Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/III.2
III.2 Inleiding
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS593961:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover uitvoerig Loth 2012, i.h.b. p. 6-17; Vgl. ook Nijboer 1982, artt. 338-344, aant. 8, p. 16-19.
Vgl. ook bijv. Groenhuijsen 2004, p. 151; Mackor 2010; Loth 2012, p. 18 e.v.; Groenhuijsen 2012, p. 239-251; Dubelaar 2014, p. 21; Kwakman 2014.
In dat verband zijn de termen materiële en formele waarheid in het bijzonder misleidend. Niet het type waarheid dat in de verschillende procedures wordt gezocht, maar de procedurele context, kaders en grenzen waarbinnen dat gebeurt, lopen uiteen, vgl. Cleiren 2001, p. 13; Crijns & Van der Meij 2005, p. 48-50. Zie over het belang van ‘materiële’ waarheid in het civiele recht uitvoerig Klaassen 2001; De Bock 2011, i.h.b. p. 42. Evenals de civilist herkent de Engelse strafjurist zich niet in het beeld dat met een sterker op partijautonomie gebaseerd stelsel een andersoortige waarheid dan de materiële wordt nagestreefd, zie Spencer 2003, p. 29-30.
Waar, zoals in het strafrecht, meer publiek belang bestaat bij feitenvaststelling conform de realiteit ligt het bijvoorbeeld eerder voor de hand dat de rechter daarin eigen bevoegdheden krijgt toegekend en zelfs de plicht heeft die bevoegdheden waar nodig te benutten, vgl. Van Kempen 2009, i.h.b. p. 282-283.
Waarheidsvinding moet soms wijken voor andere belangen, zoals grondrechtenbescherming, efficiëntie, belangen van derden, en effectief toezicht op en sanctionering van onrechtmatigheden in het opsporingsonderzoek. Zie over dit thema Cleiren 2001, p. 9-31; Crijns 2008, p. 23 e.v.; Groenhuijsen 2012, p. 246-250.
Zie ook Dubelaar 2014, p. 33.
In de rechtspleging draait het om feiten en normen. Vastgestelde feiten geven toepassing en invulling aan een bepaalde rechtsnorm. De activering van die rechtsnorm heeft een rechtsgevolg. Feiten dienen rechtens zoveel mogelijk overeenkomstig de waarheid te worden vastgesteld. Over wat waarheid nu eigenlijk is, bestaan verschillende, concurrerende theorieën.1 Zij prenten ons onder meer in dat het bestaan van een absolute, perspectiefonafhankelijke waarheid uiterst kwestieus is. Niettemin is het streven in het strafproces steeds feitenvaststelling die correspondeert met de werkelijke, historische toedracht van het gebeurde, hoe bereikbaar of onbereikbaar dat doel ook in allerlei opzichten moge zijn.2 In dat streven verschillen bijvoorbeeld het strafproces en het civiele proces ook niet van elkaar.3
Juridische waarheidsvinding vindt evenwel plaats in een processuele context. Die context is onder meer afhankelijk van de relatie tussen de procesdeelnemers en het doel of de doelen van de procedure.4 Bovendien bepalen niet louter aan waarheidsvinding gerelateerde waarden en belangen de inrichting van die context.5 Eén belangrijke moeilijkheid bij de vormgeving ervan is dat het streven rechtsbeslissingen te baseren op de waarheid en de onmogelijkheid daaromtrent zekerheid te verkrijgen een altijd aanwezige spanning creëren tussen de beoordeling van het feitenmateriaal en de daarop gebaseerde beslissingen. De beoordeling van bewijsmateriaal behelst immers steeds een inschatting van een mate van waarschijnlijkheid dat de gestelde feiten daadwerkelijk zijn voorgevallen. Er bestaat een spanning tussen beoordeling en beslissing, doordat de beoordeling telkens een analoge inschatting van de waarschijnlijkheid van verschillende scenario’s behelst, terwijl de rechter in zijn beslissing die analoge inschatting dient om te zetten in een digitaal en categorisch oordeel.6 De wijze waarop de rechter met die onzekerheid omgaat, wordt eveneens bepaald door de processuele context waarin feitenvaststelling plaatsvindt en ook daarbij speelt de relatie tussen de procesdeelnemers en de met de procedure gemoeide belangen een bepalende rol.
De bewijsdimensie van de onschuldpresumptie is in strafzaken een belangrijk onderdeel van die processuele context waarin feiten worden vastgesteld. In het bijzonder heeft de bewijsdimensie betrekking op de wijze waarop met onzekerheid omtrent de feitelijke vervulling van de materiële voorwaarden voor aansprakelijkheid wordt omgesprongen. In strafzaken zijn met feitenvaststelling conform de realiteit bij uitstek grote, algemene en individuele belangen gemoeid. Van de historische werkelijkheid afwijkende beslissingen gaan de gehele samenleving aan.
In hoofdstuk II bleek dat de onschuldpresumptie haar wortels heeft in het bewijsrecht en dat die wortels vooral in de common law goed bewaard zijn gebleven. Aldaar vormt het voorschrift dat de bewijslast rust bij de vervolgende instantie nog altijd de kern van het beginsel. Het zou echter zonder meer onjuist zijn de bewijsdimensie van de onschuldpresumptie te beschouwen als een Angelsaksische eigenaardigheid. In de Rijnlandse rechtsordes brengt men de onschuldpresumptie bijvoorbeeld aanhoudend in verband met het adagium in dubio pro reo.
Dit hoofdstuk brengt de betekenis van de bewijsdimensie nader in kaart. Daartoe volgt eerst een operationalisering van de bewijsdimensie. Welke normen liggen daarin besloten en wat betekenen die normen precies (§ 3)? Daarna bespreek ik de voor die normen belangrijkste bestaansgronden (§ 4). In paragraaf 5 komen vragen aan bod met betrekking tot de reikwijdte van de bewijsdimensie: op welke rechtens relevante feiten heeft de bewijsdimensie betrekking en kan de onschuldpresumptie ook gevolgen hebben voor de inhoud van het materiële strafrecht? Paragraaf 6 behandelt de vraag welke andere belangen met de bewijsdimensie botsen en of deze grond kunnen geven voor beperking van het beginsel.