Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/2.9.4
2.9.4 Qualitative materiality
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS496281:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De SEC verwoordde het belang van openbaarmaking van feiten en gebeurtenissen die betrekking hebben op de quality of management aldus: 'In many respects the development of disclosure standards for infonned appraisal of management's ability and integrity is a difficult task. How do you tell a `good' business manager from a 'bad' one in a piece of paper? Managerial talent consists of personal attributes, essentially subjective in nature, that frequently defy meaningful analysis through the impersonal medium of a prospectus. Direct statements of opinions as to management's ability, which are not susceptible to objective verification, may well create an unwarranted appearance of reliability if placed in a prospectus. The integrity of management — its willingness to place its duty to public shareholders over personal interest — is an equally elusive factor for the application of disclosure standards.' Zie In re Franchard Corp., 42 S.E.C. 163, 169-170 (1964).
Zie Brown, The regulation of cmporate disclosure (2005), p. 5-56.
Regulation S-K bevat standaardinstructies voor het gebruik van de op grond van onder meer de Securities Act en de Securities Exchange Act voorgeschreven formulieren.
Zie Roeder v. Alpha Industries, Inc., 814 F.2d 22 (lst Cir. 1987).
Zie Roeder v. Alpha Industries, Inc., 814 F.2d 22 (lst Cir. 1987).
Zie Brown, The regulation of cotporate disclosure (2004), p. 5-62.
Zie 787 F.2d 38 (2d Cir. 1986).
Zie Roeder v. Alpha Industries, Inc., 814 F.2d 22 (lst Cir. 1987).
Zie Kas v. Financial General Bankshares, Inc., 796 F.2d 508, 513 (D.C. Cir. 1986).
Het materialiteitsbegrip dient ruim te worden uitgelegd. Ook feiten of gebeurtenissen die niet, althans niet zonder meer, gekwantificeerd kunnen worden zouden daaronder kunnen vallen. Om die reden wordt voor dergelijke feiten of gebeurtenissen ook wel het begrip 'qualitative materiality' gehanteerd.
Een eenduidige omschrijving van dit begrip ontbreekt in rechtspraak en doctrine. Wel kan een onderverdeling worden gemaakt van feiten of gebeurtenissen die kwalificeren als qualitative materiality. In de eerste plaats is het mogelijk dat, ofschoon met bepaalde feiten of gebeurtenissen slechts een beperkt financieel belang gemoeid is, de invloed die daarvan uitgaat op de resultaten van een onderneming toch aanzienlijk kan zijn. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een weliswaar geringe strafrechtelijke boete die aan een uitgevende instelling is opgelegd, maar die het verstrekkende gevolg heeft dat een onderneming wordt uitgesloten van de uitvoering van bepaalde overheidsopdrachten. In de tweede plaats kunnen sommige feiten of gebeurtenissen een bijzonder licht werpen op de deskundigheid en integriteit van het management van de uitgevende instelling, zoals omkoping van functionarissen of het plegen van valsheid in geschrifte. Dergelijke feiten en gebeurtenissen zullen dus, omdat zij van invloed kunnen zijn op beleggingsbeslissingen van het beleggend publiek, in voorkomend geval door een uitgevende instelling openbaar gemaakt moeten worden.1
Hier past wel onmiddellijk een waarschuwing bij. Als gezegd, ontbreekt een eenduidige omschrijving van het begrip 'qualitative materiality' en wordt de ontwikkeling daarvan aan de rechtspraktijk overgelaten. Brown merkt in dit verband op:
"Qualitative materiality does have conceptual limits. If the test for materiality deviated too far and too consistently from an earnings test, the cost of disclosure would increase dramatically. Caution would dictate that management err on the side of over-inclusion, thereby inundating investors with a morass of inconsequential information. Such a rule of disclosure would obscure more important developments. Nonetheless, the conceptual limit has proved difficult to determine in practice."2
Hiervoor is erop gewezen dat het financiële belang dat met bepaalde feiten of gebeurtenissen is gemoeid voor het materialiteitsbegrip niet altijd van doorslaggevend belang is. In dit verband mag niet onvermeld blijven dat de SEC een Staff Accounting Bulletin No. 99 — ook wel bekend als SAB 99 — van 12 augustus 1999, met als opschrift Materiality, heeft uitgegeven.3 In SAB 99 wordt gesignaleerd dat uitgevende instellingen bij het opstellen van jaarrekeningen en tussentijdse cijfers vuistregels plegen te hanteren, bijvoorbeeld in die zin dat afwijkingen (waaronder worden verstaan: misstatements of omissions) van minder dan 5% niet als material worden aangemerkt. Hoewel de SEC op zichzelf geen bezwaar heeft tegen het hanteren van vuistregels, wijst zij erop dat dit slechts een begin is van de door de uitgevende instelling uit te voeren materialiteitstoets bij het opstellen van de financiële verslaggeving. Anders gezegd: door gebruik te maken van een dergelijke vuistregel is een beoordeling van alle overige relevante feiten en omstandigheden niet overbodig geworden. In lijn met de hiervoor in § 2.9.3 beschreven rechtspraak geldt in dit verband als richtsnoer voor de materialiteitstoets:
"The omission or misstatement of an item in a financial report is material if, in the light of surrounding circumstances, the magnitude of the item is such that it is probable that the judgment of a reasonable person relying upon the report would have been changed or influenced by the inclusion or correction of the item."
Het voorgaande betekent dat bij het opstellen van jaarrekeningen en tussentijdse cijfers, alsook bij het beoordelen van de (omvang van de) daarin opgenomen posten, niet uitsluitend kwantitatieve factoren in aanmerking mogen worden genomen. Ook kwalitatieve factoren dienen in een beoordeling van de materialiteit van een bepaalde post betrokken te worden. Het is namelijk zeer wel mogelijk dat op grond van het samenspel van deze factoren een niet-materiële afwijking onder omstandigheden desondanks als material dient te worden aangemerkt. Tot die kwalitatieve factoren, die een niet-materiële kwantitatieve afwijking onder omstandigheden kunnen promoveren tot een materiële afwijking, behoren volgens SAB 99 onder meer de volgende gevallen:
“- whether the misstatement arises from an item capable of precise measurement or whether it arises from an estimate and, if so, the degree of imprecision inherent in the estimate
- whether the misstatement masks a change in earnings or other trends
- whether the misstatement hides a failure to meet analysts' consensus expectations for the enterprise
- whether the misstatement changes a loss into income or vice versa
- whether the misstatement concerns a segment or other portion of the registrant's business that has been identified as playing a significant role in the registrant's operations or profitability
- whether the misstatement affects the registrant's compliance with regulatory requirements
- whether the misstatement affects the registrant's compliance with Joan covenants or other contractual arrangements
- whether the misstatement has the effect of increasing management's compensation — for example, by satisfying requirements for the award of bonuses or other forms of incentive compensation
- whether the misstatement involves concealment of an unlawful transaction."
Volgens de SEC gaat het hier om een niet-limitatieve opsomming van gevallen die naast andere factoren — invloed hebben op de materialiteit van kwantitatief bezien geringe afwijkingen.
Teneinde meer zicht te doen ontstaan op bepaalde vormen van qualitative materiality worden enkele voorbeelden daarvan uitgewerkt.
Improper corporate activity
Improper activities van een uitgevende instelling kunnen material zijn. Meestal gaat het dan om een verdenking van onwettige handelspraktijken die van invloed zijn op de resultaten van de onderneming. Enige guidance over de aard van de improper corporate activities die voor openbaarmaking door een uitgevende instelling in aanmerking kunnen komen, kan ontleend worden aan Item 103 (Legal Proceedings) van Regulation S-K.4 Item 103 verlangt bijvoorbeeld openbaarmaking van "any material pending legal proceedings, other than ordinary routine litigation incidental to the business". De bij Regulation S-K behorende instructies geven aan dat openbaarmaking niet is vereist indien de schadevergoedingsvordering (exclusief rente en kosten) niet meer bedraagt dan 10% van de activa van de uitgevende instelling. In aanvulling hierop, dienen wel alle door de overheid tegen de uitgevende instelling ingestelde of aangekondigde procedures door de uitgevende instelling openbaar gemaakt te worden. Ruimer omschreven is ook de verplichting om administrative of judicial proceedings openbaar te maken die verband houden met de handhaving van milieuwetgeving.
Managerial integrity
Ook al hebben bepaalde feiten of gebeurtenissen geen directe gevolgen voor de huidige of toekomstige resultaten van een onderneming, dan kunnen die feiten of gebeurtenissen nog altijd material zijn omdat ze betrekking hebben op de integriteit van het management. Illustratief daarvoor is de volgende overweging van een District Court:
"Management's willingness to engage in practices that probably or obviously are illegal, and its decision to put the corporation at risk by so doing, may be critically important factors to investors. Investors may prefer to steer away from an enterprise that circumvents fair competitive bidding and opens itself to accusations of misconduet. Furthermore, regardless of financial motives, investors may not want to associate themselves with such an enterprise."5
Als voorbeelden van een inbreuk op de integriteit van het management van een uitgevende instelling kunnen worden genoemd: (i) illegal or improper behavior en (ii) self-dealing and conflicts of interest.
(i) Illegal or improper behavior
Regulation S-K wordt wederom als vertrekpunt genomen. Uit Item 401 (Directors, Executive Officers, Promoters and Control Persons) sub (f) (Involvement in Certain Legal Proceedings) volgt dat procedures "that are material to an evaluation of the ability or integrity of any director, person nominated to become a director or executive afleer" van de uitgevende instelling openbaar gemaakt moeten worden. Deze procedures omvatten: (a) bankruptcy proceedings, (b) criminal convictions, (c) designation as a named subject of a pending criminal proceeding en (d) any adjudicated violation of state or federal securities laws.
Op grond van de anti-fraudebepalingen van de Securities Exchange Act is voorstelbaar dat illegal or improper behavior in een eerder stadium dan een indictment or other official action (zie hiervoor onder (c)) reeds material is. Het belang van deze informatie voor beleggers is als volgt door een District Court verwoord:
"But otherwise material information does not become any less material because someone may be indicted if it is discovered by the authorities. The securities laws do not operate under the assumption that material information need not be disclosed if management has reason to suppress it. Investors may want to know about illegal activity for the same reason management will be reluctant to reveal it: it threatens to damage the corporation severely. Excepting from the disclosure rules information management has reason to hide would eviscerate the protection for investors embodied in the securities laws."6
Ook in de doctrine7 wordt het belang van vroegtijdige openbaarmaking onderstreept:
"Companies obviously have a huge disincentive to disclose behavior that has not yet been adjudicated. Such disclosure constitutes a red flag for regulatory agencies and can generate considerable bad publicity. Nonetheless, the activities may be material at relatively formative stages, notwithstanding management's wishes to the contrary."
Toch moet geconstateerd worden dat openbaarmaking van improper or illegal behavior in een vroegtijdig stadium niet zonder slag of stoot in de rechtspraak wordt aanvaard. In United States v. Matthews8 heeft een District Court geoordeeld dat een net benoemde bestuurder van een uitgevende instelling niet verweten kon worden dat bepaalde informatie niet was opgenomen in een proxy statement.
"We hold that at least so long as uncharged criminal conduct is not required to be disclosed by any rule lawfully promulgated by the SEC, nondisclosure of such conduct cannot be the basis of a criminal prosecution. Our unwillingness to permit section 14(a) to be used as expansively as the Government has done in this case rests not only on the history of the Commission's approach to the problem of qualitative disclosures and the case law that has developed on this subject but also on the obvious due process implications that would arise from permitting a conviction to stand in the absence of clearer notice as to what disclosures are required in this uncertain area."
In een andere zaak werd een uitgevende instelling wel met succes verweten dat informatie over omkoping van overheidsfunctionarissen door het management van de uitgevende instelling niet eerder dan toen een indictment waarschijnlijk was geworden openbaar was gemaakt:
"Even small illegal payments can seriously endanger a corporation's business, especially when it relies heavily on government contracts, because such activity can result in the corporation being barred from obtaining government contracts or subcontracts."9
Een verklaring voor de verschillende beoordeling van beide zaken moet wellicht daarin worden gezocht dat United States v. Matthews een strafzaak betrof en Roeder v. Alpha Industries een civiele. Verder had de verzwegen informatie inRoeder v. Alpha Industries niet uitsluitend betrekking op de integriteit van het management. Openbaarmaking van de illegal activities zou in dat geval hebben kunnen leiden tot verlies van overheidscontracten en daardoor zou een negatieve invloed op de bedrijfsresultaten van de uitgevende instelling goed denkbaar zijn geweest.
(ii) Self-dealing and conflicts of interest
In het geval van self-dealing gaat het erom dat het beleggend publiek adequate informatie ontvangt om voorgenomen transacties waarbij het management van de uitgevende instelling ook partij is te beoordelen. In een zaak werd de reden voor openbaarmaking van deze informatie als volgt toegelicht:
"The violations arising from the failure to disclose such a potential conflict of interest does not turn on the failure to disclose a director's true motivations but rather stems from the failure to disclose a fact that puts the shareholder on notice of a potential impairment of the director's judgment. Whether or not the director's underlying action could give rise to liability for a breach of fiduciary duty under state law is not relevant. The information by itself is material for the shareholder to place the director's recommendation in perspective."10