volgt dat de verdachte om 23:45:37 uur in beeld komt rijden van de kruising. De verdachte remt en maakt een drietal ‘donuts’. De auto van het slachtoffer [slachtoffer] , een Daihatsu, komt om 23:45:44 uur het beeld in rijden over de hoofdrijbaan van de N297 en rijdt in de richting van de plaats waar later het ongeval plaatsvindt.
Uit het proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse volgt dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de afrit van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Gelders Eind (N297), gelegen buiten de bebouwde kom van Born. De bestuurder van de Mercedes naderde de Daihatsu met snelheden tussen de 157 en 278 kilometer per uur. De Mercedes reed op het midden van de rijstrook, met een snelheid tussen de 175 en 184 kilometer per uur in de linker achterzijde van de Daihatsu. Bij nader onderzoek aan het multimediasysteem van de Mercedes is vastgesteld dat met de Mercedes in de twee ritten voorafgaand aan het verkeersincident op dezelfde avond tussen 21:20 uur en 21:35 uur en tussen 23:12 uur en 23:16 uur meerdere keren met snelheden is gereden van tussen de 150 en 270 kilometer per uur.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep telkens verklaard dat hij in de avond van 14 september 2021 erg boos was en veel stress had. Hij heeft verklaard dat hij stoom wilde afblazen en daarom zogenoemde ‘donuts’ draaide op de kruising. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij bekend is met de verkeerssituatie ter plaatse en veel harder heeft gereden dan de maximale toegestane snelheid van 80 kilometer per uur. Toen de Daihatsu voor hem opdoemde, heeft hij geprobeerd de auto te ontwijken door hem links in te halen, terwijl de weg al was overgegaan in een eenbaansweg. De verdachte meende dat hij links kon inhalen. Hij raakte hierbij de Daihatsu, waardoor het ongeluk plaatsvond.
Het hof dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval met letsel tot gevolg, zoals omschreven in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).
Schuld in de zin van dit wetsartikel houdt in dat er sprake is van aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of er sprake is van dergelijke schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer er sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.
Per 1 januari 2020 is de “Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten” in werking getreden (Stb. 2019,413). Daarbij heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen uitbreiden. Daartoe is thans in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
Voor een bewezenverklaring van artikel 5a, eerste lid, WVW, moet het hof beoordelen of de verdachte met het uit de bewijsmiddelen blijkende rijgedrag (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. de verkeersregels
In artikel 5a WVW zijn gedragingen benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Het betreft geen limitatieve opsomming. Het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid wordt uitdrukkelijk in het eerste lid van het artikel onder g genoemd. Uit de verklaring van de verdachte en de meetresultaten van de politie blijkt dat verdachte de maximumsnelheid van 80 km/u fors heeft overschreden. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte de verkeersregel met betrekking tot de maximumsnelheid heeft overtreden. Ook heeft hij geprobeerd op een eenbaansweg links in te halen, wat als gevaarlijk inhalen kan worden aangemerkt.
b. in ernstige mate
Het in artikel 5a WVW vervatte verbod is beperkt tot gedragingen in het verkeer die bestaan in het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Uit de Memorie van Toelichting op dit wetsvoorstel leidt het hof af dat het gaat om een samenstel van gedragingen. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels. Dat het daarbij om één (type) gedraging zou kunnen gaan is dus niet uit te sluiten, maar ook dan zullen de aard en ernst van de overtreding (bij de vaststelling waarvan de herhaling of het voortduren ervan kunnen worden betrokken) in het licht van de overige feiten en omstandigheden in het concrete geval de conclusie moeten rechtvaardigen dat sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. In de memorie van toelichting bij artikel 5a WVW is opgenomen dat het voor een langere periode met een hoge snelheid rijden het schenden van een verkeersregel in ernstige mate kan opleveren.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de maximum snelheid zeer fors heeft overschreden. De verdachte heeft verklaard dat hij boos en gestrest was en daarom stoom moest afblazen. Hij is de auto in gestapt en heeft eerst een aantal donuts gedraaid en daarna “alleen maar gas gegeven”. De verdachte heeft vervolgens over een afstand van 1600 meter telkens snelheden tussen de 157 en 278 kilometer per uur gereden. Dit betreft een dusdanig grove snelheidsoverschrijding over een langere afstand dat, mede in aanmerking genomen dat de verdachte ook daaraan voorafgaand meerdere malen telkens de toegestane maximumsnelheid aanzienlijk heeft overschreden zoals volgt uit de datagegevens van het multimediasysteem van de Mercedes. Ook heeft hij op een eenbaansweg getracht links in te halen. Het hof van oordeel is dat verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden.
c. opzet
Uit de Nota naar aanleiding van het verslag volgt met betrekking tot het opzet onder meer het volgende. Het opzet van de verdachte moet zowel zijn gericht moet zijn op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn.
Het hof is van oordeel dat het in zeer ernstige mate overschrijden van de snelheid gedurende de afstand van 1600 meter (vanaf de kruising van de N297 tot aan het moment waarop het ongeluk plaatsvond) niet anders dan opzettelijk kan zijn gedaan. Immers, het is de verdachte geweest die voortdurend de forse overschrijding van de maximumsnelheid heeft gereden en de gehele rit heeft aangehouden. De verdachte heeft verklaard dat hij alleen maar gas aan het geven was. Verdachte heeft aldus willens en wetens het snelheidsvermogen van de auto opgevoerd door het gaspedaal in te drukken en daarmee opzet gehad op het schenden van de verkeersregels.
d. gevaar te duchten
Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
Het hof is van oordeel dat in dit geval het voorzienbaar was dat vanwege dit ernstig verkeersgevaarlijk gedrag zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar was te duchten. In zijn algemeenheid acht het hof het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan door het hiervoor beschreven rijgedrag op een autoweg met een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Het hof weegt hierin ook mee dat het ’s avonds laat was, het donker was, waardoor sprake was van verminderd zicht en extra oplettendheid was vereist ondanks de aanwezige straatverlichting. Dat maakt dat er extra risico ontstond voor de andere verkeersdeelnemers, die door slechter zicht mogelijk minder snel konden zien hoe hard de verdachte reed, waardoor ongelukken konden ontstaan. Er was naar het oordeel van het hof daardoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij de andere weggebruikers, maar ook bij de inzittenden van de auto van verdachte. Het [slachtoffer] heeft ook daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het door de verdachte gecreëerde gevaar is daarmee verwezenlijkt. Het hof acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere weggebruikers te duchten was.
Conclusie
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 5a WVW genoemde gedraging, namelijk het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid. Voorts heeft hij door links te willen inhalen op een eenbaansweg gevaarlijk ingehaald. Nu ook aan de overige bestanddelen van artikel 5a WVW is voldaan, is het verkeersgedrag van verdachte naar het oordeel van het hof aan te merken als roekeloos rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW.
Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde en het daarin opgenomen roekeloos rijgedrag bewezen en verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.”
4. Het middel
4.1
In het middel wordt geklaagd dat “het hof de bewezenverklaring ten aanzien van het bestanddeel ‘roekeloos’ ontoereikend heeft gemotiveerd (…)”. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht is gericht tegen het (“in de overwegingen van het hof besloten liggende”) oordeel van het hof dat de verdachte “opzettelijk heeft geprobeerd in te halen”. In de tweede deelklacht wordt betoogd dat het hof niet “op basis van de door het hof vastgestelde en in de bewezenverklaring betrokken snelheidsovertreding alleen al tot bewezenverklaring van roekeloosheid had kunnen komen.”
4.2
Voor de beoordeling van de twee deelklachten is het volgende van belang. Sinds de inwerkingtreding van de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten op 1 januari 2020 is de reikwijdte van het begrip ‘roekeloosheid’ uitgebreid. Aan art. 175 lid 2 WVW is sinds die datum als laatste volzin toegevoegd:
“2. (…) Van roekeloosheid is in elk geval sprake als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, kan worden aangemerkt.”
4.3
Art. 5a lid 1 WVW, eveneens ingevoerd per 1 januari 2020, luidt:
“1. Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt:
a. onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen;
b. gevaarlijk inhalen;
c. negeren van een rood kruis;
d. over een vluchtstrook rijden waar dit niet is toegestaan;
e. inhalen voor of op een voetgangersoversteekplaats;
f. niet verlenen van voorrang;
g. overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid;
h. zeer dicht achter een ander voertuig rijden;
i. door rood licht rijden;
j. tegen de verkeersrichting inrijden;
k. tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden;
l. niet opvolgen van verkeersaanwijzingen van daartoe op grond van deze wet bevoegde personen;
m. overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd.”
4.4
Met art. 5a WVW is in 2020 een nieuw misdrijf geïntroduceerd in de Wegenverkeerswet. De wetgever gaf daarmee uitvoering aan aanbevelingen uit onderzoeken van de Rijksuniversiteit Groningen en Intervict (Tilburg University). Met de invoering van art. 5a WVW wordt beoogd het grote verschil in strafmaximum weg te nemen tussen enerzijds gevaarlijk rijgedrag waarbij slachtoffers worden gemaakt en anderzijds hetzelfde gevaarlijke rijgedrag waarbij door gelukkig toeval of ingrijpen van anderen niemand letsel wordt toegebracht.2.Art. 5a WVW ziet op opzettelijk in ernstige mate schenden van verkeersregels waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van een ander in het leven wordt geroepen. Wat betreft de ernst van het delict, de mate van verwijtbaarheid en het strafmaximum neemt art. 5a de plaats in tussen de overtreding van art. 5 WVW en het misdrijf van art. 6 WVW, en vervult het – in de woorden van de wetgever – een “brugfunctie”.3.Het artikel is bedoeld voor een beperkt aantal zaken, te weten zaken waarin sprake is van zeer ernstig verkeersgedrag.4.Dergelijk verkeersgedrag kwalificeert de wetgever in art. 175 lid 2 WVW als roekeloos. Daarmee behoudt roekeloosheid in de context van de wegenverkeerswetgeving een specifieke betekenis, die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met hetgeen in het normale taalgebruik onder ‘roekeloos’ (in de zin van onberaden) moet worden verstaan.5.
4.5
In 2006 is het begrip ‘roekeloosheid’ in de Wegenverkeerswet geïntroduceerd als zwaarste vorm van culpa.6.Indien de schuld bestaat uit roekeloosheid, zijn de maximumstraffen voor de overtreding van art. 6 WVW dubbel zo hoog (vgl. art. 175 lid 1 en 2 WVW). De wetgever beoogde adequate bestraffing mogelijk te maken in gevallen waarin sprake is van “zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen.”7.In 2018 constateerde de wetgever dat de Hoge Raad hoge eisen stelde aan het bewijs van roekeloosheid, door het begrip te definiëren als een situatie waarin “door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.”8.Deze hoge bewijsdrempel had tot gevolg dat “roekeloosheid slechts bij kat-en-muisspellen, snelheidswedstrijden of koste wat kost vluchten voor de politie bewezen wordt verklaard.”9.De wetgever vond dat te beperkt en wilde terug naar de oorspronkelijk beoogde, ruimere reikwijdte van het begrip roekeloosheid en heeft daarom in art. 175 lid 2 WVW roekeloosheid gekoppeld aan de overtreding van art. 5a WVW.
4.6
Met deze koppeling heeft de wetgever nader willen expliciteren waarin roekeloosheid bij ernstige verkeersdelicten in elk geval bestaat en “dat zeer gevaarlijk rijgedrag dat de delictsomschrijving van artikel 5a WVW vervult, roekeloosheid in de zin van de wet oplevert.”10.De invulling van de delictsbestanddelen van art. 5a WVW is daarmee direct van belang voor het bewijs van art. 6 WVW. Overigens heeft de wetgever met de koppeling van art. 5a WVW aan roekeloosheid geen uitputtende beschrijving van het begrip roekeloosheid willen geven:11.
“Ter vermijding van misverstanden wil ik daarbij opmerken dat ik met de opmerking in de memorie van toelichting (p. 14) dat door het voorstel om overtreding van artikel 5a WVW 1994 aan te merken als roekeloosheid, een schuldvorm (roekeloosheid) mede door opzet wordt gedefinieerd, niet bedoeld heb te zeggen dat artikel 5a de definitie van roekeloosheid inhoudt. Het begrip roekeloosheid wordt door artikel 5a niet gedefinieerd; artikel 5a geeft alleen een omschrijving van gevallen waarin roekeloosheid in ieder geval [cursivering A-G] kan worden vastgesteld. Maar ook op grond van andere gedragingen, feiten en omstandigheden kan schuld in de zin van roekeloosheid worden aangenomen.”
4.7
Uit deze en andere passages uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat indien zeer gevaarlijk verkeersgedrag, dat kan worden gekwalificeerd als overtreding van art. 5a WVW, leidt tot een verkeersongeval waardoor een ander om het leven komt of zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, het bewijs van de zwaarste variant van culpa in de zin van art. 6 WVW lijkt te zijn gegeven. Op de vraag of dat daadwerkelijk het geval is, kom ik later terug. Eerst ga ik nader in op de delictsomschrijving van art. 5a WVW. Dit artikel bevat een (niet limitatieve) opsomming van verkeersovertredingen. Wanneer een dergelijke verkeersovertreding opzettelijk is begaan, daarmee de verkeersregels opzettelijk in ernstige mate zijn geschonden en een gevaar in het leven is geroepen, kan er sprake zijn van een strafbare gedraging als bedoeld in art. 5a WVW.
Het – in ernstige mate – schenden van verkeersregels
4.8
Eén van de voorwaarden voor strafbaarheid op grond van art. 5a WVW is het “in ernstige mate” schenden van de verkeersregels. De toepassing van het artikel is daarmee beperkt tot voldoende ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. In de memorie van toelichting is over het bestanddeel “in ernstige mate” te lezen:12.
“De gedachte achter de keuze voor in «in ernstige mate» is dat de bepaling beperkt moet zijn tot (voldoende) ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Bij het schenden van een verkeersregel in «ernstige mate» kan worden gedacht aan het meerdere malen negeren van een rood kruis, het meerdere keren rijden door rood licht, voor een langere periode met een hoge snelheid rijden, continu over een vluchtstrook blijven rijden, terwijl dat niet is toegestaan.
(…)
Het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels zal dan met name moeten worden afgeleid uit de feiten en omstandigheden die zicht bieden op de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft.
4.9
Uit deze passage kan worden afgeleid dat er sprake moet zijn van ófwel herhaaldelijke schendingen van verschillende verkeersregels ófwel van een herhaaldelijke schending of een langdurige schending van één en dezelfde verkeersregel. Hieruit volgt dat wanneer aan alle voorwaarden voor art. 5a is voldaan, ook een enkele overtreding voldoende kan zijn voor strafbaarheid op grond van art. 5a WVW.13.Dat wordt bevestigd door andere passages uit de memorie van toelichting:14.
“Het delict wordt volvoerd door in ieder geval een of meer [cursivering A-G] van de genoemde gedragingen te verrichten.”
en:
“Als is komen vast te staan dat verdachte een of meer verkeersovertredingen [cursivering A-G] heeft begaan waardoor zeer gevaarlijke situaties zijn ontstaan en bijgevolg door de verdachte onaanvaardbare risico’s zijn genomen, levert dat gedrag welhaast per definitie het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels op.”
4.10
Hieraan wordt nog toegevoegd dat de aard en ernst van de overtreding in het licht van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval de conclusie moeten kunnen rechtvaardigen dat sprake was van het ‘in ernstige mate’ schenden van de verkeersregels.15.Die conclusie behoeft dus niet alleen te zijn gebaseerd op de aard en de ernst van de overtreding op zichzelf. Het gaat om de aard en de ernst van het verkeersgedrag in de gegeven omstandigheden, waaronder de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers.16.In dat licht dienen ook de verwijzingen van de wetgever naar een “samenstel van gedragingen” te worden begrepen. Hoewel één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van art. 5a WVW, komt het bij de beoordeling van de andere bestanddelen, zoals opzet en ‘ernstige mate’, aan op alle gedragingen van de verdachte en alle omstandigheden van het geval. Daaronder zijn ook voorafgaande gedragingen van de verdachte begrepen.17.Ook in de rechtspraak van de Hoge Raad komt het voor dat één (gevaarlijke) gedraging voldoende wordt geacht voor het aannemen van roekeloosheid. In zijn arrest van 2 februari ECLI:NL:HR:2021:129, NJ 2021/90, m.nt. W.H. Vellinga liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand dat sprake was van roekeloosheid door het aan de handrem trekken van een auto die op dat moment 70 km/h reed.
Opzet
4.11
Voor een bewezenverklaring van art. 5a WVW is vereist dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Het opzet dient zowel te zijn gericht op i) het overtreden van een/de verkeersregel(s) als op ii) het in ernstige mate schenden daarvan.18.
4.12
De wetgever huldigt de opvatting dat een aantal van de in art. 5a WVW genoemde gedragingen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan. Genoemd worden overschrijding van de maximumsnelheid, zeer dicht achter een ander voertuig rijden en het vasthouden van een mobiele telefoon.19.Wat betreft de overschrijding van de maximumsnelheid kan daar anders over worden gedacht, omdat denkbaar is dat de bestuurder een verkeersbord heeft gemist of tijdelijk niet op zijn snelheidsmeter heeft gelet.20.Naarmate de snelheidsovertreding langer voortduurt of de maximumsnelheid in meer aanzienlijke mate wordt overschreden, zal opzet eerder in beeld komen.
4.13
De eis dat het opzet tevens dient te zijn gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels, is in de context van art. 5a WVW van doorslaggevende betekenis. Bij de beoordeling of sprake is van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten volgens de wetgever “de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen.”21.Uit alle omstandigheden van het geval moet kunnen worden afgeleid dat het verkeersgedrag van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht is geweest. De wetgever benadrukt dat het hierbij met name gaat om feiten en omstandigheden “die zicht bieden op de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft.”22.Het gaat om een zeer onverschillige en gevaarlijke houding.23.Daarbij zal het doorgaans gaan om gedragingen gedurende één en dezelfde rit. Onder omstandigheden kunnen echter ook gedragingen in ogenschouw worden genomen die hebben plaatsgevonden in een rit die onderbroken is geweest.24.
4.14
Vellinga heeft in 2019 opgemerkt dat “[b]ewijs van voorwaardelijk opzet (…) veelal [zal] afstuiten op de overweging dat de verdachte ook zelf groot gevaar heeft gelopen en het niet voor de hand ligt dat hij dat gevaar willens en wetens heeft aanvaard.” Hij wijst daarbij op het welbekende Porsche-arrest.25.Ik meen dat deze bewijsproblematiek zich in de meeste gevallen van art. 5a WVW niet voor doet, omdat in deze strafbaarstelling het opzet – zoals hierna nog wordt toegelicht – niet op het ontstane gevaar hoeft te zien. Met Vellinga meen ik echter dat dit anders ligt voor de specifiek in art. 5a lid 1 onder b WVW genoemde gedraging ‘gevaarlijk inhalen’. Wil komen vast te staan dat sprake is van opzettelijk gevaarlijk inhalen, dan zal de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans moeten hebben aanvaard dat door zijn inhaalmanoeuvre gevaar ontstond. En dan kan het Porsche-arrest een rol spelen, hetgeen in mijn optiek betekent dat als er aanwijzingen zijn dat de verdachte gevaar wil voorkomen (hij keert terug naar zijn eigen wegstrook als er een tegenligger aankomt), die aanwijzingen een contra-indicatie zijn voor het aanvaarden van de aanmerkelijke kans op gevaar.
Gevaarzetting
4.15
Voor de overtreding van art. 5a WVW is vereist dat sprake is van te duchten levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. Daarmee is beoogd aan te sluiten bij de formulering van de gemeengevaarlijke delicten zoals brandstichting (art. 157 Sr).26.Het te duchten gevaar is een geobjectiveerd bestanddeel, dat wil zeggen een bestanddeel dat is onttrokken aan het te bewijzen schuldverband, in casu het opzet.27.Uit de bewijsvoering moet wel volgen dat het bedoelde gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. De gevaarzetting kan uit objectieve omstandigheden worden afgeleid, zoals de aard en ernst van de rijgedragingen, de locatie en het tijdstip, de weersomstandigheden en de (potentiële28.) aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers en medepassagiers.29.
4.16
Het feit dat de gevaarzetting is geobjectiveerd en dus aan het te bewijzen opzet is onttrokken, terwijl het opzet wel gericht dient te zijn op het ‘in ernstige mate’ schenden van de verkeersregels, heeft in de literatuur tot kritiek geleid. Vellinga en ook Ter Haar en Hornman hebben betoogd dat het antwoord op de vraag of de verkeersregels door de verdachte opzettelijk in ernstige mate zijn geschonden, (vooral) zal worden bepaald door het gevaar dat daardoor voor anderen wordt veroorzaakt.30.
De verkeersgedragingen: gevaarlijk inhalen en overschrijding maximumsnelheid (art. 5a lid 1, aanhef en onder b en g, WVW)
4.17
In de onderhavige zaak heeft het hof voor de bewezenverklaring van overtreding van art. 6 WVW betekenis toegekend aan twee specifieke verkeersovertredingen, te weten het gevaarlijk inhalen en het overschrijden van de maximumsnelheid. Om die reden ga ik op deze plaats in meer algemene zin in op het bewijs van beide verkeersgedragingen in de context van art. 5a WVW.
4.18
Wat betreft overschrijding van de maximumsnelheid als bedoeld in art. 5a lid 1, aanhef en onder g, WVW, lijkt de wetgever het oog te hebben gehad op aanzienlijke snelheidsoverschrijdingen waardoor veiligheidsrisico’s voor anderen ontstaan. Als de overschrijding van de maximumsnelheid beperkt is te noemen en wel enig gevaar met zich brengt, lijkt handhaving via art. 5 WVW meer voor de hand te liggen.31.Sterker, de wetgever merkte op dat “[h]et voorgestelde artikel 5a (…) niet [is] bedoeld voor de enkele (aanzienlijke) snelheidsovertreding, maar voor de strafbaarstelling van de weggebruiker die zonder acht te slaan op de veiligheid en risico’s voor anderen, zich volstrekt onverantwoordelijk in het verkeer gedraagt.”32.De vaststelling dat veel te hard wordt gereden in de buurt van andere weggebruikers, kan bijdragen aan de onderbouwing van een bewezenverklaring van overtreding van artikel 5a WVW.33.
4.19
In de wetsgeschiedenis is niet nader gespecificeerd wat wordt verstaan onder ‘gevaarlijk inhalen’. Het gevaarlijk inhalen is geen nieuw begrip in de WVW. Gevaarlijk inhalen – en overigens ook het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid – was vóór de wetswijziging van 1 januari 2020 (sinds 1 februari 2006) als strafverzwarende omstandigheid opgenomen in art. 175 lid 3 WVW. Wanneer de schuld mede bestond uit één of meer van de daar genoemde strafverzwarende omstandigheden, kon de straf met de helft worden verhoogd. Het gevaarlijk inhalen is, tezamen met het bumperkleven en het niet verlenen van voorrang, in het wetsvoorstel dat onder meer leidde tot invoering van het begrip roekeloosheid – bij amendement – toegevoegd aan art. 175 lid 3 WVW (oud).34.In de toelichting op het amendement wordt geen uitleg gegeven over het begrip ‘gevaarlijk inhalen’. Het ligt echter voor de hand om bij de interpretatie van dit begrip aansluiting te zoeken bij het gevaarsbegrip uit art. 5 WVW, waar met ‘gevaar’ wordt gedoeld op de reële mogelijkheid van schade voor personen of goederen op de weg.35.
4.20
In de feitenrechtspraak zijn als “gevaarlijk inhalen” als bedoeld in art. 5a WVW onder meer aangemerkt het meermalen met een hoge snelheid slingerend inhaalmanoeuvres verrichten,36.het bij het inhalen overschrijden van een doorgetrokken streep37., het inhalen in een onoverzichtelijke bocht en op een helling,38.het rechts inhalen,39.het inhalen met een (zeer) groot snelheidsverschil,40.het inhalen via een voorsorteervak terwijl deze wegstrook te kort was om de inhaalmanoeuvre af te maken41.en het inhalen waardoor een bestuurder van een tegemoetkomend voertuig krachtig moest afremmen om een aanrijding te voorkomen42.. Wat betreft de vraag of bij gevaarlijk inhalen sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels zal de mate waarin andere verkeersdeelnemers hun gedrag naar aanleiding van de inhaalmanoeuvre hebben moeten aanpassen een rol kunnen spelen.43.
Art. 5a WVW in de cassatierechtspraak
4.21
Tot op heden is art. 5a WVW éénmaal aan de orde geweest in cassatie. In een arrest van 14 mei 2024 ging het om meerdere verkeersovertredingen, te weten het negeren van een stopteken, het over de vluchtstrook rijden en daarbij meerdere voertuigen rechts inhalen en het meermalen i) van rijstrook wisselen zonder richting aan te geven, ii) overschrijden van de maximumsnelheid (circa 200 tot 220 km/h waar maximaal 130 km/h toegestaan was), iii) zeer dicht achter een ander voertuig rijden en daarbij lichtsignalen geven en iv) abrupt van rijstrook wisselen tussen twee voertuigen terwijl de afstand tussen die voertuigen te klein was.44.In cassatie werd geklaagd over de (motivering van de) bewezenverklaring van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels, het opzet daarop en de voorzienbaarheid van het gevaar. Overeenkomstig de conclusie van A-G Paridaens verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep met een aan art. 81 RO ontleende motivering. Uit deze zaak kan niet worden gedestilleerd waar de ondergrens van art. 5a WVW (en daarmee ook de ondergrens van roekeloosheid) ligt, aangezien het hier ging om een hele reeks gevaarlijke verkeersmanoeuvres over een afstand van zeven kilometer.
De invulling van het begrip roekeloosheid door de Hoge Raad
4.22
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is van roekeloosheid sprake indien zodanige feiten en omstandigheden zijn vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.45.De cassatierechter hanteerde de lijn dat de enkele vaststelling dat sprake was van gedrag genoemd in art. 175 lid 3 WVW (oud) (dus: een ernstige overschrijding van de maximumsnelheid, bumperkleven, geen voorrang verlenen of gevaarlijk inhalen), doorgaans niet volstond voor de bewezenverklaring van roekeloosheid.46.Hieraan ligt ten grondslag i. dat roekeloosheid, ook in de visie van de wetgever, is bedoeld voor uitzonderingsgevallen en ii. dat de strafverzwarende omstandigheden uit art. 175 lid 3 WVW (oud) niet automatisch tweemaal strafverzwarend zouden moeten werken, namelijk zowel via art. 175 lid 3 WVW (oud) als via de kwalificatie als roekeloosheid (art. 175 lid 2 WVW (oud)).47.
4.23
Per 1 januari 2020 is een aantal gedragingen geschrapt uit art. 175 lid 3 WVW, zodat die niet meer als strafverzwarende omstandigheid gelden. Het gaat om het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid, het zeer dicht achter een ander voertuig rijden, het geen voorrang verlenen en het gevaarlijk inhalen. Deze gedragingen zijn opgenomen in art. 5a lid 1, onder b, f, g en h, WVW, zodat deze gedragingen “door de rechtstreekse koppeling met artikel 5a WVW onderdeel [kunnen] uitmaken van het begrip roekeloosheid”48.en op die wijze via art. 175 lid 2 WVW tot strafverhoging kunnen leiden. Omdat diezelfde gedragingen niet tevens meer tot strafverhoging via art. 175 lid 3 WVW leiden, vervalt het bezwaar van de dubbele strafverzwaring als argument om roekeloosheid (mede) in te vullen aan de hand van voornoemde gedragingen.49.Hoewel met deze wetswijziging in theorie de weg voor de Hoge Raad open ligt om een culpoze variant van deze gedragingen te betrekken bij het oordeel dat sprake is van roekeloosheid, moet het er voor worden gehouden dat de wetgever dat niet heeft gewild. In art. 5a WVW is immers niet voor niets geëist dat de genoemde verkeersovertredingen opzettelijk zijn begaan.
4.24
De introductie van art. 5a WVW in art. 175 lid 2 WVW betekent echter niet dat het criterium van roekeloosheid, zoals door de Hoge Raad in zijn arresten van 15 oktober 2013 geformuleerd (zie randnr. 4.22), overbodig is geworden. De wetgever heeft immers geen definitie – laat staan een uitputtende – willen geven van het begrip roekeloosheid. De invoering van art. 5a WVW noopt ook niet tot een aanpassing c.q. versoepeling van het door de Hoge Raad geformuleerde criterium. Een ‘buitengewoon onvoorzichtige gedraging’ is niet een strengere formulering te noemen dan een ‘opzettelijke begane verkeersovertreding waardoor het stelsel van verkeersregels opzettelijk in ernstige mate wordt geschonden’. Wel omvat culpa in de zin van art. 6 WVW, en daarmee ook roekeloosheid, een aanvullend vereiste dat niet in art. 5a WVW is terug te vinden. Anders dan in art. 5a WVW is het gevaar in art. 6 WVW niet geobjectiveerd. Culpa in de zin van art. 6 WVW impliceert dat de verdachte zich bewust was of had moeten zijn van het gevaar dat hij veroorzaakte.50.
4.25
Wanneer de roekeloosheid via de band van art. 5a WVW in een op art. 6 WVW gebaseerde tenlastelegging is opgenomen, is voor een bewezenverklaring van die roekeloosheid ten minste vereist dat wordt bewezen dat:
1. de verdachte schuld heeft aan het ongeval en in het bijzonder dat hij kon en behoorde te voorzien dat zijn gedrag tot het verkeersongeval kon leiden;
2. dat de schuld van de verdachte zijn grondslag vindt in het opzettelijk in ernstige mate schenden van het stelsel van verkeersregels, en
3. dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander was te duchten.
4.26
De bovengenoemde factoren brengen mee dat de rechter voor de bewezenverklaring van roekeloosheid niet kan volstaan met het vaststellen van een overtreding van art. 5a WVW. De feitenrechter kan wat dat betreft zijn voordeel doen met het criterium van de Hoge Raad waarin wordt geëist dat de verdachte zich bewust was of had moeten zijn van het zeer ernstige gevaar wat door zijn buitengewoon onvoorzichtige gedraging in het leven is geroepen.
4.27
In de feitenrechtspraak wordt in veel gevallen51.niet expliciet getoetst of de verdachte schuld heeft aan het ongeval. De feitenrechter pleegt (al dan niet na overwegingen over de causaliteit) direct over te gaan tot toetsing van art. 5a WVW.52.
4.28
Overigens meen ik dat in veel gevallen waarin een verdachte art. 5a WVW heeft overtreden, ook zal kunnen worden gezegd dat de verdachte zich bewust had moeten zijn van de gevaren die zijn ontstaan door het verkeersgedrag.53.
De tenlastelegging: toespitsen op roekeloosheid op grond van art. 5a WVW?
4.29
Terug naar de onderhavige zaak. Blijkens zijn bewijsoverwegingen is het hof tot bewezenverklaring van roekeloosheid gekomen op grond van een overtreding van art. 5a WVW. De tenlastelegging dwong daar niet toe. De tenlastelegging is immers sec toegesneden op art. 6 WVW. Als gevolg van deze inrichting van de tenlastelegging worden ook in de bewezenverklaring de feitelijke gedragingen – kort gezegd de snelheidsovertreding en de uitwijkmanoeuvre – niet als art. 5a WVW-gedragingen gekwalificeerd. In eerste aanleg heeft de officier van justitie blijkens het proces-verbaal van de zitting van 20 juni 2022 betoogd dat de gedragingen van de verdachte tevens onder artikel 5a WVW vallen. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal het hof verzocht om de vaststellingen van de rechtbank te volgen, “ook voor wat betreft het opzet van de verdachte dat gericht was op het schenden van de verkeersregels en op het in ernstige mate schenden van die regels.”
4.30
In de wetsgeschiedenis is over de vormgeving van de tenlastelegging opgemerkt dat bij een tenlastelegging van art. 6 WVW het “niet fataal [behoeft] te zijn als een element uit de omschrijving van artikel 5a WVW 1994 niet in de tenlastelegging is verwerkt”, aangezien het bestanddeel roekeloosheid ook een zelfstandige betekenis heeft en niet beperkt is tot overtreding van art. 5a WVW.54.
4.31
In de onderhavige zaak is de tenlastelegging toegesneden op art. 6 jo art. 175 WVW. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring gebezigde term ‘roekeloos’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in art. 175 lid 2 WVW. Op grond van art. 6 jo art. 175 jo art. 5a WVW is van roekeloosheid “in elk geval” sprake als het gedrag tevens als een overtreding van art. 5a WVW kan worden aangemerkt. In de tenlastelegging is nader gespecifieerd waaruit het roekeloze gedrag van de verdachte feitelijk heeft bestaan. Voor de verdachte is dan ook voldoende duidelijk welk verwijt hem wordt gemaakt, ondanks het feit dat de tenlastelegging niet expliciet is toegespitst op art. 6 jo art. 5a WVW.55.
4.32
Dat neemt echter niet weg, zoals hierna bij de bespreking van de eerste deelklacht blijkt, dat het overnemen van de delictsbestanddelen van art. 5a WVW in de tenlastelegging wel kan voorkomen dat de feitelijke gedragingen niet overeenkomen met de delictsbestanddelen van art. 5a WVW en daardoor niet als roekeloos kunnen worden gekwalificeerd.56.
Bespreking van het middel
4.33
In het middel wordt geklaagd dat het hof de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘roekeloos’ ontoereikend heeft gemotiveerd. Ik meen dat, gelet op arresten over vergelijkbare gedragingen, kan worden betwijfeld of het samenstel van gedragingen in onderhavige zaak vóór de invoering van art. 5a WVW als roekeloos kon worden aangemerkt.57.Dat is met de invoering van art. 5a WVW evenwel anders. Omdat de gedragingen expliciet als verkeersovertreding in het artikel worden genoemd, komen aan deze gedragingen – gelet op art. 175 lid 2, laatste volzin WVW – onmiskenbaar betekenis toe voor het aannemen van roekeloosheid.58.Voorts kan nog worden gewezen op de wetsgeschiedenis bij de introductie van het begrip ‘roekeloosheid’, aangezien de wetgever in 2018/2019 expliciet naar die wetsgeschiedenis en het op die plaats omschreven begrip ‘roekeloosheid’ verwijst.59.In de wetsgeschiedenis uit 2001/2002 werd benadrukt dat het “veel te hard rijden” mag worden betrokken bij de beoordeling van de mate van schuld. De vaststelling dat veel te hard is gereden legt veel gewicht in de schaal en “onder deze omstandigheden is al snel sprake van roekeloosheid”.60.
De eerste deelklacht
4.34
In de eerste deelklacht wordt geklaagd over het oordeel dat sprake is van het “opzettelijk” gevaarlijk trachten in te halen. In de toelichting wordt naar voren gebracht dat uit de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep (bewijsmiddel 1), “veeleer [spreekt] dat [de verdachte] dusdanig plotseling met de Daihatsu kort vóór de door hem bestuurde Mercedes werd geconfronteerd dat een aanrijding niet viel te voorkomen.” Omdat het hof de verklaring van de verdachte op dit punt niet heeft weerlegd, is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
4.35
Allereerst merk ik op dat, zoals ook volgt uit de passage over de vormgeving van de tenlastelegging, in de tenlastelegging de verkeersmanoeuvre ten aanzien van de Daihatsu niet als “gevaarlijk inhalen” (zoals bedoeld in art. 5a lid 1, onder b, WVW) is omschreven. Bewezen is verklaard dat de verdachte “een in dezelfde richting als hem (…) rijdend motorrijtuig van achter is genaderd en daarbij niet heeft gelet op de weg voor hem en (vervolgens) de snelheid van het door hem bestuurde motorrijtuig niet tijdig heeft verminderd en niet behoorlijk is uitgeweken”. Uit de bewijsoverwegingen blijkt dat het hof deze uitwijkmanoeuvre als ‘gevaarlijk inhalen’ in de zin van art. 5a WVW heeft aangemerkt. Het hof heeft immers overwogen:
“Ook heeft hij geprobeerd op een eenbaansweg links in te halen, wat als gevaarlijk inhalen kan worden aangemerkt.”
en:
“Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 5a WVW genoemde gedraging, namelijk het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid. Voorts heeft hij door links te willen inhalen op een eenbaansweg gevaarlijk ingehaald. Nu ook aan de overige bestanddelen van artikel 5a WVW is voldaan, is het verkeersgedrag van verdachte naar het oordeel van het hof aan te merken als roekeloos rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW.”
4.36
Zoals in randnr. 4.14 uiteengezet, dient het opzet niet alleen te zijn gericht op het inhalen, maar ook op het gevaarlijk inhalen. Bewijsoverwegingen over het vereiste opzet op de inhaal- dan wel uitwijkmanoeuvre ontbreken. Het hof heeft noch onder het kopje ‘c. opzet’ noch in een andere overweging expliciet overwogen uit welke feiten en omstandigheden het hof het opzet heeft afgeleid. De vaststelling dat de verdachte links heeft willen inhalen is daartoe onvoldoende. Voorts meen ik dat het opzet niet volgt uit de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen kan immers niet worden afgeleid op welke wijze de verdachte de uitwijkmanoeuvre heeft uitgevoerd. Uit de verklaringen van de verbalisanten in de patrouillewagen, zoals die voor het bewijs zijn gebruikt, volgt dat zij de uitwijkmanoeuvre van de verdachte niet hebben gezien. Er wordt slechts gesproken over het rood oplichten van de remlichten (bewijsmiddel 2 en 3) en het van rechts naar links over de rijbaan switchen van deze remlichten (bewijsmiddel 3). Uit de VOA-rapportage (bewijsmiddel 6) volgt enkel dat de Mercedes in de linker achterzijde van de Daihatsu is gereden. Daar komt bij dat de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 1), zoals de steller van het middel betoogt, eerder wijst op een culpoze manoeuvre. De verdachte heeft immers verklaard dat hij de achterlichten van de Daihatsu “ineens” zag en dat hij dacht dat hij er links voorbij kon. Het hof heeft over deze verklaring overwogen dat de verdachte, toen de Daihatsu voor hem opdoemde, heeft geprobeerd de auto te ontwijken door hem links in te halen en dat hij meende dat hij links kon inhalen. Deze als bewijsmiddel opgenomen verklaring – en de uitleg die het hof daaraan heeft gegeven; de verdachte heeft verklaard dat hij meende dat hij er links voorbij kon – duiden eerder op een verkeerde inschatting dan op het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat er gevaar ontstond.
4.37
Het hof is wel uitgebreid ingegaan op het in zeer ernstige mate overschrijden van de snelheid. Het hof is van oordeel dat die snelheidsoverschrijding niet anders dan opzettelijk kan zijn gedaan. Dit heeft het hof afgeleid uit het feit dat het ging om een forse snelheidsoverschrijding, die gedurende de hele rit (over een afstand van 1600 m) heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft de verdachte verklaard dat hij alleen maar gas aan het geven was. Met de steller van het middel meen ik dat uit voornoemde feiten en omstandigheden ten aanzien van de snelheidsoverschrijding niet zonder meer kan worden afgeleid dat ook het niet tijdig snelheid verminderen en het niet behoorlijk uitwijken opzettelijk heeft plaatsgevonden. Hoewel uit de jurisprudentie van de Hoge Raad zou kunnen worden afgeleid dat het opzettelijk veel te hard rijden als anterieur opzet dan wel dolus in causa zou kunnen worden meegewogen in de bewezenverklaring van het opzet op het niet tijdig snelheid verminderen en niet behoorlijk uitwijken,61.heeft het hof er geen blijk van gegeven een dergelijke redenering te hebben gevolgd.
4.38
De eerste deelklacht is terecht voorgesteld. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden, omdat ik meen dat ook zonder het gevaarlijk inhalen als bedoeld in art. 5a lid 1, aanhef en onder b, WVW de bewezenverklaring van roekeloosheid als bedoeld in art. 6 jo 175 lid 2 jo 5a WVW voldoende is gemotiveerd. Dit licht ik hierna toe.
Bespreking tweede deelklacht
4.39
In de tweede deelklacht wordt geklaagd dat, wanneer ervan uit wordt gegaan dat het oordeel dat sprake is van het opzettelijk trachten in te halen onvoldoende is gemotiveerd, het enkele feit dat sprake is van de vastgestelde snelheidsovertreding onvoldoende is voor de bewezenverklaring van roekeloosheid. Volgens de steller van het middel geldt dit des te meer “omdat het hof aan het samenstel van gedragingen gewicht toekent bij de beoordeling of er sprake is van roekeloos rijgedrag”.
4.40
Zoals hiervoor onder randnr. 4.9 en 4.10 uiteen is gezet kan een enkele verkeersovertreding voldoende zijn voor een bewezenverklaring van art. 5a WVW (mits is voldaan aan de overige delictsbestanddelen). Voor zover de steller van het middel beoogt te klagen dat sprake moet zijn van schending van meerdere verkeersregels, gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting.
4.41
Voor zover in het middel wordt geklaagd dat de roekeloosheid onvoldoende is gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is, geldt het volgende. Uit de bewijsoverwegingen volgt dat het hof het hof de roekeloosheid heeft aangenomen op grond van een overtreding van art. 5a WVW. Het hof heeft het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid door de verdachte aangemerkt als een gedraging als bedoeld in art. 5a lid 1 onder g Sv. Het hof heeft verder vastgesteld dat:
i) de verdachte aan het begin van de rit, voor de N297 en op de N297, meerdere ‘donuts’ heeft gedraaid;
ii) de verdachte de maximumsnelheid in zeer ernstige mate heeft overschreden, door te rijden met snelheden tussen de 157 en 278 km/h over een afstand van 1600 m;
iii) de verdachte ook op de afrit, die deels uit een eenbaansweg bestond, de maximumsnelheid heeft overschreden en op dat wegvlak de Daihatsu met een snelheid tussen de 175 en 184 km/h is genaderd en heeft aangereden;
iv) de verdachte heeft verklaard dat hij boos en gestrest was, hij alleen maar gas aan het geven was en dat hij veel harder heeft gereden dan de maximale toegestane snelheid van 80 km/h.
4.42
Ik stel voorop dat het het hof vrij stond al deze feiten en omstandigheden mee te wegen bij de vraag of sprake was van een overtreding van art. 5a WVW en roekeloosheid, ook al zijn sommige van deze feiten en omstandigheden niet tenlastegelegd en bewezenverklaard,62.in tegenstelling tot hetgeen de steller van het middel lijkt te suggereren door te stellen dat het draaien van ‘donuts’ niet bewezen is verklaard. Ook het feit dat het opzet op de inhaalmanoeuvre onvoldoende is gemotiveerd, maakt niet dat het feit dat de omstandigheid zoals omschreven onder iii) niet mee kan worden gewogen bij het oordeel dat met het opzettelijk overschrijden van de maximumsnelheid sprake is van het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels waardoor gevaar was te duchten.
4.43
Ik meen dat het oordeel van het hof dat onder de gegeven omstandigheden sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels niet onbegrijpelijk is. In de memorie van toelichting, zoals hiervoor onder randnr. 4.8 aangehaald, wordt “voor een langere periode met een hoge snelheid rijden” als voorbeeld genoemd van het “in ernstige mate” overschrijden van verkeersregels. In deze zaak gaat het om een zeer forse snelheidsoverschrijding op een 80 km/h weg én op een afrit die deels bestaat uit een eenbaansweg. Op die eenbaansweg waren geen uitwijkmogelijkheden en zijn dergelijke grote snelheidsoverschrijdingen des te ernstiger. Daarbij, zoals ook in de wetsgeschiedenis wordt benadrukt, kan de algehele instelling van de verdachte over zijn wijze van deelname aan het verkeer een rol spelen bij de vraag of sprake is van het in ernstige mate overschrijden van de verkeersregels. In dat licht moeten de overwegingen van het hof over het feit dat de verdachte boos en gestrest was, stoom wilde afblazen en alleen maar gas aan het geven was, worden gelezen. Dat het niet anders kan zijn dat de verdachte opzet heeft gehad op zowel de snelheidsoverschrijding als het in ernstige mate schenden van de verkeersregels, is in het licht van bovengenoemde omstandigheden niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Tot slot is het oordeel dat in zijn algemeenheid voorzienbaar was dat er een zeer gevaarlijke situatie kon ontstaan door het hiervoor beschreven rijgedrag op een 80 km/h weg niet onbegrijpelijk.
4.44
Ik kom tot een afronding en concludeer dat het middel faalt. Het oordeel van het hof dat sprake is van overtreding van art. 5a WVW getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. In het middel wordt niet geklaagd over het feit dat met de overtreding van art. 5a WVW, anders dan de wetgever met art. 175 lid 2 WVW heeft beoogd, niet automatisch sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 6 WVW, omdat altijd ook nog moet worden bewezen dat de verdachte kon en behoorde te voorzien dat zijn gedrag tot het verkeersongeval kon leiden. Voor de volledigheid merk ik op dat ik meen dat het bewijs van dit onderdeel van culpa besloten ligt in de bewijsvoering van het hof. In de vaststellingen over de zeer ernstige snelheidsovertreding op een 80 km/h weg over een langere afstand, onder meer op een afrit die bestond uit een eenbaansweg, en de verklaring van de verdachte dat hij alleen maar gas aan het geven was, ligt besloten dat de verdachte kon en moest voorzien dat een verkeersongeluk zou kunnen plaatsvinden.
5. Slotsom
5.1
Het middel faalt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑07‑2024
Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 3, p. 1-2 en 5-6; Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 6, p. 6. De maximale vrijheidsstraf voor art. 6 WVW varieert van 3 jaar gevangenisstraf tot maximaal 9 jaar (art. 175 WVW), terwijl de maximale vrijheidsstraf voor art. 5 WVW 6 maanden hechtenis bedraagt (art. 177 lid 1 WVW). De maximale vrijheidsstraf voor het nieuw ingevoerde art. 5a WVW is 2 jaar gevangenisstraf (art. 176 lid 1 WVW).
Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 3, p. 15. In zoverre sluit de wetgever aan bij de benadering van de Hoge Raad. Zie bijvoorbeeld HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1656, NJ 2015/301 (Filefuik), rov. 2.3.2.
HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25, m.nt. N. Keijzer, rov. 4.5; HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1552, NJ 2014/29, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.3; HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3045, NJ 2015/14, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.3; HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2482, NJ 2015/404, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.5; HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:829, NJ 2019/359, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4; HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:129, NJ 2021/90, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 3.3.
Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 3, p. 8. Overigens wordt op een later moment in de memorie van toelichting (p. 14) geschreven dat “zeer gevaarlijk rijgedrag dat de delictsomschrijving van artikel 5a WVW vervult, roekeloosheid in de zin van de wet kan [cursivering A-G] opleveren.” Gelet op de imperatieve wettekst van art. 175 lid 2 WVW en de rest van de wetsgeschiedenis ga ik ervan uit dat de wetgever wel degelijk heeft bedoeld dat de enkele overtreding van art. 5a WVW zonder meer met zich brengt dat sprake is van roekeloosheid. Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 6, p. 15, waarin wordt herhaald dat “de voorgestelde toevoeging aan artikel 175, tweede lid, WVW, erin voorziet dat een overtreding van artikel 5a als roekeloosheid wordt aangemerkt”, en p. 19.
Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 3, p. 11-12.
Deze interpretatie komt ook tot uitdrukking in de feitenrechtspraak, waarin de veroordeling voor art. 5a WVW is gebaseerd op één verkeersovertreding. Zie bv rechtbank Noord-Holland 8 augustus 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7751; rechtbank Gelderland 29 maart 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:1766; hof Amsterdam 30 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1198.
Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 3, p. 11-12; A.E. Harteveld en R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 68-69; J.P. Cnossen, ‘De invulling van roekeloosheid via artikel 5a WVW; een analyse van de feitenrechtspraak’, DD 2024/29. Anders: W.H. Vellinga, ‘Aanscherping van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor ernstige verkeersdelicten’, VR 2019/20; T. Blom, ‘Roekeloosheid opnieuw beoordeeld’, DD 2020/30; R. ter Haar en M.J. Hornman, ‘Het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Artikel 5a WVW als effectief wapen tegen de wegpiraat?’, NTS 2021/1; H.M. van Maurik, ‘Roekeloos rijgedrag – een nieuwe strafbaarstelling in het verkeersstrafrecht’, AA 2020/2.
Zie ook conclusie A-G Paridaens voorafgaand aan HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:694 (art. 81 RO), onderdeel 8, met verwijzing naar Harteveld en R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 70-71.
De Hoge Raad hanteert de woorden ‘samenstel van gedragingen’ in dezelfde zin. Zie bijvoorbeeld HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:959, NJ 2014/27, N. Keijzer, rov. 3.7.
Vgl. W.H. Vellinga, ‘Aanscherping van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor ernstige verkeersdelicten’, VR 2019/20; T. Blom, ‘Roekeloosheid opnieuw beoordeeld’, DD 2020/30; Harteveld en R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 72.
Kamerstukken II 2019/20, 35 086, nr. C, p. 5.
HR 15 oktober 1996, NJ 1997/199, m.nt. A.C. ’t Hart; W.H. Vellinga, ‘Aanscherping van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor ernstige verkeersdelicten’, VR 2019/20.
Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 3, p. 12; Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 6, p. 11 en 15.
Zie Kamerstukken II 2019/20, 35 086, nr. C, p. 3. Vgl. ook HR 21 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:78, NJ 2020/75, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 3.3.
Vellinga meent dat de ernst van het schenden van de verkeersregels veelal zal worden ontleend “aan de mate van gevaar waarmee deze gepaard gaan. In zoverre zal het opzet toch op het veroorzaken van gevaar gericht moeten zijn, zij het mogelijk in wat abstractere vorm dan concreet levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander.” Zie W.H. Vellinga, ‘Aanscherping van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor ernstige verkeersdelicten’, VR 2019/20.
W.H. Vellinga, ‘Aanscherping van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor ernstige verkeersdelicten’, VR 2019/20; R. ter Haar en M.J. Hornman, ‘Het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels’, NTS 2021/1. Zie ook conclusie A-G Paridaens voorafgaand aan HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:694 (art. 81 RO), onderdeel 8 (met verwijzing naar R. ter Haar en M.J. Hornman, ‘Het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels’, NTS 2021/1, p. 24).
Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 6, p. 13. Zie ook Kamerstukken II 2019/20, 35 086, nr. C, p. 4, waarin wordt opgemerkt: “Te hard rijden, hoe ongewenst en onverantwoordelijk ook, is daarvoor op zichzelf in het algemeen onvoldoende.”
Harteveld en R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 46-51.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 oktober 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6094.
Rechtbank Den Haag 27 januari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:744.
Hof Den Bosch 29 april 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1679.
Rechtbank Den Haag 23 oktober 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11894.
Rechtbank Overijssel 6 november 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:4398.
Rb Noord-Nederland 26 april 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1715.
Rb Zeeland-West-Brabant 6 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2298.
W.H. Vellinga, ‘Aanscherping van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor ernstige verkeersdelicten’, VR 2019/20.
HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:694 (art. 81 RO).
HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25, m.nt. N. Keijzer, rov. 4.5; HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1552, NJ 2014/29, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.3; HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3045, NJ 2015/14, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.3; HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2482, NJ 2015/404, m.nt. N. Keijzer, rov. 2.5; HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:829, NJ 2019/359, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.4; HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:129, NJ 2021/90, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 3.3.
HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:960, NJ 2014/25, m.nt. N. Keijzer, rov. 4.5; HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3045, NJ 2015/14, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.3; HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1656, NJ 2015/301, rov. 2.3.2; HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2414, NJ 2017/426 m.nt. N. Rozemond, rov. 3.3.
V. van den Brink, ‘Ernstige verkeersongevallen en het moeilijke werk van de rechter’, Trema 2018/3; R. ter Haar en M.J. Hornman, ‘Het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Artikel 5a WVW als effectief wapen tegen de wegpiraat?’, NTS 2021/1.
V. van den Brink, ‘Ernstige verkeersongevallen en het moeilijke werk van de rechter’, Trema 2018/3; R. ter Haar en M.J. Hornman, ‘Het opzettelijk in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Artikel 5a WVW als effectief wapen tegen de wegpiraat?’, NTS 2021/1.
W.H. Vellinga, ‘Aanscherping van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor ernstige verkeersdelicten’, VR 2019/20; Hoofdwegen, p. 128; J.P. Cnossen, ‘De invulling van roekeloosheid via artikel 5a WVW; een analyse van de feitenrechtspraak’, DD 2024/29.
Cnossen constateert dat dit in 29 van de 122 onderzochte uitspraken het geval was. J.P. Cnossen, ‘De invulling van roekeloosheid via artikel 5a WVW; een analyse van de feitenrechtspraak’, DD 2024/29.
Zie bijvoorbeeld rechtbank Oost-Brabant 19 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:6046, rechtbank Den Haag 21 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13727 en rechtbank Noord-Holland 27 juni 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:6445. Voorbeelden van een volledige toetsing zijn rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2163 en rechtbank Amsterdam 30 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3050.
Vgl. ook Harteveld en R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 129.
Vgl. HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2823, NJ 2013/16, rov. 3.4.
Vgl. F.A.J. Koopmans, Het Beslissingsmodel van 348/350 Sv, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 62-63.
Vgl. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:962, NJ 2014/26, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.6 en HR 1 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:773, NJ 2014/269, m.nt. N. Rozemond, rov. 3.6.
Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 3, p. 15; Harteveld en R. Robroek, Hoofdwegen door het verkeersrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 130.
Kamerstukken II 2001/02, 28 484, nr. 3, p. 12-13.
Vgl. HR 17 februari 2004, HR:2004:AN9360, NJ 2004/323, rov. 3.5; A.A. van Dijk, Opzet, kans en keuzes. Een analyse van doodslag in het verkeer, Zutphen: Uitgeverij Paris 2017, p 273-279; C. Kelk en F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 278.
Vgl. HR 4 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2823, NJ 2013/16, rov. 3.4; Kamerstukken II 2018/19, 35 086, nr. 3, p. 11-12.
Beroepschrift 22‑12‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE EEN MIDDEL VAN CASSATIE
Inzake: [verdachte]/O.M.
[verdachte], requirant van cassatie van een te zijnen aanzien gewezen arrest van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 28 februari 2023 (parketnummer: 20-001521-22).
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, E. Maessen, advocaat te Maastricht, die verklaart tot ondertekening en indiening van onderhavige schriftuur bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie, heeft de eer aan uw Hoge Raad voor te dragen, het navolgende:
Middel van cassatie
I
Schending van het recht, in het bijzonder van art. 359 leden 2 en 3 jo. art. 415 lid 1 Sv en/of verzuim van vormen waarvan het niet naleven nietigheid meebrengt, doordat het Hof de bewezenverklaring ten aanzien van het bestanddeel ‘roekeloos’ ontoereikend heeft gemotiveerd door te oordelen dat requirant opzettelijk gevaarlijk heeft ingehaald c.q. opzettelijk gevaarlijk heeft geprobeerd in te halen.
Toelichting:
I.1
Het Hof heeft onder feit 1 ten laste van requirant bewezen verklaard dat (arrest, p. 3):
‘hij op 14 september 2021 te Born, in de gemeente Sittard-Geleen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, het Gelders Eind (N297) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, welke gedragingen roekeloos waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, heeft gereden met een snelheid tussen ongeveer 175 en 184 kilometer per uur, en (daarbij) een in dezelfde richting als hem, verdachte, rijdend motorrijtuig van achter is genaderd en daarbij niet heeft gelet op de weg voor hem en (vervolgens) de snelheid van het door hem bestuurde motorrijtuig niet tijdig heeft verminderd en niet behoorlijk is uitgeweken om een aanrijding met eerder genoemd motorrijtuig, met als bestuurder voornoemde [slachtoffer], te voorkomen, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen verdachtes motorrijtuig en dat andere motorrijtuig.’
I.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (arrest, p. 4–11):
- 1.
De verklaring van requirant, afgelegd ter terechtzitting van het Hof d.d. 14 februari 2023, voor zover inhoudende:
‘Het klopt dat ik op 14 september 2021 te Born op de N297 veel te hard heb gereden, terwijl je daar maximaal 80 kilometer per uur mag rijden. Ik weet dat ik te hard reed. Ik dacht dat ik ongeveer 150 tot 160 kilometer per uur reed. Het klopt ook dat ik daar in botsing ben gekomen met een ander motorrijtuig waarvan [slachtoffer] de bestuurder was. Ik had op die dag veel stress en ik was boos. Ik wilde stoom afblazen. Ik dacht niet na en ik heb toen op de weg vóór de N297 meerdere donuts gedraaid. Daarna ben ik de N297 op gereden. De weg ging over naar een eenbaansweg. Toen zag ik ineens de achterlichten van de Daihatsu. Ik dacht dat ik er links voorbij kon. Ik reed er tegenop. De 1600 meter tussen de plaats waar ik de donuts heb gedraaid tot de plaats van het ongeval heb ik opgetrokken. Het klopt dat ik bij mijn verhoor bij de politie heb verklaard dat ik alleen maar gas aan het geven was.’
- 2.
Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2021 (pg. 27–34), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
‘(pagina 27)
Op 14 september 2021 omstreeks 23:15 uur was ik, [verbalisant 1], samen met mijn Duitse collega [verbalisant 2] gezamenlijk op patrouille, op de N297 (Gelders Eind) te Born. Wij, verbalisanten, stonden op het fietspad gelegen aan de kruising van de N297 (Gelders Eind) en de Doctor Hub van Doorneweg ter hoogte van hectometerpaal 11.0R. Ter plaatse geldt een maximale snelheid van 80 kilometer per uur.
Op 15 september 2021 [het hof begrijpt: 14 september 2021] omstreeks 23:45 uur zien wij, verbalisanten, een personenauto, type Mercedes-Benz AMG C 63, zwart van kleur en voorzien van Nederlands kenteken [kenteken 1] rijden op de Doctor Hub van Doorneweg en rijden in de richting van de kruising aan de N297 (Gelders Eind). Ongeveer 30 meter voordat voornoemd voertuig bij de kruising arriveert zien wij dat deze personenauto op de lek om zijn as begint te draaien, zijnde zogenaamde ‘donuts’. Ik bedoel hiermee dat de bestuurder de motor hoog in de toeren jaagt en met volle kracht de frictie van de achterwielen met het asfalt verbreekt waardoor de wielen doordraaien en spinnen. Door het frictieverlies en de wrijving van de banden op het asfalt rookten de achterbanden heftig. Doordat de bestuurder zijn stuur instuurde en de achterwielen naar grip zochten en rookten, draaide deze rondjes op het asfalt wat ook wel ‘donuts’ genoemd wordt. Na een aantal ‘donuts’ zien wij dat voornoemde bestuurder met zijn voertuig richting het midden van de kruising gelegen aan de N297 (Gelders Eind) en de Doctor Hub van Doorneweg rijden. Hier zien wij, verbalisanten, dat voornoemd voertuig wederom ‘donuts’ begint te draaien midden op de kruising gelegen op de N297 (Gelders Eind) te hoogte
(pagina 28)
van het Esso tankstation. Op 14 september 2021 te 23:46 heb ik, [verbalisant 1], in verband met voornoemde waarnemingen en de daarbij behorende gevaarszettingen (‘donuts’) mijn optische signalen inwerking gesteld van mijn onopvallend dienstvoertuig. Op het moment zien wij dat de bestuurder van de voornoemde Mercedes-Benz AMG het vermogen van zijn motorrijtuig begint te verhogen. Doordat de bestuurder vol gas geeft verliezen de achterbanden wederom frictie en beginnen te roken. Hierdoor hoorden wij de banden piepen. Tevens zagen wij dat de achterzijde van het voertuig uitbrak van links naar rechts. Hierbij maakte de Mercedes zijdelingse bewegingen met de achterzijde van 1 meter naar 1 meter naar links en krachtig accelereerde.
(pagina 29)
Vanwege het direct wegrijden was het voor ons, verbalisanten, niet mogelijk om een stopteken te geven aan voornoemd bestuurder van het voertuig. Daar het voertuig ongeveer 200 meter voor ons reed hebben wij onze snelheid verhoogd om dichter bij het voertuig te komen. Hierbij zagen wij dat het voertuig zeer snel bij ons weg reed en de afstand vergrootte tot ongeveer 500 meter. Gezien de snelheid van de voornoemde Mercedes was het voor ons niet mogelijk om dichterbij te komen daar de Mercedes dusdanig krachtig accelereerde. Gedurende de rit heb ik alleen maar krachtig geaccelereerd. Ik bedoel hiermee dat ik maximaal snelheid heb opgebouwd over een afstand van 1,5 kilometer over de N297. Hierdoor schat ik dat mijn gereden snelheid op het piekmoment ongeveer 150 à 160 km/h was waar 80 km/h is toegestaan. Gezien het feit hoe snel de voornoemde Mercedes bij ons weg reed schat ik de door de bestuurder gereden snelheid op 200 km/h. Toen wij ongeveer ter hoogte van hectometerpaal 12.IR reden zagen wij ter hoogte van hectometerpaal 12.5A, zijnde de afrit Sittard, de remlichten helder rood oplichten. Direct hierna zagen wij stofwolken en brokstukken rond vliegen.
(pagina 30)
Eenmaal aangekomen ter hoogte van hectometerpaal 12.5A zien wij verscheidene brokstukken op de weg liggen. Boven aan de afrit Sittard, gelegen aan de N297, rijden wij naar rechts de N276 op. Hier zien wij direct aan onze rechterzijde dat voornoemde Mercedes-Benz AMG van de weg is geraakt en in een weiland terecht is gekomen. Hierbij is de bestuurder door de afrastering gereden. Aangekomen bij de personenauto zien wij dat de bestuurdersstoel leeg is. Op de bijrijdersstoel zit een voor ons onbekende manspersoon en links achterin zit een voor ons onbekende vrouw.
(pagina 31)
Ik, [verbalisant 1], zag verlichting schijnen vanaf de afrit Sittard gelegen aan de N297. Deze verlichting was waarschijnlijk afkomstig van een personenauto. Aangekomen zag ik een voor mij onbekende personenauto liggen op het fietspad, gelegen aan de afrit Sittard, gelegen aan de N297. Ik zag 3 manspersonen staan om het zwaar beschadigde voertuig. In dit zwaar beschadigde voertuig, type Daihatsu Cuore, rood van kleur en voorzien van Nederlands kenteken [kenteken 2], zit een voor mij onbekende manspersoon. Ik hoor de onbekende manspersoon op de bestuurdersstoel hard schreeuwen van pijn. Ik zie dat de onbekende manspersoon onder het bloed zit. Later blijkt in het voertuig een manspersoon te zitten die bekend is onder de personalia:
Naam: [slachtoffer]
Voornaam: [slachtoffer]
Geboortedatum: [geboortedatum] 2001
(pagina 32)
Tijdens het onderzoek naar de bestuurder van voornoemde Mercedes-Benz AMG is er een verdachte in beeld gekomen die mogelijk het voornoemde voertuig bestuurde tijdens de achtervolging.
Het zou hierbij gaan om:
Naam: [verdachte]
Voornaam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1988
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Op de Grote Dries 38 te Holtum is de verdachte [verdachte] op 15 september 2021 te 01:05 uur aangehouden. waarvan een persoon met ontbloot bovenlichaam. Deze persoon [het hof begrijpt: de verdachte] probeerde zich bij het zien van de politie te verstoppen onder het voertuig. Teven[s] bleek dat de verdachte:
- —
een ontbloot bovenlijf had
(pagina 33)
- —
bezweet was
- —
linker hand bebloed
- —
broek en schoenen onder de modder’
- 3.
Een ander geschrift, inhoudende een vertaling proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2022 (niet doorgenummerd), voor zover inhoudende een vertaling van een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 september 2021 (pg. 36–39), opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2]:
‘Op 14-0[9]-2021 omstreeks 23:50 uur was de gezamenlijke civiele patrouille KMAR/Bundespolizei aanwezig bij tankstation Langere[w]eg bij Born (Nederland). Daar zagen de betreffende ambtenaren op de tegenover gelegen parkeerplaats een DB Mercedes AMG C83, die daar ‘donuts’ draaide. De patrouilledienst nam het besluit om het voertuig te controleren, maar op dat moment reeds de DB [het hof begrijpt: Mercedes AMG C83] de N297 op (autoweg) en maakte ‘donuts’ direct vóór het dienstvoertuig van de marechaussee. Ondergetekende heeft toen het zwaailicht op het dak van het civiele voertuig geplaatst. Meteen sloeg de Mercedes op de vlucht richting Sittard. Hierbij versnelde de chauffeur van de DB zo heftig, dat de achterklep voortdurend losraakte. De patrouilleauto zette de vervolging in. Op dat moment was de DB Mercedes al ca. 200 meter van de patrouilleauto verwijderd. Er waren alleen nog enigszins de achterlichten te zien van de personenauto. De patrouilledienst zag plotseling dat de remlichten van de DB gingen oplichten en van rechts naar links over de rijbaan switchten. Op dat moment was de Mercedes alweer veel verder weggereden en reed nu ca. 500 tot 600 meter vóór de patrouilleauto van de marechaussee. In het licht van het tegemoetkomende verkeer zag me plotseling dat vermoedelijk voertuigonderdelen door de lucht vlogen. Toen de betreffende patrouille de plaats bereikte, werden plastic onderdelen op de rijbaan gevonden. Pas nadat de afslag was genomen, zag ondergetekende de Mercedes AMG recht in het weiland. De patrouilleauto stopte en liep naar de personenauto. Het portier aan de chauffeurskant van de personenauto was open. In het voertuig zat een man op de bijrijdersstoel en achter links een vrouw. Ondergetekende bleef bij de beide personen en de Nederlandse collega zocht in het nabijgelegen terrein naar de chauffeur van de personenauto. Hierbij werd ca. 150 vóór de plaats van het ongeval een rode ongeval auto op het fietspad gezien. Blijkbaar was dit voertuig door de DB AMG aangereden en vervolgens over de rijbaan op het fietspad geslingerd.’
- 4.
Een proces-verbaal van verhoor d.d. 20 november 2021 (pg. 281–282), voor zover inhoudende als verklaring van slachtoffer [slachtoffer]:
‘(pagina 281)
Ik kan u vertellen dat ik niks meer weet van de aanrijding. Ik weet dat ik weg gereden ben bij mijn vriend. Van de dag van de aanrijding 14 september 2021 tot 21 september 2021 ben ik in het ziekenhuis opgenomen geweest. Mijn letstel [het hof begrijpt: letsel] is: gebroken linker heup, gebroken linker oogkas, gebroken linker sleutelbeen en hersenschudding. Op 29 september 2021 ben ik nog eens geopereerd aan mijn oogkast [het hof begrijpt: oogkas]. Vanaf 30 september 2021 heb ik gekluisterd aan een rolstoel tot 15 oktober 2021. Ik heb 2x per week fysiotherapie. Ik ben fysiek beperkt. Volledig herstel is volgens de fysiotherapeut mogelijk, maar duurt minimaal een jaar.’
- 5.
Een aanvraagformulier medische informatie d.d. 9 november 2021 (pg. 277), voor zover inhoudende als verklaring van arts dr. J. Verbrugggen:
‘Medische informatie betreffende:
Achternaam: [slachtoffer]
Voornamen: [slachtoffer]
Geboortedatum: [geboortedatum] 2001
Geslacht: man
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Adres: [a-straat 01]
Woonplaats: [postcode] [a-plaats]
I.
Omschrijving van het letsel
B.
Is er een vermoeden van een niet uitwendig waarneembaar letsel? Bekkenbreuk, sleutelbeenbreuk, breuk van de oogkas.’
- 6.
Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse (VOA) met bijlagen, BPS nummer: 21-070000, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], afgesloten d.d. 25 oktober 2021 (pg. 1–45), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten:
‘(pagina 1)
1. Algemeen
Wij, [verbalisant 3] en [verbalisant 4], werkzaam bij het team verkeersongevallen analyse van de Brigade Recherche van de Koninklijke Marechaussee, verklaren het volgende:
1.1. Verzoeker
Op 15 september 2021, omstreeks 00:00 uur, hebben wij van het aansturingsorgaan van de Koninklijke Marechaussee, melding ontvangen van een verkeersincident met zwaar lichamelijk letsel, op de Provincialeweg N297 gelegen in de gemeente Born.
(pagina 6)
2.2. Wegsituatie
Het verkeersincident heeft plaatsgevonden op de afrit van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Gelders Eind (N297) ter hoogte van hectometerpalen 12,5a en 12,6a, gelegen buiten de bebouwde kom van Born. De wettelijke toegestane maximumsnelheid betrof ter plaatse 80 km/h.
2.2.1. Afwijkende verkeersmaatregelen
Wij zagen geen afwijkende maatregelen die mogelijk een rol kunnen hebben gespeeld bij het ontstaan en de toedracht van het verkeersincident.
2.2.2. Onderhoud weg
Wij zagen geen bijzonderheden met betrekking tot het onderhoud van de weg die mogelijk een rol kunnen hebben gepeeld bij het ontstaan en de toedracht van het verkeersincident.
(pagina 7)
2.2.3. Tijdelijke omstandigheden
Wij zagen geen tijdelijke omstandigheden, die mogelijk een rol kunnen hebben gespeeld bij het ontstaan en de toedracht van het verkeersincident.
2.3. Aangetroffen situatie
2.3.1. Situatie bij aankomst
Wij waren omstreeks 02:30 uur ter plaatse en constateerden het volgende:
- •
wij zagen een rood kleurige personenauto van het merk Daihatsu type Cuore voorzien van het kenteken [kenteken 2], gezien vanuit de rijrichting Born richting de landsgrens met Duitsland, aan de rechterzijde van de weg op de ventweg staan;
- •
wij zagen dat de linker achterzijde van de Daihatsu ernstig was gedeformeerd;
- •
wij zagen over het gehele wegvlak een beeld van sporen en puin uitlopend over de weg, grasberm en ventweg, in de richting van een weiland nabij de kruising met de Provincialeweg N276;
- •
wij zagen ter hoogte van de kruising met de Provincialeweg N276, aan de rechterzijde van de weg in een weiland, een zwart kleurige personenauto van het merk Mercedes Benz type AMG C63 voorzien van het kenteken [kenteken 1] staan;
- •
wij zagen dat de Mercedes aan de rechtervoorzijde was beschadigd;
- •
wij zagen op de rechtervoorzijde van de Mercedes rood kleurige lakresten;
- •
wij zagen op het wegdek sporen die passen ij het eerste contact tussen beide voertuigen en hebben dit gebied aangemerkt als conflictzone;
(pagina 38)
4. Snelheidsbepaling
4.1. Snelheid Mercedes
Om tot een vaststelling van de gereden snelheid van de Mercedes te komen, vóór en tijdens het verkeersincident, is door ons onderzoek gedaan naar eventueel opgeslagen GPS posities en gereden snelheden in het multimediasysteem.
4.1.1. Veiligstellen multimediasysteem
Op 5 oktober 2021 werd het multimediasysteem uit de Mercedes gedemonteerd.
4.1.3. Snelheidsbepalingen verkeersincident
Nadat de digitale gegevens uit het multimediasysteem waren veiliggesteld zijn deze door ons onderzocht. Wij zagen dat er meerdere GPSlogs met gereden snelheden aanwezig waren rond het tijdstip van het verkeersincident. De weergegeven gemiddeld gereden snelheden zijn bepaald op basis van de afstand tussen de GPS posities en de tijd waarin deze afstand is afgelegd. In de bijlage III is een overzicht te zien van de afgelegde route mét gereden snelheden vóór en tijdens de aanrijding met de Daihatsu.
(pagina 39)
4.1.4. Snelheidsbepaling avond van verkeersincident
Op verzoek van de verzoeker en in overleg met Officier van Justitie Rob van Dartel hebben wij eveneens de gereden snelheden onderzocht van de laatste twee ritten vóór het verkeersincident. Dit betreft de rit tussen 21:20:37 uur en 21:35:30 uur, en de rit tussen 23:12:27 uur en 23:16:47 uur. Wij zagen hierbij dat de Mercedes tijdens deze ritten meermaals én langdurig snelheden heeft gereden van tussen de 150 en 270 km/h.
(pagina 40)
5.3. Camerabeelden
Op 20 september 2021 ontving ik, [verbalisant 3], de camerabeelden welke waren veilig gesteld bij het bedrijf VDL Nedcar. De beelden tonen een kruising gelegen op een afstand van ongeveer 1600 meter vóór de conflictzone. De beelden zijn, op basis van de systeemtijd van de camera, opgenomen op 14 september 2021 tussen 23:45:27 uur en 23:47:10 uur. De voor ons onderzoek relevante gegevens op de beelden zullen hieronder worden beschreven.
5.3.1.1. Mercedes
Wij zien dat de Mercedes om 23:45:47 uur het beeld in komt rijden, remt en een drietal ‘donuts’ maakt. De bedoeling bij het maken van een donut is het laten uitbreken van een voertuig en daarbij in een zo kort mogelijke draaicirkel een ronde te draaien wat resulteert in een tekening op de weg gelijkend op een donut. Wij zien tijdens het maken van deze ‘donuts’ enkele vuurvonken ter hoogte van de achterbanden. Wij zien dat de dimverlichting brandt en dat de remverlichting bij het remmen wordt ingeschakeld.
5.3.1.2. Daihatsu
Wij zien dat de Daihatsu om 23:45:44 uur het beeld komt in rijden over de hoofdrijbaan en rijdt in de richting van de plaats delict. Wij herkennen de contouren en verlichting van de Daihatsu ambtshalve en zien dat de dimverlichting werkt en is ingeschakeld.
(pagina 43)
6.1. Toedracht verkeersincident
De bestuurders van de Daihatsu en Mercedes naderde de plaats van het verkeersincident via de afrit van het Gelder Eind (N297), komende uit de richting Born en rijdende in de richting van de kruising met de Op De Baan (N276). De bestuurder van de Daihatsu rijdt met ingeschakelde dimverlichting en met een niet vast te stellen snelheid, in de richting van de verkeerslichten. De bestuurder van de Mercedes naderde de Daihatsu met snelheden tussen de 157 en 278 km/h. De Mercedes rijdt op het midden van de rijstrook, met een snelheid tussen de 175 en 184 km/h, in de linker achterzijde van de Daihatsu. Hierbij beschadigd de rechter voorband van de Mercedes en komt deze in een slip. De Mercedes gaat van links naar rechts over de voorsorteerstroken, gaat door een grasberm, komt in botsing met een lantaarnpaal, slipt over een ventweg en komt na circa 152 meter tot stilstand in een weiland met vee. De Daihatsu raakt tijdens de botsing zwaar beschadigd en wordt door de klap naar rechts gedrukt. Daarbij komt de Daihatsu in de grasberm ter hoogte van de bestuurderszijde in botsing met een lantaarnpaal. De Daihatsu gaat hierna over de kop en komt op de rechts gelegen ventweg tot stilstand. De bestuurder van Daihatsu raakt hierbij zwaar gewond.
Bijlage IV — Datagegevens multimediasysteem ongeval A
B
40
14-9-2021 23:46:51.017
97.3 mph (156.6 kph)
41
14-9-2021 23:46:54.217
288.5 mph (464.3 kph)
42
14-9-2021 23:46:56.117
110.7 mph (178.1 kph)
43
14-9-2021 23:47:01.116
116.4 mph (187.3 kph)
44
14-9-2021 23:47:04.017
98 mph (157.7 kph)
45
14-9-2021 23:47:06.017
148.8 mph (239.5 kph)
46
14-9-2021 23:47:08.517
172.8 mph (278.1 kph)
47
14-9-2021 23:47:09.817
151.5 mph (243.7 kph)
48
14-9-2021 23:47:15.017
114.1 mph (183.6 kph)
49
14-9-2021 23:47:16.717
109 mph (175.5 kph)
Bijlage V — Datagegevens multimediasysteem ritten vóór ongeval A
B
Rit twee
139
14-9-2021 23:13:26.203
89.4 mph (143,8 kph)
140
14-9-2021 23:13:27.203
41.9 mph (228.4 kph)
141
14-9-2021 23:13:28:603
5.6 mph (121.7 kph)
A
B
Rit twee
151
14-9-2023 23:14:12.603
79.8 mph (128.4 kph)
152
14-9-2023 23:14:14:604
92.2 mph (148.4 kph)
153
14-9-2023 23:14:17.104
107.2 mph (172.5 kph)
154
14-9-2023 23:14:21.804
119.5 mph (192.3 kph)
155
14-9-2023 23:14:25.504
105.6 mph (170 kph)
156
14-9-2023 23:14:27.804
110.7 mph (178.1 kph)
157
14-9-2023 23:14:35.404
125.4 mph (201.8 kph)
158
14-9-2023 23:14:36.804
126.5 mph (203.6 kph)
159
14-9-2023 23:14:40.405
119.3 mph (192 kph)
160
14-9-2023 23:14:42.105
117.3 mph (188.7 kph)
161
14-9-2023 23:14:47.105
129.6 mph (208.5 kph)
162
14-9-2023 23:14:50.505
128.9 mph (207.4 kph)
163
14-9-2023 23:15:00.105
127.5 mph (205.2 kph)
164
14-9-2023 23:15:06.205
126 mph (202.8 kph)
165
14-9-2023 23:15:09.005
118.2 mph (190.2 kph)
166
14-9-2023 23:15:11.905
100.8 mph (162.3 kph)
167
14-9-2023 23:15:15.805
69.3 mph (111.6 kph)’
I.3
Ten aanzien van de bewezenverklaring heeft het Hof voorts het volgende overwogen (arrest, p. 11–14):
‘De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe heeft zij, op gronden zoals nader verwoord in de pleitnota, in de kern aangevoerd dat geen sprake is van roekeloosheid zijnde de hoogste graad van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Er kan namelijk alleen worden vastgesteld dat de verdachte te hard heeft gereden. Van andere feiten en omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat sprake is van roekeloosheid, zoals de Hoge Raad dat in de jurisprudentie heeft omschreven, is geen sprake. Ook is het onvoldoende om aan te merken als een zeer onvoorzichtige en/of [on]oplettende gedraging, zodat de verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs daarvan dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 14 september 2021 om 23:45 uur als bestuurder van een personenauto, type Mercedes Benz AMG C 63, voorzien van kenteken [kenteken 1], reed op de Doctor Hub van Doorneweg te Born, gemeente Sittard-Geleen. Ter plaatse gold een snelheid van 80 kilometer per uur. Voordat de verdachte het kruispunt met de N279 naderde, heeft hij meerdere zogenoemde ‘donuts’ gedraaid. Na een aantal ‘donuts’ te hebben gedraaid, reed de verdachte verder en draaide hij ter hoogte van het Esso tankstation, gelegen aan de N297, opnieuw ‘donuts’. Naar aanleiding van deze waarnemingen en de daarbij behorende gevaarzetting stelden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de optische signalen van hun voertuig in werking. Op dat moment begon de verdachte het vermogen van zijn motorvoertuig te verhogen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] reden achter de Mercedes aan, maar de snelheid van de Mercedes was zo hoog dat de afstand tussen de Mercedes en de verbalisanten opliep tot ongeveer 500 meter. Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat ter hoogte van hectometerpaal 12.5A, zijnde de afrit Sittard, de remlichten van de Mercedes helder rood oplichtten. Direct hierna zagen zij stofwolken en brokstukken rondvliegen. Aangekomen bij hectometerpaal 12.5A zagen de verbalisanten verscheidene brokstukken op de weg liggen. Boven aan de afrit Sittard, gelegen aan de N297, bleek de Mercedes van de weg te zijn geraakt en in een weiland terecht te zijn gekomen. Hierbij was de verdachte door een afrastering gereden. Aangekomen bij de Mercedes zagen de verbalisanten dat de bestuurdersstoel leeg was. De auto van het slachtoffer, [slachtoffer], werd in de buurt van de plek van het ongeval aangetroffen. Het slachtoffer werd door de hulpdiensten uit zijn auto gehaald.
Uit de camerabeelden van de kruising van de Doctor Hub van Doorneweg en de N297 volgt dat de verdachte om 23:45:37 uur in beeld komt rijden van de kruising. De verdachte remt en maakt een drietal ‘donuts’. De auto van het slachtoffer [slachtoffer], een Daihatsu, komt om 23:45:44 uur het beeld in rijden over de hoofdrijbaan van de N297 en rijdt in de richting van de plaats waar later het ongeval plaatsvindt.
Uit het proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse volgt dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de afrit van de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Gelders Eind (N297), gelegen buiten de bebouwde kom van Born. De bestuurder van de Mercedes naderde de Daihatsu met snelheden tussen de 157 en 278 kilometer per uur. De Mercedes reed op het midden van de rijstrook, met een snelheid tussen de 175 en 184 kilometer per uur in de linker achterzijde van de Daihatsu. Bij nader onderzoek aan het multimediasysteem van de Mercedes is vastgesteld dat met de Mercedes in de twee ritten voorafgaand aan het verkeersincident op dezelfde avond tussen 21:20 uur en 21:35 uur en tussen 23:12 uur en 23:16 uur meerdere keren met snelheden is gereden van tussen de 150 en 270 kilometer per uur.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep telkens verklaard dat hij in de avond van 14 september 2021 erg boos was en veel stress had. Hij heeft verklaard dat hij stoom wilde afblazen en daarom zogenoemde ‘donuts’ draaide op de kruising. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij bekend is met de verkeerssituatie ter plaatse en veel harder heeft gereden dan de maximale toegestane snelheid van 80 kilometer per uur. Toen de Daihatsu voor hem opdoemde, heeft hij geprobeerd de auto te ontwijken door hem links in […] te halen, terwijl de weg al was overgegaan in een eenbaansweg. De verdachte meende dat hij links kon inhalen. Hij raakte hierbij de Daihatsu, waardoor het ongeluk plaatsvond.
Het hof dient de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval met letsel tot gevolg, zoals omschreven in artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW).
Schuld in de zin van dit artikel houdt in dat er sprake is van aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of er sprake is van dergelijke mate van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer er sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.
Per 1 januari 2020 is de ‘Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten’ in werking getreden (Stb. 2019, 413). Daarbij heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen uitbreiden. Daartoe is thans in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
Voor een bewezenverklaring van artikel 5a, eerste lid, WVW, moet het hof beoordelen of de verdachte met het uit de bewijsmiddelen blijkende rijgedrag (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. de verkeersregels
In artikel 5a WVW zijn gedragingen benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Het betreft geen limitatieve opsomming. Het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid wordt uitdrukkelijk genoemd in het eerste lid van het artikel onder g genoemd. Uit de verklaring van de verdachte en de meetresultaten van de politie blijkt dat verdachte de maximumsnelheid van 80 km/u fors heeft overschreden. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte de verkeersregel met betrekking tot de maximumsnelheid heeft overtreden. Ook heeft hij geprobeerd op een eenbaansweg links in te halen, wat als gevaarlijk inhalen kan worden aangemerkt.
b. in ernstige mate
Het in artikel 5a WVW vervatte verbod is beperkt tot gedragingen in het verkeer die bestaan in het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Uit de Memorie van Toelichting op dit wetsvoorstel leidt het hof af dat het gaat om een samenstel van gedragingen. Volgens de wetgever gaat het bij ernstig verkeersgevaarlijk gedrag bijvoorbeeld om het meerdere keren of gedurende langere tijd schenden van een verkeersregel, of het schenden van meerdere verkeersregels. Dat het daarbij om één (type) gedraging zou kunnen gaan is dus niet uit te sluiten, maar ook dan zullen de aard en de ernst van de overtreding (bij de vaststelling waarvan de herhaling of het voortduren ervan kunnen worden betrokken) in het licht van de overige feiten en omstandigheden in het concrete geval de conclusie moeten rechtvaardigen dat sprake was van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. In de memorie van toelichting bij artikel 5a WVW is opgenomen dat het voor een langere periode met een hoge snelheid rijden het schenden van een verkeersregel in ernstige mate kan opleveren.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat […] de verdachte de maximum snelheid zeer fors heeft overschreden. De verdachte heeft verklaard dat hij boos en gestrest was en daarom stoom moest afblazen. Hij is de auto in gestapt en heeft eerst een aantal donuts gedraaid en daarna ‘alleen maar gas gegeven’. De verdachte heeft vervolgens over een afstand van 1600 meter telkens snelheden tussen de 157 en 278 kilometer per uur gereden. Dit betreft een dusdanig grove snelheidsovertreding over een langere afstand dat, mede in aanmerking genomen dat de verdachte ook daaraan voorafgaand meerdere malen telkens de toegestane maximumsnelheid aanzienlijk heeft overschreden zoals volgt uit de datagegevens van het multimediasysteem van de Mercedes. Ook heeft hij op een eenbaansweg getracht links in te halen. Het hof [is] van oordeel […] dat verdachte de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden.
c. opzet
Uit de Nota naar aanleiding van het verslag volgt met betrekking tot het opzet onder meer het volgende. Het opzet van de verdachte moet zowel zijn gericht […] op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die verkeersregel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn.
Het hof is van oordeel dat het in zeer ernstige mate overschrijden van de snelheid gedurende de afstand van 1600 meter (vanaf de kruising van de N297 tot aan het moment waarop het ongeluk plaatsvond) niet anders dan opzettelijk kan zijn gedaan. Immers, het is de verdachte geweest die voortdurend de forse overschrijding van de maximumsnelheid heeft gereden en de gehele rit heeft aangehouden. De verdachte heeft verklaard dat hij alleen maar gas aan het geven was. Verdachte heeft aldus willens en wetens het snelheidsvermogen van de auto opgevoerd door het gaspedaal in te drukken en daarmee opzet gehad op het schenden van de verkeersregels.
d. gevaar te duchten
Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
Het hof is van oordeel dat in dit geval het voorzienbaar was dat vanwege dit ernstig verkeersgevaarlijk gedrag zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar was te duchten. In zijn algemeenheid acht het hof het voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie kan ontstaan door het hiervoor beschreden rijgedrag op een autoweg met een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Het hof weegt hierin ook mee dat het 's avonds laat was, het donker was, waardoor sprake was van verminderd zicht en extra oplettendheid was vereist ondanks de aanwezige straatverlichting. Dat maakt dat er extra risico ontstond voor de andere verkeersdeelnemers, die door slechter zich mogelijk minder snel konden zien hoe hard de verdachte reed, waardoor ongelukken konden ontstaan. Er was naar het oordeel van het hof daardoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij de andere weggebruikers, maar ook bij de inzittenden van de auto van verdachte. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft ook daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het door de verdachte gecreëerde gevaar is daarmee verwezenlijkt. Het hof acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere weggebruikers te duchten was.
Conclusie
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 5a WVW genoemde gedraging, namelijk het overschrijden van de vastgestelde maximumsnelheid. Voorts heeft hij door links te willen inhalen op een eenbaansweg gevaarlijk ingehaald. Nu ook aan de overige bestanddelen van artikel 5a WVW is voldaan, is het verkeersgedrag van verdachte naar het oordeel van het hof aan te merken als roekeloos rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW.
Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde en het daarin opgenomen roekeloos rijgedrag bewezen en verwerpt mitsdien het verweer van de verdediging.’
I.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof heeft requirant aldaar — voor zover hier van belang — het volgende verklaard (p. 3–4):
‘Ik was aan het rijden en ineens kwamen de lampen van de Daihatsu en toen: poef. De weg ging over naar een eenbaansweg. Toen zag ik ineens de achterlichten van de Daihatsu. Ik dacht dat ik er links voorbij kon. Ik reed er tegenop.
(…)
Het waren slechts seconden. Ik wilde links voorbij de Daihatsu. Ik heb de auto niet gezien. Pas toen ik van de driebaansweg reed richting de eenbaansweg en in de knik van de weg kwam, zag ik de achterlampen. En de laatste secondes heb ik mij stuur nog naar links proberen te zwaaien, maar er zat ook een stoep.
(…)
Op het moment van de aanraking met de Daihatsu, zag ik de auto pas. De auto kwam in één keer de weg op gereden en toen: poef.’
I.5
Het Hof heeft zijn oordeel, dat requirant roekeloos rijgedrag heeft vertoond, uitgebreid gemotiveerd en dat valt als positief te waarderen (hoewel de overwegingen niet altijd vlekkeloos lopen). Het in de overwegingen van het Hof opgenomen ‘stappenplan’ met betrekking tot ‘roekeloosheid’ in de zin van art. 175 lid 2 WVW 1994 jo. art. 5a WVW 1994 wordt ook vrij breed toegepast in rechtspraak van andere instanties (vgl. o.a. Rechtbank Amsterdam 11 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6434, Rechtbank Noord-Holland 30 november 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:10974, Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18 februari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:818, Hof Arnhem-Leeuwarden 09 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10586, Rechtbank Rotterdam 21 april 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3876 en Rechtbank Gelderland 31 oktober 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5956).
I.6
Het in de overwegingen van het Hof besloten liggende oordeel, dat requirant opzettelijk gevaarlijk heeft geprobeerd in te halen (zie art. 5a lid 1 sub b WVW 1994), is evenwel niet zonder meer begrijpelijk te achten, gelet op hetgeen requirant ter terechtzitting van het Hof hieromtrent heeft verklaard (zie nader onder randnummer I.4).
I.7
In dit verband is het volgende, afkomstig uit de memorie van toelichting bij art. 175 (nieuw) WVW 1994, van belang te achten (MvT, TK 2018–2019, 35 086, nr. 3, p. 14–15):
‘Aan het tweede lid wordt een begripsbepaling van roekeloosheid toegevoegd waarin wordt teruggegrepen op het nieuwe artikel 5a WVW 1994: «Van roekeloosheid is in elk geval sprake als dat gedrag tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a». Dit betekent in essentie dat bepaald welbewust zeer gevaarlijk rijgedrag in elk geval de zwaarste vorm van schuld (roekeloosheid) oplevert als die gedragingen het gevolg hebben veroorzaakt, terwijl de betrokkene zich bewust was van de mogelijkheid van het gevolg, maar ernstig verwijtbaar (en naar is gebleken ten onrechte) heeft geoordeeld dat het wel goed zou aflopen.
(…)
Het voorstel overtreding van artikel 5a WVW 1994 aan het merken als roekeloosheid betekent dat een schuldvorm (roekeloosheid) mede door opzet wordt gedefinieerd; artikel 5a WVW 1994 spreekt van opzettelijke schending van verkeersregels. Daarin zit geen tegenstrijdigheid. Opzet is immers gericht op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels en niet op de verder liggende gevaren of gevolgen.
(…)
Wel is het zo, dat voor de op overtreding van eerdergenoemde artikel gebaseerde roekeloosheid vereist is dat de verdachte opzettelijk de verkeersregels heeft geschonden (…).’
I.8
Uit de ter terechtzitting van het Hof afgelegde verklaring van requirant blijkt niet dat hij opzettelijk heeft geprobeerd om de door [slachtoffer] bestuurde Daihatsu gevaarlijk in te halen. Uit die verklaring spreekt veeleer dat requirant dusdanig plotseling met de Daihatsu kort vóór de door hem bestuurde Mercedes werd geconfronteerd dat een aanrijding niet viel te voorkomen. De door requirant beschreven gang van gebeurtenissen valt niet te rijmen met het — voor roekeloosheid in de zin van art. 175 WVW 1994 jo. art. 5a WVW 1994 vereiste — in ernstige mate schenden van de verkeersregel dat niet op gevaarlijke wijze mag worden ingehaald.
I.9
Uiteraard is het aan requirant's eigen schuld te wijten dat hij zich plots geconfronteerd zag met de Daihatsu vóór de door hem bestuurde Mercedes (door veel te hard te rijden), maar een dergelijke ‘culpa in causa’-redenering kan m.i. niet het oordeel dragen dat requirant daarom opzettelijk heeft geprobeerd om de Daihatsu gevaarlijk in te halen. Omdat het Hof de verklaring van requirant op dit punt niet (aan de hand van de bewijsmiddelen of in de bewijsoverwegingen) heeft weerlegd, had het deze verklaring wel bij de beoordeling moeten betrekken of requirant al dan niet opzettelijk gevaarlijk heeft geprobeerd in te halen.
I.10
De tussenconclusie is dat het Hof ontoereikend gemotiveerd bewezen heeft geoordeeld dat requirant opzettelijk op gevaarlijke wijze heeft geprobeerd in te halen.
I.11
Het blijft overeind staan dat het Hof heeft vastgesteld dat requirant over een afstand van 1.600 meter veel te hard heeft gereden. Het is de vraag of deze vaststelling zelfstandig het oordeel kan dragen dat requirant roekeloos rijgedrag heeft vertoond. Uit de bewijsoverwegingen blijkt dat het Hof de roekeloosheid heeft gegrond op een combinatie van gedragingen: ‘Uit de Memorie van Toelichting op dit wetsvoorstel leidt het hof af dat het gaat om een samenstel van gedragingen’ (arrest, p. 13), alsmede: ‘Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen.’ (arrest, p. 13). Vanuit dit perspectief van een combinatie van gedragingen moet waarschijnlijk ook de herhaaldelijke verwijzingen naar het (niet tenlastegelegde en dus ook niet bewezen verklaarde) maken van ‘donuts’ in de bewijsmiddelen en — overwegingen worden begrepen.
I.12
Ook in andere rechtspraak wordt benadrukt dat het bij roekeloosheid in de zin van art. 175 WVW 1994 jo. art. 5a WVW 1994 om (ernstige) schendingen van meerdere verkeersregels en/of een samenstel van gedragingen moet gaan:
- •
Rechtbank Den Haag 21 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6332:
In deze zaak gaat het om het schenden van twee voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregels, waarbij sprake was van een aanzienlijke snelheidsoverschrijding, terwijl de verdachte zijn auto heeft bestuurd na gebruik van aanzienlijk meer alcohol dan toegestaan. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
- •
Rechtbank Midden-Nederland 01 november 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:4329:
Met deze gedragingen heeft verdachte meerdere verkeersregels geschonden die belangrijk zijn voor de verkeersveiligheid. Daardoor is sprake geweest van ernstig verkeersgevaarlijk gedrag.
- •
Rechtbank Oost-Brabant 19 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:6046:
Uit deze voorbeelden wordt duidelijk dat het in beginsel om meerdere gedragingen moet gaan waardoor meerdere verkeersregels ernstig zijn geschonden terwijl daarvan levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel te duchten is.
- •
Rechtbank Noord-Nederland 16 mei 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1960: Artikel 5a WVW ziet alleen op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Dat zal doorgaans niet zijn gelegen in de enkele schending van één verkeersregel.
I.13
Juist omdat het Hof aan het samenstel van gedragingen gewicht toekent bij de beoordeling of er sprake is van roekeloos rijgedrag, zou de slotsom niet moeten luiden dat op basis van de door het Hof vastgestelde en in de bewezenverklaring betrokken snelheidsovertreding alleen al tot bewezenverklaring van roekeloosheid had kunnen komen. In dit verband kan nog worden gewezen op het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 15 november 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:6065, waarin werd geoordeeld dat er geen sprake was van roekeloosheid in geval van het (onder invloed van alcohol) over een afstand van 2.400 meter met aanzienlijke overschrijding van de maximumsnelheid rijden en vervolgens achter op een voorligger botsen.
I.14
Gelet op het voorgaande kan het bestreden arrest niet in stand blijven.
Maastricht, 22 december 2023
E. Maessen
advocaat