Het onderzoek in de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.5.4:2.5.4 Beperkingen op grond van de omvang van de rechtsstrijd
Het onderzoek in de enquêteprocedure (VDHI nr. 145) 2017/2.5.4
2.5.4 Beperkingen op grond van de omvang van de rechtsstrijd
Documentgegevens:
mr. drs. R.M. Hermans, datum 01-11-2017
- Datum
01-11-2017
- Auteur
mr. drs. R.M. Hermans
- JCDI
JCDI:ADS455488:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 6 januari 2005, JOR 2005/6, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Ahold), r.o. 4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 2.4.3 heb ik uiteengezet hoe de omvang van de rechtsstrijd de vrijheid van de Ondernemingskamer beperkt om de onderzoeksperiode vast te stellen. Hetgeen ik daar heb geschreven is ook van toepassing op de vrijheid die de Ondernemingskamer heeft om de onderzoeksopdracht te formuleren. Zoals ik daar heb opgemerkt, meen ik dat in inquisitoire en antagonistische enquêtes de Ondernemingskamer niet de bevoegdheid heeft een bredere onderzoeksopdracht te gelasten dan is verzocht door de verzoeker, de rechtspersoon of belanghebbenden die zelf de enquêtebevoegdheid hebben. Onjuist acht ik dan ook de beslissing van de Ondernemingskamer in de Ahold-enquête, waarin zij de onderzoekers op suggestie van een belanghebbende de opdracht gaf de consolidatie van JMR te onderzoeken, alhoewel daar door de verzoekers niet om was verzocht.1