Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/11.3.2:11.3.2 Totstandkomingsgeschiedenis
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/11.3.2
11.3.2 Totstandkomingsgeschiedenis
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS459057:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Commissie-Verdam 1964, p. 73.
Zie over de geheimhoudingsplicht § 7.4.8.
SER-advies 1967/5, p. 11-12.
Kamerstukken II 1969/70, 9596, 8 zoals gewijzigd: zie hierover Handelingen II 1969/70, 63,p. 2996-2997.
Artikel 20 WOR.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Commissie-Verdam adviseerde in de wet vast te leggen wie in ieder geval van het verslag kan kennisnemen en voorts aan de rechter de bevoegdheid te geven naar de omstandigheden van het geval de omvang van de publiciteit te bepalen. In elk geval moest volgens de Commissie het verslag ter kennis komen van de verzoekers en van de bestuurders en commissarissen. Daarnaast zouden andere personen een redelijk belang kunnen hebben bij kennisneming van het verslag. De rechter zal hieromtrent, aldus de Commissie, een beslissing kunnen nemen. Kennisneming voor “een ieder” leek de Commissie aangewezen indien de aandelen der vennootschap ter beurze zijn genoteerd en alle aandeelhouders een redelijk belang hebben bij kennisneming. De bekendmaking in de Staatscourant van de nederlegging van het verslag ter griffie leek de Commissie wenselijk, omdat op deze wijze de door de rechter aangewezen belanghebbenden kennis kunnen krijgen van het verslag.1 De minister heeft dit advies, met een aantal toevoegingen, overgenomen.2
De SER heeft de minister geadviseerd om aan de Ondernemingskamer de bevoegdheid te geven om slechts een door haar aan te wijzen gedeelte van het verslag ter inzage te geven aan degenen die geen absoluut inzagerecht hebben: “De bevoegdheid van partiële terinzagelegging zal voor de rechter een meer genuanceerde aanpak mogelijk maken: hij kan aldus, zo hem dat geboden voorkomt, derden-belanghebbenden bijvoorbeeld slechts van sommige algemene uiteenzettingen en bepaalde conclusies uit het verslag kennis laten nemen zonder hun tegelijkertijd inzage te geven van in het verslag voorkomende gedetailleerde bedrijfsgegevens, die in het belang van de betrokken onderneming, bijvoorbeeld uit concurrentieoverwegingen, zo weinig mogelijk naar buiten bekend moeten zijn.” Verder drong de SER er in verband met het grote belang dat een onderneming erbij kan hebben dat de inhoud van een enquêteverslag niet bekend wordt buiten de kring van personen voor wie het verslag geheel of gedeeltelijk ter inzage ligt, erop aan dat in de wet op bedoelde personen een van een strafsanctie voorziene geheimhoudingsplicht wordt gelegd.3 Uiteraard kan deze plicht niet bestaan als het verslag voor eenieder ter inzage ligt.4 Ook deze aanbevelingen van de SER heeft de minister overgenomen, met dien verstande dat de voorzitter van de Ondernemingskamer ontheffing van de geheimhoudingsplicht kan verlenen. Aan een zodanige ontheffing zou volgens de minister behoefte kunnen bestaan, omdat met name de verzoekers deskundigen zouden moeten kunnen raadplegen voor het nemen van eventuele maatregelen. Wat verder het vermelden waard is, is dat volgens de memorie van toelichting niet meer de eis wordt gesteld dat degenen aan wie inzage van het verslag wordt toegestaan, belanghebbende zijn.5
De laatste zin van het derde lid van artikel 2:353 BW bepaalt dat een vereniging van werknemers zonder machtiging van de voorzitter van de Ondernemingskamer bevoegd is tot het verstrekken van mededelingen aan de ondernemingsraad, die aan een door de rechtspersoon gedreven onderneming is verbonden. Deze bepaling is het gevolg van het aannemen van een amendement van het Kamerlid Nederhorst.6 De leden van de ondernemingsraad hebben een geheimhoudingsplicht met betrekking tot hetgeen de vakorganisaties hun over het verslag hebben verteld.7
Na 1971 is deze bepaling een aantal keren op ondergeschikte punten gewijzigd in verband met wijzigingen in het toezichtregime op financiële ondernemingen en beursvennootschappen.