Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/1.8:1.8 Onderzoeksmethoden
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/1.8
1.8 Onderzoeksmethoden
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451883:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De onderzoeksmethoden die ik heb toegepast, zijn de volgende.
In de eerste plaats heb ik alle uitspraken bestudeerd die de Ondernemingskamer en de Hoge Raad sinds 2001 in de enquêteprocedure hebben gewezen. Sedertdien worden alle uitspraken in enquêteprocedures, ook de meest triviale, zoals de benoeming van een onderzoeker of een andere OK-functionaris, gepubliceerd in het tijdschrift ARO (Actuele Rechtspraak Ondernemingspraktijk). Voor het doel van mijn onderzoek was het een enorm voordeel dat al deze uitspraken zijn gepubliceerd, omdat juist ook uit die kleine uitspraken blijkt hoe de Ondernemingskamer met het onderzoek omgaat. Vóór 2001 werden alleen de belangrijkste uitspraken van de Ondernemingskamer in de relevante tijdschriften gepubliceerd. Deze heb ik, waar relevant, ook in mijn onderzoek betrokken.
Naast de jurisprudentie heb ik uiteraard ook andere voor het enquêterecht relevante bronnen bestudeerd, zoals de parlementaire geschiedenis, adviezen van de Sociaal- Economische Raad en de Commissie Vennootschapsrecht en de literatuur.
Wat ik niet heb gedaan, is het bestuderen van onderzoeksverslagen. De reden daarvoor is dat veruit de meeste onderzoeksverslagen alleen ter inzage worden gelegd voor belanghebbenden, en daarmee niet publiekelijk toegankelijk zijn. Slechts een klein deel van de onderzoeksverslagen pleegt de Ondernemingskamer ter inzage te leggen voor eenieder. Omdat het aantal publiekelijk beschikbare verslagen zo gering is ten opzichte van het totaal aantal verslagen, leek het mij niet zinvol om die verslagen systematisch te bestuderen en met elkaar te vergelijken. Incidenteel verwijs ik er echter wel naar.
Wat ik evenmin heb gedaan, is de voor het onderzoek relevante bepalingen uit het enquêterecht te vergelijken met het enquêterecht van Aruba, de BES-eilanden, Curaçao, Sint-Maarten en Suriname.1 De reden dat ik dat niet heb gedaan, is dat het aantal uitspraken uit die landen heel gering is. Incidenteel verwijs ik wel naar zaken uit Curaçao en van het Nederlandse enquêterecht afwijkende bepalingen. Omdat andere landen geen met de enquêteprocedure vergelijkbare procedure hebben, was het ook niet mogelijk om aan externe rechtsvergelijking te doen.
Wat ik daarentegen wel heb gedaan, is de regels van het onderzoek in de enquêteprocedure systematisch vergelijken met de regels van het deskundigenonderzoek in de civiele procedure. Deze interne rechtsvergelijking is om twee redenen interessant. De eerste reden is dat het enquêteonderzoek en het deskundigenonderzoek in de civiele procedure zich onafhankelijk van elkaar hebben ontwikkeld en de wettelijke regelingen verschillend zijn, terwijl de taken van de onderzoekers in de enquêteprocedure en de deskundigen in het deskundigenonderzoek in de civiele procedure voor een deel hetzelfde zijn.2 Daardoor heeft het toegevoegde waarde om de beide regelingen met elkaar te vergelijken. De tweede reden waarom vergelijking van beide regelingen zinvol is, is gelegen in het feit dat met betrekking tot het deskundigenonderzoek de laatste jaren sprake is geweest van een enorme ontwikkeling in zowel de literatuur als de rechtspraktijk. Wat betreft de ontwikkelingen in de literatuur valt te wijzen op de proefschriften van De Groot en De Bock.3 De praktijk van de deskundigenonderzoeken heeft zich verder kunnen ontwikkelen door de publicatie van de ‘Leidraad deskundigen in civiele zaken’, een modeldeskundigenbericht en de ‘Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken’. Verder zijn er diverse registraties voor deskundigen tot stand gekomen (LRGD, DIX en, voor het strafrecht, NRGD) en zijn er, in het strafrecht, eisen geformuleerd waaraan deskundigen moeten voldoen. Daarnaast is er uiteraard veel jurisprudentie over de eisen waaraan een behoorlijk deskundigenonderzoek moet voldoen, van zowel de Hoge Raad als het EHRM.
Naast onderzoeken door gerechtelijk deskundigen vinden onderzoeken plaats door onderzoeksinstanties, zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid en ad hoc benoemde commissies. In het kader daarvan is onderzoek gedaan naar de beginselen van behoorlijk onderzoek die deze onderzoeksinstanties in acht moeten nemen, en zijn relevante regels opgesteld, zoals onderzoeksprotocollen. Die regels heb ik in mijn onderzoek betrokken.
Hoofdstuk 8 van dit boek heeft, zoals in § 1.7.1 al opgemerkt, een ander karakter dan de andere hoofdstukken. In dit hoofdstuk behandel ik de gevolgen van het feit dat de onderzoekers het handelen of nalaten met de ongunstige afloop (anders zijn er immers geen gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken en zou de Ondernemingskamer geen onderzoek hebben gelast) altijd achteraf beoordelen. De onderzoekers oordelen dus met hindsight. De zorg van de rechtspersoon en zijn (voormalige) bestuurders en commissarissen is dat het oordeel van de onderzoekers wordt beïnvloed door de onfortuinlijke afloop van hun handelen. Het spreekt voor zich dat het niet wenselijk is dat dit gebeurt. Om die reden heb ik mij verdiept in de psychologie van de oordeelsvorming door onderzoekers en, bij de beoordeling of er sprake is van wanbeleid, door de Ondernemingskamer. In het eerste deel van hoofdstuk 8 beschrijf ik hoe hindsight bias het oordeel van de onderzoekers en de Ondernemingskamer kan beïnvloeden. Het tweede deel van dit hoofdstuk gaat over de vraag hoe de invloed van hindsight bias op het uiteindelijke oordeel zo veel mogelijk voorkomen kan worden. Mijn bevindingen in dit hoofdstuk zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op Amerikaanse literatuur en de literatuur over waarheidsvinding.