Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/11.3.4
11.3.4 Mogelijkheid bieden een tweedefaseverzoek te doen is geen doel van de terinzagelegging
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS451818:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
‘Verslag’ betekent in dit verband het gehele verslag, inclusief bijlagen. Als het verslag zonder bijlagen voor een belanghebbende ter inzage is gelegd, verkrijgt deze belanghebbende daardoor niet de bevoegdheid een tweedefaseverzoek te doen. Zo ook Fleming 2012, p. 77.
In de wetsgeschiedenis wordt niet toegelicht waarom naast de oorspronkelijke verzoekers en de advocaat-generaal ook anderen voor wie het verzoek ter inzage ligt, en die aan de enquêtedrempel voldoen, het recht hebben gekregen een tweedefaseverzoek te doen.
De RNA-, Ahold- en Stork-zaken zijn voorbeelden van enquêtes waarin de verzoekers en de rechtspersoon een schikking hebben bereikt inhoudende dat het onderzoek zou worden voortgezet, maar verzoekers geen tweedefaseverzoek zouden doen.
Anders: Fleming 2012, p. 76.
HR 17 december 2010, NJ 2011/213, m.nt. W.J.M. van Veen, JOR 2011/42, m.nt. J.M. Blanco Fernández (KPNQwest).
Deze beschikking bespreek ik in § 11.5.2.
Degenen voor wie het verslag ter inzage wordt gelegd, krijgen door die terinzagelegging de mogelijkheid om alleen of samen met anderen de Ondernemingskamer te verzoeken wanbeleid vast te stellen of voorzieningen te treffen, als zij voldoen aan de in artikel 2:346 of 2:347 BW gestelde eisen: zie artikel 2:354 BW.1 Op deze wijze kunnen anderen dan de oorspronkelijke verzoekers de enquêteprocedure overnemen als de oorspronkelijke verzoekers om hen moverende redenen daarmee niet willen doorgaan.2 Dit is gebeurd in de RNA-enquête. Het verzoek tot een enquête was gedaan door Westfield, die iets minder dan 25% van de aandelen in RNA hield. Ongeveer gelijktijdig met de nederlegging van het verslag bereikten Westfield en RNA een schikking die erop neerkwam dat de activa van RNA zouden worden verkocht, en de opbrengst aan de aandeelhouders zou worden uitgekeerd. Vervolgens verzocht de VEB, samen met andere aandeelhouders, de Ondernemingskamer wanbeleid vast te stellen.3
Men kan zich afvragen of het bieden van de mogelijkheid aan anderen dan de oorspronkelijke verzoekers (en de advocaat-generaal) om de Ondernemingskamer te verzoeken wanbeleid vast te stellen en/of voorzieningen te treffen, een zelfstandig doel kan zijn om het verslag voor anderen dan de verzoekers en de rechtspersoon ter inzage te leggen. Denkbaar is dat de rechtspersoon zelf het verslag op zijn website publiceert (of het voornemen daartoe op voorhand aan de Ondernemingskamer mededeelt), zodat het verslag voor eenieder kenbaar is en iedereen daaruit vrijelijk kan citeren. Het enige doel van terinzagelegging voor eenieder kan dan slechts zijn anderen dan de verzoekers de gelegenheid te bieden om de Ondernemingskamer te verzoeken wanbeleid vast te stellen en/of voorzieningen te treffen. Dat kan voor de rechtspersoon frustrerend zijn als partijen (al dan niet onder druk van de enquêteprocedure) een schikking hebben bereikt, onder meer inhoudende dat de oorspronkelijke verzoekers ervan zullen afzien een tweedefaseverzoek in te dienen.4
Ik meen dat als de rechtspersoon het enquêteverslag op zijn website publiceert of aankondigt dat te zullen doen, er geen reden is waarom de Ondernemingskamer het verslag nog voor eenieder ter inzage zou moeten leggen.5 Als partijen een schikking overeenkomen onder meer inhoudende dat zij de enquêteprocedure na inlevering van het onderzoeksverslag ter griffie beëindigen, moet de Ondernemingskamer dat respecteren en niet derden de gelegenheid bieden de procedure voort te zetten door het verslag voor eenieder ter inzage te leggen. Deze situatie is vergelijkbaar met de situatie dat verzoekers en de rechtspersoon overeenkomen de enquête voortijdig te beëindigen. De Hoge Raad heeft in de KPNQwest-beschikking beslist dat bij de beoordeling van een verzoek tot beëindiging van de enquête voornamelijk betekenis toekomt aan de belangen van de oorspronkelijke verzoeker(s) en aan het belang van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken.6 Dit betekent dat als de verzoekers, de rechtspersoon en de in de procedure verschenen personen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken de Ondernemingskamer verzoeken de enquête te beëindigen, de Ondernemingskamer gehouden is zulks te doen. De Hoge Raad laat ruimte voor uitzonderingen in bijzondere gevallen, aannemelijk te maken door belanghebbenden die zich tegen beëindiging van de enquête verzetten.7 De regel van de KPNQwest-beschikking kan de Ondernemingskamer analoog toepassen bij de beslissing het verslag al dan niet ter inzage te leggen voor eenieder als de rechtspersoon het verslag op zijn website publiceert of aankondigt dat te zullen doen.