Rb. Rotterdam, 21-04-2023, nr. 10/201789-22
ECLI:NL:RBROT:2023:3876
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
21-04-2023
- Zaaknummer
10/201789-22
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2023:3876, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 21‑04‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 21‑04‑2023
Inhoudsindicatie
De rechtbank moet bij overtreding van artikel 5a Wegenverkeerswet beoordelen of de verdachte (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of zij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of zij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was.
Partij(en)
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/201789-22
Datum uitspraak: 21 april 2023
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte01] ,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1987,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres01] , [postcode01] [plaats01] ,
raadsvrouw mr. G. Vermaak, advocaat te Rotterdam
1 Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 april 2023.
2 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3 Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. B.J.G. de Leeuw heeft gevorderd:
- -
vrijspraak van het onder primair ten laste gelegde;
- -
bewezenverklaring van het onder subsidiair ten laste gelegde;
- -
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
4 Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering primair ten laste gelegde
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering subsidiair ten laste gelegde
Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het subsidiair ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad om de verkeersregels in ernstige mate te schenden.
Is het rijgedrag van de verdachte zodanig geweest dat er sprake is van overtreding van artikel 5a Wegenverkeerswet (WVW)?
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte (a) de verkeersregels heeft geschonden,
( b) of zij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of zij dat opzettelijk heeft gedaan en
( d) of daardoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was.
a. De verkeersregels
Op basis van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte de verkeersregels in zeer ernstige mate heeft geschonden door met haar auto met een snelheid van 79 km per uur op een kruising door het rode licht te rijden, terwijl de ter plaatse maximum toegestane snelheid (ten hoogste) 50 km per uur was en het stoplicht al 0,96 seconden op rood stond. De verdachte is vervolgens met haar auto in botsing gekomen met een op die kruising overstekende auto, die (wel) groen licht had en (dus) voorrang had.
b. In ernstige mate
Artikel 5a WVW heeft betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. In deze zaak heeft de verdachte verschillende voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregels in zeer ernstige mate en deels in onderlinge samenhang geschonden. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat eerder het stoplicht enige tijd op geel heeft gestaan, hetgeen betekent: stoppen als dat op een verkeersveilige manier kan. Het verkeersgedrag van de verdachte heeft rechtstreeks en voorzienbaar tot een zeer gevaarlijke (verkeers)situatie geleid.
c. Opzettelijk
De verdachte heeft deze verkeersregels opzettelijk geschonden. Het gas geven en door rood rijden zijn in dit geval immers bewuste, wilsgerichte handelingen van de verdachte, waarbij deze handelingen hebben geleid tot de beschreven verkeersgevaarlijke situatie. Het verweer van de raadsvrouw wordt op basis hiervan verworpen.
d. Gevaar te duchten
Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels reëel voorzienbaar zijn geweest. In zijn algemeenheid is het voor ieder normaal mens, en dus ook voor de verdachte, voorzienbaar dat door haar rijgedrag op een druk kruispunt midden in het centrum van Rotterdam een zeer gevaarlijke verkeersituatie kon ontstaan. Door het rijgedrag van de verdachte had een nog ernstiger verkeersongeval kunnen ontstaan, met als gevolg dodelijk of zeer ernstig letsel voor medeweggebruikers en inzittenden in de auto van verdachte.
Conclusie
De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld in strijd met artikel 5a WVW.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
zij op 28 mei 2021 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig
(personenauto), daarmee rijdende op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, het Weena en de Conradstraat, althans op één van deze wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door toen daar,
- met een snelheid van ongeveer 79 km/u, terwijl de ter plaatse geldende maximumsnelheid 50 km/u is, en in strijd met een voor haar, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht bovengenoemde kruising is opgereden en
- ( aldus rijdende) haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, het door haar bestuurde voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
- op die kruising de bestuurder van een personenauto, die de kruising met groen licht was gaan oversteken, niet heeft laten voorgaan en
- ( vervolgens) met een snelheid gelegen tussen 76 en 67 km/u in botsing of aanrijding is gekomen met die personenauto,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5 Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
subsidiair
Overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6 Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7 Motivering straffen
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit,
de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft diverse essentiële verkeersregels opzettelijk in zeer ernstige mate geschonden en heeft daarmee zeer gevaarlijk gehandeld ten opzichte van andere verkeersdeelnemers terwijl dat rijgedrag dodelijk of zwaar letsel tot gevolg had kunnen hebben. Haar rijgedrag heeft ook geleid tot een aanrijding met een personenauto.
Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 maart 2023 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank legt een iets lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist. Met de officier van justitie heeft de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met name de indringende zorg voor haar hulpbehoevende kind die zij als alleenstaande moeder draagt en waarbij het gebruik kunnen maken van een rijbewijs essentieel is, bij de strafoplegging zwaar in haar voordeel meegewogen. Daarnaast is in strafmatigende zin de bekennende proceshouding van de verdachte meegewogen, waarbij bovendien oprechte spijt is betuigd.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a,
176 en 179 van de Wegenverkeerswet.
9 Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
10 Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uur , waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen ;
ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar ;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,
en mr. W.A.F. Damen en mr. L. Stevens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 21 april 2023.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
zij op of omstreeks 28 mei 2021 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, het Weena en de
Conradstraat, althans op één van deze wegen, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,
- met een snelheid van ongeveer 79 km/u, in ieder geval met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u, en/of in strijd met een voor haar, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht bovengenoemde kruising is opgereden en/of
- ( aldus rijdende) haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, het door haar bestuurde voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- op die kruising de bestuurder van een personenauto, genaamd [slachtoffer01] , die de kruising met groen licht was gaan oversteken, niet heeft laten voorgaan en/of
- ( vervolgens) met een snelheid gelegen tussen 76 en 67 km/u in botsing of aanrijding is gekomen met die [slachtoffer01] ,
waardoor die [slachtoffer01] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
(art 6 Wegenverkeerswet 1994)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
zij op of omstreeks 28 mei 2021 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig
(personenauto), daarmee rijdende op de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, het Weena en de Conradstraat, althans op één van deze wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door toen daar,
-met een snelheid van ongeveer 79 km/u, in ieder geval met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u, en/of in strijd met een voor haar, verdachtes, rijrichting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht bovengenoemde kruising is opgereden en/of
- ( aldus rijdende) haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, het door haar bestuurde voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- op die kruising de bestuurder van een personenauto, genaamd [slachtoffer01] , die de kruising met groen licht was gaan oversteken, niet heeft laten voorgaan en/of
- ( vervolgens) met een snelheid gelegen tussen 76 en 67 km/u in botsing of aanrijding is gekomen met die [slachtoffer01] ,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was.
(art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994)