Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/4.4.3
4.4.3 Zekerheidstelling bij een onderzoek naar meerdere rechtspersonen
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS450707:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld OK 9 november 2009, ARO 2009/167 (iBiz c.s.); OK 17 maart 2011, ARO 2011/55 (A&T Van Beek c.s.). Anders OK 23 december 2014, ARO 2015/48 (Museum Vastgoed Groep c.s.). In deze zaak gelastte de Ondernemingskamer een onderzoek tegen twee gelieerde vennootschappen met aanstelling van dezelfde onderzoeker, maar bepaalde zij voor elke vennootschap afzonderlijk een onderzoeksbudget. Wellicht heeft dit te maken met het feit dat de verzoekers in beide zaken verschillend waren.
Zie bijvoorbeeld OK 2 november 2000, JOR 2001/6 (Cohere Holding c.s.); OK 15 maart 2001, JOR 2001/108 (Skagerak Projecten); OK 4 september 2003, ARO 2003/136 (Fletcher Hotel Group c.s.); OK 26 juli 2006, ARO 2006/142 (K&H Holding c.s.).
OK 9 november 2009, ARO 2009/167 (iBiz c.s.).
OK 15 maart 2001, JOR 2001/108 (Skagerak Projecten). De Ondernemingskamer besliste (zonder verdere motivering) dat de kosten van het onderzoek ten hoogste ƒ 60.000 zouden bedragen, de omzetbelasting daaronder niet begrepen, dat deze kosten zouden worden gedragen door Beheer en Beleggingsmaatschappij De Oude Rijn B.V. en Skagerak Projecten B.V., voor onderscheidenlijk 60/ 100 en 40/100 van die kosten, en dat zij voor betaling van die kosten hoofdelijk waren verbonden. Vgl. verder OK 26 maart 2003, JOR 2003/141 (Callas Beheer c.s.); OK 11 juli 2003, JOR 2003/252 (LHT Finance House c.s.).
De weergave van de feiten in de beschikking is zeer summier en een motivering ontbreekt, zodat de beschikking zelf hierover geen uitsluitsel biedt.
Artikel 6:10 BW bepaalt dat hoofdelijke schuldenaren, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht zijn in de schuld en in de kosten bij te dragen. Het lijkt mij niet eenvoudig voor een rechtspersoon om aan te tonen dat de kosten van het onderzoek hem, in zijn verhouding tot de andere rechtspersonen die voorwerp van onderzoek zijn, minder aangaan dan die andere rechtspersonen.
Met enige regelmaat komt het voor dat de Ondernemingskamer in één beschikking een onderzoek gelast naar meerdere rechtspersonen, met benoeming van dezelfde onderzoekers. Meestal is er dan sprake van een concernenquête, maar soms is er sprake van rechtspersonen die anderszins zijn gelieerd. Dit geeft aanleiding tot de volgende vragen:
Kan de Ondernemingskamer één bedrag vaststellen dat het onderzoek naar alle rechtspersonen tezamen ten hoogste mag kosten, of moet zij dat voor iedere rechtspersoon afzonderlijk doen?
Kan de Ondernemingskamer bepalen dat de verplichting tot zekerheidstelling hoofdelijk op iedere rechtspersoon rust?
Kan de Ondernemingskamer de onderlinge draagplicht van de rechtspersonen voor de onderzoekskosten vaststellen?
Alle drie de vragen moeten mijns inziens bevestigend worden beantwoord. Indien de Ondernemingskamer bij een onderzoek naar meerdere rechtspersonen dezelfde onderzoekers benoemt, is er kennelijk sprake van een zodanige onderlinge verwevenheid dat de onderzoekshandelingen die de onderzoekers gaan verrichten niet goed te scheiden zijn in onderzoekshandelingen die betrekking hebben op de ene, dan wel op de andere rechtspersoon. Onder die omstandigheden lijkt het mij zonder meer verantwoord om één onderzoeksbudget voor alle te onderzoeken rechtspersonen vast te stellen. Dit pleegt de Ondernemingskamer standaard ook te doen.1 Om te voorkomen dat met de uitvoering van het onderzoek niet zou kunnen worden begonnen als ieder van de te onderzoeken rechtspersonen voor een deel van het onderzoeksbudget zekerheid zou moeten stellen, lijkt het mij ook wenselijk dat de betrokken rechtspersonen hoofdelijk gehouden zijn om zekerheid te stellen. De Ondernemingskamer heeft dit diverse malen uitdrukkelijk overwogen,2 maar laat vaak ook in het midden of de verplichting tot zekerheidstelling een hoofdelijke is.3 Ik heb enkele gevallen aangetroffen waarin de Ondernemingskamer in de beschikking waarbij zij een onderzoek naar meerdere rechtspersonen gelastte, tevens besliste wat de onderlinge draagkracht voor de onderzoekskosten was.4 Mijns inziens heeft de Ondernemingskamer de bevoegdheid dit te bepalen. De Ondernemingskamer had immers ook kunnen bepalen welk gedeelte van het totale onderzoeksbudget door welke rechtspersoon afzonderlijk had moeten worden betaald. Waarom de Ondernemingskamer in deze ene zaak heeft beslist wat de onderlinge draagkracht voor de onderzoekskosten van de onderscheiden rechtspersonen is terwijl zij daarover normaal gesproken geen beslissing neemt, is mij niet duidelijk. Wellicht heeft het ermee te maken dat in dit geval de rechtspersonen niet behoorden tot hetzelfde concern en kennelijk verschillende aandeelhouders hadden.5 Indien de Ondernemingskamer niets omtrent de draagplicht van de rechtspersonen bepaalt, zal moeten worden aangenomen dat zij in beginsel ieder voor een gelijk deel draagplichtig zijn.6