Einde inhoudsopgave
Openbaarmaking van koersgevoelige informatie (VDHI nr. 107) 2011/2.1
2.1 Inleiding
Mr. G.T.J. Hoff, datum 23-02-2011
- Datum
23-02-2011
- Auteur
Mr. G.T.J. Hoff
- JCDI
JCDI:ADS501147:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hierbij kan alleen al op het terrein van marktmisbruik worden gewezen op bijvoorbeeld het transactieverbod (art. 5:56 Wft), het tipverbod (art. 5:57 Wft), het verbod van marktmanipulatie (art. 5:58 Wft) en de wettelijke regeling voor het uitbrengen van beleggingsaanbevelingen (art. 5:64 Wft). Intussen moet wel bedacht worden dat vooral ook de Amerikaanse rechtspraak op dit terrein een rechtsvormende ml van betekenis heeft gespeeld. Zo zijn specifieke verbodsnormen met betrekking tot insider trading op grond van de als catch all geformuleerde anti-fraudebepalingen (zoals Rule 10b-5 van de SEC) in de rechtspraak tot ontwikkeling gekomen (zie § 2.6).
Hetzelfde zou uiteraard kunnen gelden voor besluiten die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de Europese Unie hebben genomen naar aanleiding van overtredingen van de openbaarmakingsplicht door uitgevende instellingen, zoals bijvoorbeeld het opleggen van een bestraffende sanctie of een herstelmaatregel. Een voorbeeld hiervan is de beslissing van 17 december 2009 van de commission des sanctions van de Autorité des Marchés Financières (AMF) aangaande EADS N.V. (te downloaden via www.amf-france.org). In deze beslissing is de gestelde overtreding van de openbaarmakingsplicht, inhoudende dat des informations inexactes, imprécises ou trompeuses openbaar was gemaakt over '(a) la poursuite par le groupe d'un objectif de marge opérationnelle á 10%, et (b), sa prévision de résultat opérationnel au titre de l'exercise 2006, traduisant ainsi, notamment dans la relation avec les analystes, la préoccupation constante du groupe de ne pas décevoir l'optimisme des acteurs de marché', afgewezen. Zie OK 3 november 2010 (LIN: B02778) waarin een enquêteverzoek naar onder meer deze feiten eveneens is afgewezen. Een reeks van beslissingen is ook genomen door de Britse Financial Services AuthoriO., (FSA). Deze beslissingen hebben alle betrekking op verlate winstwaarschuwingen en betreffen Woolworths Group, Wolfson Microelectronics, Entertainment Rights en Photo-Me International. De opgelegde bestuurlijke boetes variëren van £ 140.000 tot £ 500.000. De beslissingen zijn te downloaden via www.fsa.gov.uk.
Deze studie vangt aan met een beknopte uiteenzetting van de wijze waarop de evenknie van de voor uitgevende instellingen geldende openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie in de federale effectenwetgeving van de USA is geregeld. Mijn keuze hiervoor is eenvoudig te verklaren. De effectenmarkt van de USA is hoe kan het ook anders? — nog steeds de grootste ter wereld. Daar komt bij dat aan bepaalde onderdelen van de federale effectenwetgeving — althans tot voor kort extraterritoriale werking werd toegekend (zie § 2.6). Dit had tot gevolg dat uitgevende instellingen, die bijvoorbeeld uitsluitend een beursnotering aan Euronext Amsterdam hebben, met die effectenwetgeving geconfronteerd konden worden. Een andere reden voor mijn keuze is geweest dat de federale effectenwetgeving van de USA wellicht zelfs beschouwd kan worden als de overzeese bakermat van onze Nederlandse effectenwetgeving. Moeiteloos kan immers een reeks van voorbeelden van wetgevingsinitiatieven van de Nederlandse en Europese wetgever op het terrein van het effectenverkeer worden gegeven waaruit blijkt dat de federale effectenwetgeving van de USA voor deze wetgevers een voorbeeldfunctie heeft gehad.1 Onder die omstandigheden lijkt het niet meer dan logisch dat in deze studie aandacht wordt besteed aan de belangrijkste features van de openbaarmakingsplicht die op grond van de federale effectenwetgeving van de USA voor uitgevende instellingen geldt. Op basis van een uiteenzetting van die features kan vervolgens in hoofdstuk 3 waarin de Europese benadering van de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie centraal zal staan — onder meer de vraag worden beantwoord of de Amerikaanse regeling de Europese en Nederlandse wetgever ook tot voorbeeld heeft gestrekt bij het ontwerpen van de eigen regeling van de openbaarmakingsplicht. Een andere in dit verband te beantwoorden vraag is of er significante verschillen tussen beide regelingen bestaan, en zo ja, wat de inhoud en betekenis van die verschillen is.
Dat de federale effectenwetgeving van de USA een voorbeeldfunctie voor onze wetgevers heeft kunnen vervullen, houdt mede verband met de omstandigheid dat in de USA zo veel eerder dan in Nederland en Europa — zij het noodgedwongen fundamenteel is nagedacht over het nut en de noodzaak om de effectenmarkten te reguleren, en de wijze waarop dit op effectieve wijze zou kunnen geschieden. In dit geval heeft de economische en maatschappelijke ontwrichting die het gevolg was van de in oktober 1929 aangevangen beurskrach — ook wel bekend als The Great Depression — ertoe geleid dat de federale wetgever niet anders kon dan drastisch in te grijpen in de fmanciële sector met wettelijke maatregelen om een groter debacle te voorkomen en te trachten het geschonden vertrouwen te herstellen. Het wordt als de grote verdienste van President Franklin D. Rooseveld (President van 1933 tot 1945) gezien dat hij er niet alleen de noodzaak van heeft ingezien dat met wettelijke maatregelen in de financiële sector moest worden ingegrepen, maar dat hij bovendien de totstandkoming van de eerste maatregelen voor de vereiste hervormingen daadkrachtig in The First Hundred Days van zijn Administration ter hand heeft genomen.
Met deze motivering is nog niet verklaard waarom in deze studie niet (ook) is gekozen voor een beknopte uiteenzetting van de wijze waarop de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie in de ons omliggende Europese landen is geregeld. Ook die keuze wil ik verklaren. Uit hoofdstuk 3 zal namelijk blijken dat de lidstaten van de Europese Unie op dit terrein hun soevereiniteit hebben prijs gegeven. De Europese Unie heeft de regeling van dit onderwerp aan zich getrokken en in de Richtlijn marktmisbruik — waarvan de voor uitgevende instellingen geldende openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie een onderdeel is — zijn dwingende voorschriften gegeven ten aanzien van de inhoud en vorm van deze effectenrechtelijke informatieverplichting. Het gevolg hiervan is dat de nationale wetgevers niet of nauwelijks nog speelruimte is gelaten om van deze Europese regels af te wijken of daarvoor aanvullende regels op te stellen. Waar door de Europese wetgever volledige harmonisatie tot uitgangspunt is genomen, verliest een vergelijking van de Nederlandse regeling met de wetgeving van de andere lidstaten van de Europese Unie grotendeels haar waarde voor deze studie. Dat rechtsvergelijking binnen de Europese Unie in dit geval eigenlijk zinloos is, geldt overigens niet voor de rechterlijke uitspraken die met betrekking tot de openbaarmakingsplicht van uitgevende instellingen in de onderscheiden lidstaten zijn gedaan.2 Die rechtspraak zou zonder twijfel interessante gezichtspunten voor deze studie kunnen opleveren. Voor zover mij bekend, zijn rechterlijke uitspraken over de openbaarmakingsplicht van koersgevoelige informatie uit één van de andere lidstaten echter nog niet voorhanden.