Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/7.4.8.2
7.4.8.2 Ratio geheimhoudingsplicht
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS456657:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Vz OK 20 september 2016, ARO 2016/144 (Energie Concurrent), r.o. 2.3. De voorzitter van de Ondernemingskamer suggereert in deze uitspraak dat de vertrouwelijkheid van het onderzoek uitsluitend strekt ter bescherming van het belang van de rechtspersoon. Dat is naar mijn mening niet juist.
Advies SER 1967/5, p. 11. Zie voor een algemene beschouwing over bedrijfsgeheimen en transparantieplichten Van der Korst 2007.
Vgl. ook de regels voor discovery in de Amerikaanse rechtspraktijk. Alle informatie die een partij in het kader van discovery aan de wederpartij verstrekt, mag die wederpartij in beginsel uitsluitend ten behoeve van de procedure gebruiken.
OK 2 november 2015, JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde, AA 2016, afl. 3, p. 191-200, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Meavita), r.o. 3.3. Zie over het aanhechten van gespreksverslagen en andere brondocumenten aan het verslag § 10.3.5.2.
EHRM 21 september 1994, NJ 1995/463 (Fayed v. Verenigd Koninkrijk), § 79.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt niet duidelijk wat de ratio is van de wettelijke geheimhoudingsplicht. Ik zie vier redenen waarom de wetgever hiertoe kan hebben besloten.
De eerste en belangrijkste ratio voor de wettelijk geregelde vertrouwelijkheid van het onderzoek is het belang van de rechtspersoon.1 Het belang van de rechtspersoon kan onder meer meebrengen dat in het verslag voorkomende gedetailleerde bedrijfsgegevens zo min mogelijk, bijvoorbeeld uit concurrentieoverwegingen, naar buiten bekend moeten zijn.2 Het belang van de rechtspersoon kan echter niet de enige reden zijn voor de vertrouwelijkheid. Er zijn immers situaties dat de rechtspersoon geen belang meer bij vertrouwelijkheid van het onderzoek heeft, bijvoorbeeld omdat het onderzoek zich richt op feiten die al lang geleden hebben plaatsgevonden en voor de huidige bedrijfsvoering van de rechtspersoon niet meer van belang zijn. Als de rechtspersoon in staat van faillissement verkeert, lijkt het belang van de rechtspersoon zelf nauwelijks meer van belang. Ook in deze situaties zijn de wettelijke geheimhoudingsbepalingen echter onverkort van kracht.
Naar mijn mening is een andere reden voor de geheimhoudingsplicht dat deze een complement is van de vergaande, en in deze vorm in het burgerlijk procesrecht niet voorkomende, verplichting van de rechtspersoon en zijn (voormalige) functionarissen om de onderzoekers alle informatie te verschaffen die zij nodig hebben voor de uitvoering van het onderzoek.3 Daarom ligt het onderzoeksverslag in beginsel niet voor eenieder ter inzage en kan de Ondernemingskamer beslissen dat alleen een deel van het onderzoeksverslag voor eenieder ter inzage mag worden gelegd. De ratio van de geheimhoudingsplicht gaat dus verder dan het argument dat de SER noemt, namelijk te voorkomen dat bedrijfsgeheimen op straat komen te liggen. Zonder een goed geregelde geheimhoudingsplicht, waaraan ook de onderzoekers zelf zijn onderworpen (artikel 2:351 lid 3 BW), zou de rechtspersoon een argument hebben om terughoudend te zijn met het verschaffen van informatie aan de onderzoekers. Dat is uiteraard onwenselijk. Bescherming van het belang van de betrokkenen die tot medewerking aan het onderzoek verplicht zijn en wier belangen door het onderzoek kunnen worden geraakt, is dan ook een zelfstandig argument voor de wettelijke geheimhoudingsplicht.
Ik zie echter ook nog een derde ratio voor de wettelijke geheimhoudingsregeling: het belang van het onderzoek zelf. Het is in het belang van het onderzoek dat betrokkenen, ook als zij daartoe niet verplicht zijn, meewerken aan de uitvoering ervan. Als het onderzoek en plein public zou plaatsvinden, kunnen zij terughoudend zijn met het verstrekken van informatie. De Ondernemingskamer heeft in de Meavita-zaak hierop gewezen, toen een voormalige bestuurder van Meavita zich beklaagde over het feit dat de onderzoekers geen gespreksverslagen aan het verslag hadden gehecht. De Ondernemingskamer billijkte deze beslissing van de onderzoekers: “(…) met het oog op het belang dat te horen personen zich meer in vrijheid zullen uiten, indien het besprokene niet in volle omvang aan anderen bekend zal worden gemaakt (…)”.4
Ten slotte kan als ratio van de wettelijke geheimhoudingsregeling ook het beschermen van de privacy van bij het onderzoek betrokken natuurlijke personen worden genoemd. Het EHRM heeft op dit belang gewezen in de Fayed-uitspraak.5 Dat het onderzoek inbreuk kan maken op de privacy van natuurlijke personen is tot op zekere hoogte onvermijdelijk. Daarom is het van belang dat de wettelijke geheimhoudingsplicht in ieder geval waarborgt dat in het onderzoek gevonden informatie niet zonder meer voor derden toegankelijk is.